null Beeld

ColumnBert Keizer

Rond het zelfgewilde levenseinde hangt soms een waas van blunderen

Vandaag doen we blunders. Laten we maar thuis beginnen. Vorige week citeerde ik een tekst die Rudolf Steiner in 1928 zou hebben uitgesproken. Uit meerdere antroposofische hoeken werd ik gefeliciteerd, omdat ik kennelijk drie jaar na zijn dood toch nog contact had weten te leggen met hem, want Steiner waagde de grote oversteek in 1925.

Ja, dit was mijn straf voor gemakzuchtig internetgebruik. Hoewel je ook zou kunnen zeggen dat zijn leerlingen Steiner op dit punt grovelijk onderschatten, want een lezing geven na zijn dood was iets dat hij juist wél kon. Nee, nou niet leuk gaan doen, het was een blunder.

Hier nog eentje. Collega H. was in gesprek met meneer C. en zijn moeder over haar nabije toekomst. Ze zou naar haar zeggen ‘geïnterneerd’ worden in een verpleeghuis. Mevrouw gruwde bij voorbaat al van wat haar daar zou worden aangedaan. Ze had de krant en tv goed bijgehouden en er volgde een opsomming van verpleeghuisellende zoals die graag breed wordt uitgemeten in de media. De smakeloze aankleding van het huis, het beroerde eten, de slecht opgeleide verzorgenden, de urinelucht, het advocaatje met slagroom in de namiddag, de Bingosessies en er zou natuurlijk nergens ruimte zijn voor haar muzieksmaak enz. enz.

‘U vergeet de halfzachte dominee’

Collega H. dacht een handje te helpen bij de beschrijving van deze naderende afdaling in de hedendaagse Hades door het vervloekte oord een extra accent te geven: “U vergeet het Urker Mannenkoor dat elke dag zijn sombere psalmen over u uit zal storten en dan is er natuurlijk de halfzachte dominee of geestelijk verzorger”.

Nu viel mevrouw ineens stil. H. keek lichtelijk verwilderd van zoon naar moeder naar zoon. En toen zei de zoon voorzichtig: “Eh, ik ben die halfzachte dominee”.

Laatst dróómde ik van een blunder. Ik heb nogal eens met euthanasie te maken en meen dat allemaal netjes op te bergen in mijn geestelijke bagage. Maar de vraag is of dat goed lukt. Ik droomde dat mijn euthanasie per ongeluk was geregeld. Iemand blunderde ergens. O ja? Wie is dat dan? Wat krijgen we nou? Ik vind het niks. Maar het was wel mijn eigen idee, zeggen ze. Ik ijsbeer. Wie moet ik bellen? Mijn broers? Mijn zussen? Ik ben doodsbang. Precies wat ik al die jaren al vreesde dat mij zou overkomen. Dat ik op het laatste moment, staart tussen mijn benen, zou proberen om weg te komen. Zinloos, want sterven zal ik, alleen verpest ik nu de kans om er een beetje glans aan te geven. Die telefoontjes, ik zie er zo tegenop. Ik ben mijn hele leven nog nooit zo verdrietig geweest. Ik vind het zo zonde van mij dat ik …

En toen werd ik wakker gemaakt door mijn vrouw. Ik vertel meteen mijn droom. “Maar goed dat ik je wakker heb gemaakt”, zegt ze, “anders was je nou dood.”

Rond het zelfgewilde levenseinde hangt soms een waas van blunderen, alsof je iets kostbaars uit je handen hebt laten vallen.

Ze vermoedden ergens een warm hart

Ik was laatst betrokken bij het levenseinde van meneer Jansen, een eenzelvige meubelmaker die worstelde met zijn dementie. Zijn vrouw was enkele jaren eerder gestorven. Hij was een van die dementerenden die zijn eigen neergang pijnlijk goed in de gaten heeft. Zijn twee zoons waren nauw betrokken bij zijn laatste maanden. Ze vertelden mij dat Jansen eigenlijk niet zo’n warme vader was geweest. Ze hadden het hem nooit kwalijk genomen, ze vermoedden ergens een warm hart.

Toen de levensbeëindiging plaatsvond ging er iets fout, of juist goed, ik weet het nog steeds niet. Wat er gebeurde was dat Jansen halverwege zijn laatste minuut op aarde begon te huilen. Dikke tranen, net voordat hij het bewustzijn verloor. De zoons zaten er verbijsterd naar te kijken. Ze hadden hun vader nog nooit zien huilen.

Later, nadat de schouwarts was geweest, nam ik afscheid, enigszins bedrukt. We zaten nog met die laatste tranen van hun vader, vooral omdat hij de tijd niet meer had gehad om dit verdriet uit te leggen. De oudste vroeg: “Hebben we nou geblunderd?”

Op weg naar huis dacht ik aan een citaat van Nescio, die door zijn ongepubliceerde teksten bladert en dan noteert: ‘Ze eindigen plotseling, nergens, zoals alles’.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden