null Beeld

ColumnBert Keizer

Wordt de arts herinnerd om haar ontzagwekkende kennis? Welnee

De medische opleiding van mijn generatie bestond voornamelijk uit ziekteleer. Dat wil zeggen dat we uit een verkleurde iris, of blauwgroene pus, of een bolle nagel, een hele wereld aan pathologie moesten zien af te leiden. In je coschappen betrad je voor het eerst de ziekenzaal met deze missie: uitzoeken wat die mensen hebben. 

Onze leermeesters waren verlammend goed op diagnostisch gebied. Ik vergeet nooit de internist met wie ik als co een weekenddienst deed in het toen nog bestaande Binnengasthuis in Amsterdam. We schrijven 1978, het ziekenhuis stond op twee minuten lopen van de Wallen.

Vanuit dat gebied werd veel drugsellende binnengebracht, het waren de hoogtijdagen van heroïne. Op die zaterdagmorgen werd een doodzieke jonge Duitser binnengereden. De internist wierp één blik op de niet meer aanspreekbare jongen en zei: “Meningokokken-sepsis, hang de penicilline maar aan.” Het ging om een overweldigende infectie door de meningokok, de bacterie die hersenvliesontsteking veroorzaakt. Hij wees mij op de vele kenmerkende puntbloedinkjes in de huid van de patiënt. Ja, nu zag ik het ook. Twee dagen later hadden we de uitslag van de bacteriekweek: meningokok. Het ging hier om een levensreddende diagnose. Twee weken later liep het joch lachend de deur uit. Geweldig vak, vindt u niet?

Of neem de nietsvermoedende handelsreiziger die met een knie vol pus werd opgenomen. Het ging om een infectie met de gonokok, de oorzaak van gonorroe. Maar die man hád helemaal geen gonorroe. De antibiotica werkten wel, maar het raadsel was hoe die gonokok in de knie van een gezonde jonge vent terecht was gekomen.

Men haalde de dermatoloog erbij. Die doen ook geslachtsziekten en hij zei: doe maar even een bacteriekweek uit de keel. De uitslag was: een gonokok. Een van de co’s vroeg zich af hoe het in godsnaam mogelijk was dat een gonokok in de keel van een man kon belanden. En slikte haar vraag halverwege alweer in. “Ik weet niet of God er iets mee te maken had”, zei de dermatoloog, “maar de wegen van de gonokok zijn veel minder ondoorgrondelijk.”

Vanuit de patiënt bekeken ziet ons werk er heel anders uit

In het verpleeghuis waar ik jaren werkte, is niet zoveel ruimte voor flitsende diagnostiek. Hoewel. Collega B. zag op een vrijdagmiddag vanuit zijn kamer de tachtigjarige meneer van der A. op het bordes voor de ingang ineenzakken. Hij belde eerst de ambulance en toen de chirurg in het nabije ziekenhuis met de mededeling: gebarsten buikslagader komt eraan. Hij bleek gelijk te hebben.

Dit zijn typisch de verhalen die artsen elkaar vertellen, maar vanuit de patiënt bekeken ziet ons werk er heel anders uit. De jonge Duitser zou nooit weten door wie zijn leven was gered. En meneer van der A. herinnerde zich niets van de acute episode en zag dan ook geen reden om na afloop naar dokter B. te gaan en hem te bedanken voor zijn kordate snelheid van denken en handelen.

Omdat de perspectieven zo grondig verschillen, zijn patiënten en artsen het zelden eens over wie een goede arts is. Collega J. nam na meer dan dertig jaar afscheid als huisarts. Vanwege corona was er tot haar spijt geen mogelijkheid voor een afscheidsreceptie. Dus stuurde ze een kaartje rond naar haar patiënten waarin ze haar vertrek aankondigde.

Ze kreeg rond de honderd schriftelijke reacties. Dat stemde haar dankbaar, maar om één aspect moest ze erg lachen.

“Jij en ik, we hebben ons vijf jaar lang afgebeuld om het aantal zijtakken van de nierslagader uit ons hoofd te kennen, de biochemie van gaswisseling in de longen te begrijpen, snappen dat de pH in het bloed daalt als je bij nierfalen richting kaliumtekort gaat. We hebben zelfs de opstijgende en neerdalende zenuwbanen in het ruggenmerg tenminste even uit elkaar kunnen houden en we kenden bij ons artsexamen de bijwerkingen van meer dan honderdvijftig geneesmiddelen die niemand meer voorschrijft. 

“En hoe word ik na dat alles gewaardeerd als huisarts? Om mijn ontzagwekkende kennis? Mijn scherpe diagnostiek? Mijn accurate prognoses? Nee. Wat ik te horen krijg is: u was er altijd, u hebt een heerlijk gevoel voor humor, als we belden kwam u meteen, u was zo aardig voor mijn man. En één deugniet zegt dat hij me in alle opzichten een heerlijke meid vond.”

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden