ReportageLiempde

Hoe verpleeghuis De Vlaswiek de helft van zijn bewoners verloor

Medewerkers van verpleegtehuis De Vlaswiek in Liempde, van links naar rechts: verpleegkundige Lilian van Dongen, teamcoach Elles de Boer en verpleegkundige Rian Bakx.Beeld Roos Pierson

Begin mei krijgt verpleegtehuis De Vlaswiek in Brabant te maken met een superbesmetting. Terwijl in de rest van Nederland de coronamaatregelen stap voor stap worden versoepeld, gaat het hier bergafwaarts: zestien doden in drie weken tijd.

Eerder dit voorjaar is het feest in verpleeghuis De Vlaswiek. In de woonkamer zitten de dames samen aan de borrel. Chips op tafel, advocaatje, glaasje wijn. Als er een foto voor de familie wordt gemaakt, grijpt mevrouw Van der Zanden voor de grap zelfs de hele fles. 

“We hadden toen het gevoel dat we gespaard bleven”, blikt verpleegkundige Lillian van Dongen terug. In de rest van Brabant trekt het coronavirus op dat moment van verpleeghuis naar verpleeghuis en maakt dagelijks slachtoffers. Maar in De Vlaswiek in het dorp Liempde ontspringen de 32 bewoners met dementie en het personeel de dans, zo lijkt het.

Toch is ook daar het leven veranderd. “Naar de jeu de boules mocht niet meer, boodschappen in het dorp mocht niet meer, fietsen mocht niet meer”, somt Marinus van der Zanden op. Net als zijn vrouw woont hij in De Vlaswiek, maar anders dan veel andere bewoners is meneer Van der Zanden nog behoorlijk kwiek. Stilzitten is voor hem geen optie. Zijn dagen vult hij voortaan met zijn andere hobby: het verzorgen van de oleanders en bloembedden in de tuin.

Het enige contact met de buitenwereld hebben de ouderen via FaceTime, door de glazen pui op het speciaal ingerichte ‘babbelplekske’ of via een praatje over de tuinheg. Voor sommigen is het een zware periode, anderen leven juist op in de prikkelarme omgeving. Bovendien heeft het personeel genoeg tijd om af en toe een feestje te organiseren om de moed erin te houden.

Spanning

In de nacht van dinsdag 5 op woensdag 6 mei slaapt Rian Bakx slecht. De 55-jarige verpleegkundige ligt wakker van de spanning. In twee dagen tijd is de situatie in De Vlaswiek totaal omgeslagen. Maandagochtend blijkt dat een collega van Bakx besmet is met het coronavirus. Dezelfde dag nog worden vier andere collega’s en zeven bewoners getest vanwege ziekteverschijnselen.

“De snelheid van het virus op De Vlaswiek heeft ons overrompeld”, zegt Jan-Kees Metz, voorzitter van het crisisteam van de overkoepelende Zorggroep Elde Maasduinen. Bij het crisisteam hebben ze het gevoel dat het ergste achter hen ligt, na meerdere dodelijke uitbraken op andere locaties. Ook de rest van het land maakt zich klaar voor het afbouwen van de maatregelen. “En toen kwam plots De Vlaswiek.” De telefoontjes en berichten over besmettingen bereiken Metz op maandag in hoog tempo. “Helaas hadden we inmiddels al veel ervaring met uitbraken, maar deze enorme dynamiek was toch nieuw.”

Het crisisteam besluit diezelfde dag nog om het huis nog verder af te sluiten van de buitenwereld. Iedereen die er binnengaat moet vanaf dat moment beschermingsmiddelen dragen. Daaraan is gelukkig bij De Vlakwiek geen gebrek. De bewoners zien een soort marsmannetjes door de gangen lopen, ingepakt achter mondkapjes, schorten, haarnetjes, handschoenen en duikbrillen. Wie eenmaal op De Vlaswiek is geweest, mag niet meer op andere locaties van de zorggroep komen.

In de dagen erna blijkt dat het virus als een dolleman door De Vlaswiek heeft geraasd. De positieve testuitslagen stromen binnen: woensdag zeven bewoners positief, donderdag al twaalf, vrijdag vijftien. Dagelijks steekt Bakx lange wattenstaafjes in de neus en keel om slijm te verzamelen voor de testlaboratoria. “Bij het gros van de bewoners ging het testen vrij goed”, vertelt ze. Een bewoner snapt niet wat Bakx van haar wil. Ze weigert haar mond te openen. Als Bakx haar neus probeert, trekt ze met angst in haar ogen haar gezicht weg. De testen zijn van groot belang om de supersnelle uitbraak in goede banen te leiden, maar een vrouw met zware dementie dwingen kan Bakx niet over haar hart verkrijgen. “Ik ga mensen niet met geweld testen, dat gaat echt veel te ver.”

Twee verdiepingen

Eenzelfde tweestrijd ervaren de verpleegkundigen bij het indammen van het virus. Het huis is klein, en het aantal besmettingen is meteen groot. Ze zijn ook verspreid over beide verdiepingen van het gebouw. Een gang afsluiten om besmette bewoners te isoleren, is daardoor niet mogelijk. Bakx: “We probeerden de niet-besmette bewoners zoveel mogelijk op hun kamer te houden. Maar dat lukt niet altijd bij mensen met dementie.” En dus loopt het handjevol bewoners dat nog niet besmet is geregeld weer de gangen op. Mensen in hun kamer opsluiten kan niet, vindt Bakx. “Dan tast je zo erg het welzijn van de bewoner aan. Als we dat hadden moeten doen, had ik daar achteraf echt last van gehad.”

In de tweede week van de uitbraak eist het virus ook zijn tol onder het personeel. Binnen no-time raakt teamcoach Elles de Boer bijna de helft van haar medewerkers kwijt. Ruim twintig zitten besmet thuis. De overblijvers draaien tientallen overuren, aangevuld met een paar hulpkrachten uit andere verpleeghuizen. Een havo-eindexamenleerling, die een paar uur in de week op De Vlaswiek werkt, draait na afronding van haar schooltijd ineens op volle kracht mee.

Verpleegkundige Isabelle van Ballegooijen staat in overlevingsstand, haar eigen gevoel is naar de achtergrond verdwenen. Ze loopt constant van zieke bewoner naar doodzieke bewoner. Een gesprekje met de nog gezonde ouderen zit er nauwelijks in. “Je hebt gewoon geen controle meer, maar je moet wel alle ballen in de lucht houden. Ik rende de benen onder mijn kont vandaan. Het was echt vechten tegen de tijd.”

Het werk stopt niet bij de schuifdeuren van De Vlaswiek. Thuis denken de verpleegkundigen voortdurend na over wat ze die dag hebben meegemaakt. Van Ballegooijen brengt haar vrije tijd gesloopt door op haar kamer bij haar ouders thuis. “Ik had geen klachten en we waren goed beschermd, maar je weet dat je toch het virus bij je kan dragen. Dat speelt in je achterhoofd.” Dus doet ze geen boodschappen meer, en omdat haar ouders en broertje bang zijn voor een besmetting houdt ze ook binnenshuis afstand van haar familie. Van Ballegooijen merkt dat ze een kort lontje krijgt en ziet in de spiegel hoe haar wallen groeien. “Ik had thuis echt tijd voor mezelf nodig.”

Ook voor Bakx verandert haar thuissituatie drastisch door de uitbraak. Wekenlang slaapt ze niet meer met haar man in één bed. Hij zit in een risicogroep. Allebei weten ze dat afstand houden een goede keuze is. Maar ’s avonds in bed boven huilt Bakx geregeld. “Je kunt elkaar niet even vastpakken. Je zegt ’s avonds goedenavond en welterusten en dat is het dan.” Gelukkig praten ze veel, op afstand, dat helpt Bakx om de heftige momenten op haar werk een plekje te geven.

Want in De Vlaswiek sterven de bewoners in zo’n rap tempo dat het productiewerk lijkt. “Dit is een eindstation, dat weet iedereen die hier werkt”, zegt verpleegkundige Van Dongen. Bijna elk jaar overlijdt er wel iemand. Maar zestien doden in drie weken tijd, dat hebben zelfs de verpleegkundigen met dertig jaar ervaring nog nooit meegemaakt. “Je moet bedenken dat ik ook een band heb met die bewoners. Sommige mensen heb ik jarenlang vaker gezien dan mijn eigen familie.”

Een waardig einde

Misschien wel het zwaarst van alles is de worsteling om iedereen in deze hectiek toch een waardig einde te geven. Aanvankelijk staat er in het protocol dat de familie alleen langs mag komen als hun naaste terminaal is. Maar dat heeft twee grote nadelen, merkt het personeel al snel. Vlak voor het einde is een bewoner vaak niet meer aanspreekbaar door de pijnmedicatie. Bovendien is corona een uitzonderlijk grillig virus. Een bewoner die ’s avonds nog zingend een dansje in de woonkamer doet, ligt de volgende ochtend op sterven.

“Die grilligheid maakt gesprekken met de familie moeilijk”, zegt verpleegkundig specialist Carla van den Boom. Zij is bij De Vlaswiek verantwoordelijk voor het medische deel en belt in deze weken veel met familieleden van bewoners. “Soms belde ik ze eerst met de boodschap dat de klachten mild waren en dat we goede hoop hadden. Even later moest ik dan vertellen dat iemand op sterven lag. Je kon dingen niet met zekerheid zeggen.”

Eén keer gaat het fout. Een bewoner is al niet meer aanspreekbaar als de familie bij het sterfbed arriveert. Dit mag niet nog eens gebeuren, besluit het team. Leidinggevende De Boer overlegt met Van den Boom. “Ik wil niet te laat zijn. Liever te vroeg en dat iemand dan toch weer opknapt en we het bezoek weer moeten afbouwen”, zegt de teamcoach. Van den Boom is het daarmee eens.

Ook Angelique van der Zanden krijgt een telefoontje van Van den Boom. Haar moeder is besmet en gaat hard achteruit. Nog dezelfde dag zit ze helemaal ingepakt met haar net zo ingepakte vader aan het bed van haar moeder. “We hadden alle twee het idee: het is over, die piept ertussenuit.” Maar wonder boven wonder wordt mevrouw Van der Zanden aan het einde van de middag weer wakker. “Ze wilde naar de wc, kreeg weer wat babbeltjes en wilde wat eten.” Ze overleeft het, net als haar man die als een van de weinigen zelfs niet besmet raakt.

In een paar weken tijd overlijdt de helft van de bewoners. Voor een ritueel afscheid is nauwelijks ruimte, tot verdriet van het personeel. De lichamen moeten zo snel mogelijk opgehaald worden door een uitvaartverzorger. “Op een gegeven moment kwam ik erachter dat bewoners via een deur in de spoelruimte naar buiten gingen”, zegt Van Dongen. Het idee was dat de besmette lichamen zo niet in onbesmette ruimtes kwamen. “Het voelde heel hard. Mensen gingen midden in de nacht via dezelfde weg als het afval naar buiten.” Van Dongen is niet de enige die ermee zit. Samen beslist het personeel dat voortaan alle bewoners het pand weer via de voordeur verlaten.

Ook gaat het personeel op zoek naar nieuwe rituelen rond het overlijden. Normaal gesproken vormt het personeel een erehaag naar de uitgang. “Nu zijn we met alle aanwezige collega’s herinneringen gaan ophalen nadat iemands lichaam in lakens was gewikkeld.” Een van de verpleegkundigen leest een klein gedichtje voor, ze leggen een bloemetje op het laken en vormen een korte erehaag richting de lift.

De laatste erehaag

Precies een maand na de eerste positieve test wordt het rustiger in het verpleeghuis. Op 3 juni vormt het personeel voor het laatst een erehaag naar de lift. Daarna volgt de moeheid en steeds meer het besef. Van Dongen begint te dromen over de overledenen, ziet ze weer opstaan uit de dood. Ook andere personeelsleden herbeleven de massale sterfte in hun slaap, vertelt geestelijk verzorger Pascal Huiting.

Met zijn ‘gereedschapskist’ vol praat- en luistervaardigheden werkt Huiting extra veel in De Vlaswiek tijdens de uitbraak. “Normaal heb ik alleen gesprekken met bewoners, nu ook met personeel. Iedereen probeert vat te krijgen op de situatie.” De verpleegkundigen merken dat praten fijn is.

Op medewerkersbijeenkomsten vragen sommigen zich af hoe het virus De Vlaswiek heeft bereikt. Ten tijde van de uitbraak kwam er immers geen bezoek meer binnen, vanwege de strenge landelijke regels. Een GGD-onderzoek wees uit dat het personeel geen aanwijsbare fouten heeft gemaakt. Er zijn volgens De Vlaswiek geen medewerkers met klachten aan het werk gegaan. Toch blijft het door de hoofden van een deel van de medewerkers malen: hebben zijzelf misschien ongemerkt het virus naar binnen gebracht?

Het is confronterend rustig tussen de kleurrijk behangen gangmuren. De eerste nieuwe bewoner is alweer ingetrokken, maar het zal nog lang duren voordat alle kamers weer bewoond zijn. Een deel van het personeel zit nog ziek thuis, anderen krijgen hulp van een psycholoog om de periode te verwerken. Huiting en De Boer bereiden een herdenkingsdienst voor die daarbij moet helpen. Tegelijkertijd denkt een architect na over de verbouwing van De Vlaswiek. “We willen het gebouw splitsen in vier afdelingen, met meer uitgangen”, zegt De Boer. “Ook met het oog op het indammen van een volgend virus.”

Lees ook:

Ministerie roept verpleeghuizen op: vermijd een algeheel bezoekverbod bij een nieuwe besmetting

Om verwarring en onnodig leed onder naasten tegen te gaan, adviseert het ministerie van volksgezondheid verpleeghuizen nadrukkelijk om bij coronabesmettingen niet meer helemaal op slot te gaan voor bezoek.

Na twee maanden samen in quarantaine laat meneer De Koning zijn vrouw achter in het verpleeghuis: ‘Ik trek het niet meer’

Nu er corona is vastgesteld in verpleeghuis De Blije Borgh, houdt Charles de Koning (83) de zorg voor zijn vrouw Adriana er niet meer vol. Hij gaat ‘doodmoe’ naar huis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden