Beeld Trouw

ColumnBert Keizer

Wanneer wordt profileren schadelijk?

In Trouw van afgelopen zaterdag schreef Mieke Boon, hoogleraar wetenschapsfilosofie, een rust en helderheid ademende beschouwing over het vermaledijde etnisch profileren. We profileren allemaal de hele dag, onder andere op het punt van etniciteit. Maar ook de zachte g, de Twentse -n, een priesterboord of het gouden kruisje tussen borsthaar, het zijn allemaal items in of om een medemens die ons aantrekkelijk of vertederend of walgelijk overkomen. Boon stelt in alle nuchterheid vast: ‘Het is mogelijk om neutrale risicoprofielen op te stellen zonder etnisch profileren, terwijl niettemin kan blijken dat etniciteit een rol speelt in sommige van die profielen.’

Ik ben zelf in de sixties nogal eens het doelwit geweest van profileren. Ik woonde in Engeland en elke keer als ik van de boot afkwam in Harwich moest ik mee naar het politiebureau waar ik nogal treiterig ondervraagd werd terwijl ze mijn rugzak op de grond leegschudden. Vanwege mijn haar en kleding werd ik verdacht van drugsgebruik. Er konden niet erg veel drugs in dat rugzakje, maar ik werd benaderd alsof ik een scheepslading meetorste, waarmee ik een hele generatie niets­vermoedende Britse tieners in het ­verderf zou kunnen storten.

Het is me vele jaren later nog eens overkomen aan de Oostenrijkse grens. Toen was het niet alleen mijn haar en vale T-shirt, maar het kwam ook door mijn vrouw met haar lichtelijk minachtende oogopslag (ze kan niet tegen petten) en natuurlijk door onze stoïsch uiteenvallende Volvo, dat we de inhoud van onze koffers op het asfalt ten toon moesten spreiden. Men zocht, wederom, naar drugs. Terwijl wij onze schamele garderobe uitstalden op de weg reden andere brave Nederlanders met voldane ANWB-gezichten smalend aan ons voorbij. Ik vroeg me af welk profiel die douane-beambten in hun hoofd hadden dat ons zou bestempelen tot mogelijke drugssmokkelaars. En dat terwijl er meerdere caravans voorbij rolden die tot de nok toe waren volgestouwd met coke en heroïne, keurig voortgetrokken door een suffe Opel Astra met een al even suf middelbaar echtpaar op de voorbank. Ja, want de echte drugssmokkelaars wisten wel hoe je zoiets aanpakt.

Het was mijn gedroomde profiel

Dit is wel profileren, lastig voor de geprofileerde, maar niet levensremmend. Integendeel, ik werd fraai bevestigd waar het mijn gedroomde profiel betrof van iemand die zich verzette tegen ‘de gevestigde maatschappij’. Met dit verzet sleet trouwens ook het profiel. Dus nee, ik ben nooit het slachtoffer geweest van ‘etnisch profileren’.

Het is moeilijk aan te geven waar het zeven van informatie over de mensen om je heen kwaadaardig wordt, niet levensremmend, maar levensverwoestend. Dat haar, het vermeende drugsgebruik, zo’n ouwe auto, als men dat mijn hele leven om mijn nek was blijven hangen met als gevolg dat ik nooit helemaal de studie, de baan, het huis of zelfs de vrouw die ik echt wilde, zou kunnen bemachtigen, daar zou je toch gek van worden?

Een voorbeeld van echt etnisch profileren. In 1978 werkte ik als assistent pathologie in het OLVG in Amsterdam. Mijn vriend G., een Pakistaanse man, had pijn aan zijn been. Zijn Nederlands was niet geweldig. Ook zijn Engels was, laten we zeggen, erg oorspronkelijk. Hij kreeg paracetamol. Het hielp niet. De pijn werd steeds erger. De huisarts haalde zijn schouders op. G. voelde dat hij werd weggezet als een laagbetaalde schoonmaker die ten onrechte in de ziektewet probeert te komen. Hij was geen schoonmaker, maar een jonge wetenschapper bezig met een promotieonderzoek in milieuchemie. Ik was zelf nog geen arts, maar kreeg het voor elkaar dat een van de chirurgen in het ziekenhuis hem onderzocht.

Het is om je dood te schamen

Ik vertelde eerst over zijn promotieonderzoek (het profiel opvijzelend) en toen over die onbegrepen pijn. Hij bleek een beenmergontsteking te hebben (osteomyelitis) waarvoor hij zes maanden moest worden opgenomen om het bot met antibiotica te doorspoelen. Ik weet tot op de dag van vandaag niet of G. ooit de goede therapie zou hebben gekregen zonder mijn bemoeienis en de bewering dat hij een wetenschapper was, geen schoonmaker. Ja, het is om je dood te schamen. Hoe komen we hier ooit uit? Op zijn minst door het erover te hebben en dan liefst met een besef dat we op dit punt allemaal in een glazen huis wonen. Dus alsjeblieft, geen stenen gooien.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden