null Beeld

ColumnBert Keizer

Wittgenstein deed niet aan wanhoop rond de dood, integendeel

Bert Keizer

Op 29 april 1952, vandaag precies zeventig jaar geleden, overleed Ludwig Wittgenstein in Cambridge. Hij was 62 jaar oud. Hij leed aan prostaatkanker. Hij reageerde nogal laconiek op de diagnose en schreef eind 1949 aan een vriend: ‘Ik was in het geheel niet geschrokken toen ik hoorde dat ik kanker had, maar wel toen ik hoorde dat ze er iets aan konden doen, daar ik geen wens heb verder te leven.’ Dat klinkt niet erg wanhopig. Wittgenstein deed niet aan wanhoop rond zijn naderende dood. Integendeel, hij slenterde, omringd door vrienden, rustig richting het einde.

Iedereen kent de slotzin van Wittgensteins Tractatus: ‘Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’ Aan deze bedrieglijk eenvoudige mededeling gaat een indrukwekkende hoeveelheid geestelijke arbeid vooraf. Hij bedoelde niet alleen te zeggen dat we vaak maar wat zitten te kletsen over onderwerpen die we niet echt beheersen.

Het gaat hem om een diepere onmogelijkheid om tot steekhoudende beweringen te komen. En hij verkent die onmogelijkheid door zijn aandacht te richten op het gereedschap waarmee wij denken: de taal. Een van de lastigste vragen over taal is hoe de klanken die we uitstoten erin slagen om over de wereld te gaan. Van een foto of een schilderij begrijpen we wel wat hun band met de wereld is: ze lijken er op. Maar hoe kan een brokje taal nou op een brokje wereld lijken? Bij sommige woorden is het de klank van het beschrevene die nog naklinkt in het woord: ‘schetterend’ ‘boem’ ‘knisperen’ ‘zoemen’. Maar wat lijkt er nou op koffie in het woord ‘koffie’? Niks, zou ik zeggen. Het wordt helemaal onbegrijpelijk als je dezelfde mededeling (Jan is in de schuur) in het Chinees, Turks, Fins en Nederlands uitspreekt. Geen idee hoe deze uiteenlopende geluiden naar dezelfde toestand in de wereld kunnen verwijzen.

Als je alle feiten kent, ben je nog steeds niets wijzer

Wittgensteins antwoord was dat we in taal een beeld opbouwen dat in logische vorm overeenkomt met het beschrevene. Niet weglopen alstublieft, ik leg het beter uit. Je kunt het verloop van een aanrijding tussen een fietser, een auto en een tram heel goed uitleggen op tafel met een aansteker, een balpen, een koffiekopje en een boekje. Je ziet dan in één oogopslag hoe het verliep. En je ziet het omdat de samenhang van de voorwerpen op tafel overeenkomt met de structuur van de aanrijding. Zo lukt het om de klank ‘Gerda is verdwaald’ over Gerda te laten gaan, de bewering en de toestand delen een logische vorm.

Wittgenstein was gelovig en in dat kader wilde hij wel iets meer over de wereld zeggen dan dat Jan in de schuur is en Gerda verdwaald. Hij wilde iets over God zeggen en daar stuitte hij op een probleem, omdat het rond God onmogelijk is een mededeling te doen in de trant van: ‘God zorgt voor ons’. Dat is zo onmogelijk omdat je in zo’n mededeling een feitelijke toestand beschrijft. En elke feitelijke toestand kan ook anders uitpakken. Daarom kunnen we God niet onder de feiten rangschikken, want daar zou hij een vorm van omstotelijkheid over zich afroepen die juist niet bij hem hoort. In Wittgensteins woorden: ‘Hoe de wereld is, is voor het hogere volkomen onverschillig. God openbaart zich niet in de wereld. – De feiten behoren allemaal slechts tot de opgave, niet tot de oplossing. – Het gevoel van de wereld als begrensd geheel is het mystieke.’

Dat wil zeggen: als je alle feiten kent dan ben je nog steeds niets wijzer tenzij je daarbij ook tot het besef komt dat er naast alle feiten nog iets anders is dat je echter niet in woorden kunt vatten. Want, zegt Wittgenstein ‘De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld.’ Waarmee we terugkomen op zijn slotzin: ‘Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’ Deze veelzeggende sprakeloosheid beschreef hij als ‘de belangrijkste helft van mijn boek’. De geschreven helft moest hiernaast verbleken.

Dit ingenieuze jongleren met begrippen rond God, taal en wereld was ook voor Wittgenstein alleen maar doenlijk in de setting van een filosofische verhandeling. Jaren later neemt hij in zijn dagboeken op innemende wijze afstand van deze theologische acrobatiek als hij zichzelf vermaant: ‘Glaube du, es schadet nicht.’ ‘Geloof nou maar, het kan geen kwaad.’

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Correctie 29-4: in een eerdere versie stond door een redactionele ingreep het woord ‘onomstotelijkheid’ in de tekst. Dat moet ‘omstotelijkheid’ zijn. Met dit zelfbedachte woord wil Keizer juist het tegenovergestelde van ‘onomstotelijkheid’ uitdrukken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden