null Beeld
Beeld

ColumnBert Keizer

Geloof is niet een kwestie van het eens zijn met een aantal feitelijke beweringen

Een lezer was zo vriendelijk mij een fascinerend artikel te sturen van Genia Schönbaumsfeld, hoogleraar filosofie in Engeland: ‘Objectively there is no truth’ – Wittgenstein and Kierkegaard on Religious Belief. Wittgenstein ken ik wel een beetje, maar van Kierkegaard weet ik weinig. Hij was verloofd, brak dat af, hij ongelukkig, zij ongelukkig, en toen stortte hij zich op het prikkeldraad van een altijd weer opnieuw te bevechten geloof in God. Karikatuur, maar zo zit hij in mijn hoofd.

Wittgenstein was een Weense filosoof, als homo diep in de kast, jaren dertig vorige eeuw, grootste denker sinds, eh, Plato? Zoiets. Ik kan hier slechts de contouren schetsen van hun posities op het gebied van geloof, maar die zijn dermate boeiend dat u misschien denkt: daar wil ik meer van weten.

Kierkegaard: “Een objectieve kennis van de waarheid of de waarheden van het christendom is nu juist een onwaarheid”. Beide filosofen menen dat vragen rond godsdienstig geloven niets te maken hebben met de objectieve kennis die een wetenschappelijk onderzoek naar wat er nu precies gebeurde zou opleveren. Geloof is niet een kwestie van het eens zijn met een aantal feitelijke beweringen. Geloven in het Laatste Oordeel is iets heel anders dan geloven dat je naar de gevangenis gaat voor bepaalde misdaden. Godsdienstig geloof heeft in Kierkegaard iets heldhaftigs omdat het zijn unieke kwaliteit ontleent aan de tergende onzekerheid waarin het ronddobbert.

Verrijzenis

Kierkegaard protesteert tegen wat je zou kunnen noemen de journalistieke opvatting van bijvoorbeeld de Verrijzenis. De man of vrouw die de steen echt zag wegrollen, die de soldaten zag wegvluchten en die vervolgens de verblindend stralende verschijning van Jezus uit het graf tevoorschijn zag komen, die gelooft nergens in. Deze objectieve waarheid is een onwaarheid omdat die salto achterover, die Kierkegaard aandurft als het erom gaat in de Verrijzenis te geloven, hier een idiote manoeuvre zou zijn. Kierkegaard wil tornen aan het ‘waarlijk’ in: ‘Hij is waarlijk opgestaan.’ Hij zegt daar uitdrukkelijk bij dat hij het moeilijk wil maken om een christen te worden, “niet moeilijk voor de dommen en makkelijk voor de slimmen, maar moeilijk voor elk mens om verstand en begrip eraan te geven en zijn ziel te concentreren op het absurde”. Christen worden betekent een altijddurende strijd tegen de verleiding om geloofszaken journalistiek te benaderen. Ik zei niet voor niets prikkeldraad, Kierkegaard beschrijft het zelf als een martelaarschap.

Aan Wittgenstein ontleent Schönbaumsfeld een gedachtegang die nogal ingewikkeld is. Ik probeer een wat eenvoudigere variant. Ook Wittgenstein ageert tegen de journalistieke benadering. Geloven in de Dag des Oordeels is heel iets anders dan geloven dat er een onweersbui aan komt. Stel dat iemand echt in de toekomst kan kijken en de Dag des Oordeels ziet aankomen. Een dergelijke constatering maakt een einde aan de mogelijkheid van godsdienstig geloof in de Dag der Dagen. Bewijs vernietigt godsdienstig geloof. Zoeken naar bewijsmateriaal vindt hij eigenlijk zielig. Hoe zou je de Verlossing bewezen willen zien? En de andere kant op: hoe zou je willen aantonen dat de Verlossing niet plaatsvond, ook niet gaat plaatsvinden?

Wittgenstein komt met een treffende vergelijking. Kijk naar hoe Michelangelo de schepping van de mens afbeeldt. God reikt zijn hand naar Adam. Iedereen snapt het. Maar niemand denkt dat het echt zo ging. Deze afbeelding lijkt op andere afbeeldingen waarin iemand iets krijgt aangereikt, maar er bestaat een geheel eigensoortige relatie tot het afgebeelde. Zo vind je in godsdienst een geheel eigensoortige variant van geloven die net zo los staat van ‘hoe het echt ging’ als Michelangelo’s schildering.

Raadsel

Zo komen Kierkegaard en Wittgenstein tot een Godsbeleving die dan wel veilig is voor wetenschappelijk gewroet, maar tegelijkertijd toegankelijk voor slechts enkele van hun lezers. Hoe deze geestelijke constructie ooit liefde zou kunnen opleveren, hoe een mens zich daar in geborgen kan voelen, is mij een raadsel. Ik ken nogal wat gelovigen en uit die hoek verneem ik herhaaldelijk dat ze ervan uitgaan dat Jezus echt (dus journalistiek) uit het graf is opgestaan, en daarmee basta. In zijn dagboek schoof Wittgenstein al zijn filosofische bedenkingen rond geloof terzijde in een vriendelijk vermanend: ‘Glaube du, es schadet nicht.’ Geloof nou maar, het kan geen kwaad. Ja, heel soms was hij aardig voor zichzelf.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden