ColumnBert Keizer

Een stervende springt niet een afgrond in

In de hal van een flat in Haarlem zag ik wat je tegenwoordig vaak ziet, ook wel op straat: een boekenkastje vol boeken die je mee mag nemen of lenen, zie maar. Ik ben erg hebberig als het om boeken gaat en kan het niet laten altijd even rond te neuzen in zo’n kast.

Ik vond een deeltje uit de Heemschut­serie ‘Amersfoort rondom zijn toren’, geschreven door Dr. J.F.B. van Hasselt en verschenen bij Allert de Lange in 1948. In hetzelfde kastje trof ik ook ‘Het stenen bruidsbed ‘ van Mulisch. Eigenlijk wist ik niet of ik dat nou wel of niet gelezen had. Ik stond er een beetje verlegen mee in mijn hand, meenemen of niet? Ik kan toch wel gewoon voor een boek betalen? Is dit de manier waarop ik mijn boekenkast moet vullen?

Toen stapte er een vrouw uit de lift die mijn probleem onmiddellijk doorzag en in het voorbijgaan terloops zei: “Neem maar mee, hoor. Het is nog een goed boek ook.” 

Probleem opgelost. En een avond later kon ik haar recensie bevestigen. Beetje tegen mijn zin, want ik ben een Reve-fan en heb Mulisch min of meer opzettelijk links laten liggen.

Mulisch zegt dat toeval niet bestaat

Mulisch-kenners zeggen dat Mulisch zegt dat toeval niet bestaat en inderdaad zat ik een week later te kijken naar de tv-uitzending waarin zijn weduwe, zijn dochter en enkele vrienden in de werkkamer van de nu tien jaar dode schrijver over hem vertelden.

Een heerlijke uitzending te midden van het alles overwoekerende coronanieuws. Julius Roos kwam voorbij, de laatste internist in Amsterdam met een praktijk aan huis, Marcel van Dam, een breekbare oude heer geworden, en Robbert Ammerlaan, jarenlang Mulisch’ uitgever. 

Ammerlaan is een gentleman uit de oude school, onberispelijk gekleed, prettig, beetje deftig accent en een geruststellende air van welwillende beleefdheid. Een man die graag spreekt over dingen waar hij verstand van heeft. Hij schreef over Mulisch ‘Zijn eigen land’, een reis door de werkkamer van Harry Mulisch en naar ik begrijp is er een nog grotere biografie in aantocht.

Ammerlaan sprak met name over de laatste dagen van Mulisch en diens voornemen om de dood van zo dichtbij mogelijk te bekijken. Of misschien niet zozeer de dood, want daar valt weinig te bekijken, alswel het sterven. Mensen spreken over een dergelijk voornemen alsof het om een weerbarstige nieuwsgierigheid gaat, nee, een huiveringwekkende moed om je met open ogen in het stervensdomein te begeven. 

Ik vraag me al jaren af wat mensen denken dat je daar kunt beleven. Het antwoord is namelijk: niets! Hoe weet jij dat nou? Hoe vaak ben jij al gestorven? Het antwoord is vele malen, en het is een makkie. Kind kan de was doen. Kind dóet de was, elke avond ga je dood als je inslaapt. Precies dezelfde ervaring. Dus als je dan de volgende ochtend niet meer wakker wordt dan zul je moeten zeggen: verrek, ik dacht gisteravond dat ik ging slapen, maar nou blijkt dat het om sterven ging. Alleen zeg je dat nooit, want dan ben je dood.

De dood is niet de ultieme trip

Timothy Leary, de LSD-maniak, wilde indertijd zijn dood laten uitzenden want het was de ultieme trip natuurlijk. Dat is het niet. Ik geef u wat sterfscènes. Meneer K. was 94 jaar oud. Toen zijn einde naderde riep hij zijn kinderen bijeen in het ouderlijk huis. Ze zongen samen, als vanouds, uit ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’. Onder andere ‘Een karretje op den zandweg reed’. Een zoon zei: “Dat lied is van Hullenbroeck”. “Nee”, zei opa, “van J.P. Heije”, en weg was hij.

Zuster Y. was meneer O. aan het verzorgen voor de nacht. Kussen opschudden, prothese poetsen, bed fatsoeneren enz. Hij keek over haar schouder en zei: “Dat schilderijtje hangt scheef”. Zij keek er nu ook naar en zag dat hij gelijk had. Toen ze hem verder wilde instoppen zag ze dat hij dood was.

Er is helemaal geen ‘domein van de dood’ waar je maar in moet durven. We doen net alsof een stervende een afgrond in moet springen. Het is een eeuwenoud misverstand en ik denk dat het voortkomt uit het feit dat wij, de overlevers, wel degelijk een afgrond zien gapen: je zult verder moeten zonder de gestorvene.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden