null Beeld

ColumnBert Keizer

Dat antidepressiva ons van somberte afhelpen, is een mythe die als Sinterklaas over de daken waart

Bert Keizer

Simon Carmiggelt beschreef eens hoe hij zijn kinderen met veel plezier het sinterklaasverhaal vertelde. De schimmel op het dak, de toen ideologisch nog lelieblanke Zwarte Piet, in wiens zak je evenwel naar Spanje kon worden afgevoerd enzovoort. Na achterlating van hun schoentjes gevuld met wortels voor het paard, gingen de kleintjes tevreden naar bed. Na een kwartier stond zijn zoontje weer beneden om angstig te vertellen dat Zwarte Piet op het dak zat om hem mee te nemen naar Spanje, in die zak die pappa net had beschreven. Nou, schrijft Carmiggelt, toen moesten we proberen om de mythe weer af te breken die ik net zo zorgvuldig had opgebouwd.

Iets dergelijks speelt rond het begrip depressie. Het is een niet makkelijk te ontwarren kluwen waarin sociologie, neurowetenschap, psychiatrie en marketingtechnieken dooreenwarrelen. We, ik zeg maar even ‘we’, hebben onszelf op het punt van menselijke ellende iets aangepraat dat als Sinterklaas over de daken rijdt, maar dat je heel moeilijk van het dak af krijgt. Uitgaande van de plompe waarheid dat elke geestestoestand veroorzaakt wordt door gebeurtenissen in de hersenen, vraag je je af wat er in de hersenen gebeurt bij vervelende geestestoestanden. Ik gebruik ‘hersenen’ hier alleen in de anatomische zin van hersenweefsel, de ondoorgrondelijke macaroni in uw schedel. Dus niet hersenen in de zin van: zij heeft een goed stel hersenen.

Ziekelijke of normale somberte?

Bij bewegingen – hand optillen, lopen, fietsen, pianospelen – weten we vrij precies welke hersencellen via de zenuwen een klein stroompje sturen naar de spieren, zodat die zich gedoseerd samentrekken. Je kunt in de hersenen wijzen op een bepaald gebied en zeggen: daar zitten de hersencellen die de wijsvinger aansturen. Ook uw stemming wordt veroorzaakt door hersencellen, maar we weten niet erg precies welke hersencellen hier het belangrijkst zijn. Echter, niemand betwijfelt dát hersencellen hieraan ten grondslag liggen. Geestelijk leven zonder hersenen kan niet. Hersenen zonder geestelijk leven kan wel: diepe slaap, narcose, coma. Als je hersencellen kunt beïnvloeden dan kun je je stemming beïnvloeden.

En nou komt de mythe: wij hebben stoffen ontdekt die precies die hersencellen beïnvloeden die depressie veroorzaken, zodat de depressie opklaart. Ik spring hier over een hele zee van neurologische details heen. Het bewijs van een dergelijke werkzaamheid is uitermate wiebelig, maar zo’n 900.000 Nederlanders slikken antidepressiva. ‘Depressie’ is bijna net zo’n beroerd begrip als ‘burn-out’. Je zou het willen definiëren als ziekelijke somberte. Er zijn scoringlijstjes voor om het ziekelijke op te sporen. U begrijpt meteen dat ‘ziekelijk’ hier lastig valt af te grenzen van normale somberte. U begrijpt ook waarom de antidepressiva zo populair zijn want wie wil er niet van zijn somberte af, kan niet schelen of die normaal is? Collega S. zegt over antidepressiva: ‘Als het werkte nam ik ze ook’.

Geen symptomen van depressie? Nee, ook niet van malaria

Over die werking heerst een verbeten strijd die ik statistisch en neurochemisch niet kort kan opsommen. Inmiddels wordt de depressie in allerlei situaties het toneel op geduwd waar dit begrip eigenlijk niks te zoeken heeft. Psychiaters als Damiaan Denys en Dirk de Wachter bestrijden het gemak waarmee we onze somberte als ziekelijk erkend willen zien, terwijl het gaat om een normaal aspect van het menselijk bestaan. Ook in euthanasieland wordt de depressie gebruikt. Dat gaat zo: mevrouw Jansen is 93, kan niet goed meer zien, is stokdoof, heeft twee kunstheupen die niet meer werken maar wel pijn geven, ze kan geen stap meer zetten, haar man is overleden en ze vraagt om de dood. Nu zegt de arts: zou dat geen depressie zijn? Dan moet die eerst uitgesloten of behandeld worden, anders doe ik het niet.

Waarbij de dokter opzettelijk vergeet dat de diagnose en de behandeling van zo’n ‘depressie’ quatsch is. Er is geen enkel bewijs dat ‘behandeling’ van een dergelijke ‘depressie’ ertoe leidt dat zo’n mevrouw dan verder wil leven. Ik zei ‘opzettelijk vergeet’ omdat de dokter op die manier probeert te ontkomen aan het euthanasieverzoek. Dat mythische aspect van depressie vind je ook terug in de koddige ernst waarmee artsen in hun euthanasierapportage vermelden ‘dat er geen symptomen waren van een depressie’, nee, en ook niet van malaria. En als laatste teken dat hier iets mythisch gaande is: de feiten helpen nauwelijks bij het ontzenuwen.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden