ColumnBert Keizer

Als controle op de macht te ver gaat

Artsen hanteren macht. Dat is een van de redenen waarom het zo’n aantrekkelijk beroep is. Het geldt trouwens voor alle hulpverleners, dat hun werk ook om macht uitoefenen draait. We gaan nu niet alle beroepen af waarbinnen het hanteren van macht een belangrijk onderdeel is van het werk, maar duidelijk is dat het in de banketbakkerij niet echt aan de orde is. 

Bij de politie, de Belastingdienst, ­onder managers en bij alle bekleders van de zogeheten geestelijke ambten is het duidelijk. Helaas wordt het hanteren van macht vaak als iets viezigs gezien, een ongewilde bijwerking van wat in wezen een nobele bezigheid is. Vandaar dat dit aspect van het werk graag weggemoffeld wordt of botweg ontkend.

Binnen de gezondheidszorg treedt die ontkenning het duidelijkst aan het licht wanneer er een klacht tegen een arts wordt ingediend bij het Tuchtcollege. Men reageert vaak diep verontwaardigd, nee persoonlijk gekwetst, terwijl het gaat om een controle op machtsuitoefening. Alle macht geeft rottigheid, zei Lord Acton ongeveer, en absolute macht geeft absoluut rottigheid. Het is juist omdat wij onszelf redelijk kennen dat we vinden dat macht gecontroleerd moet worden.

Shakespeare schreef in Julius Caesar: The abuse of greatness is when it disjoins remorse from power. Wat ik vrijelijk vertaal als: wie geen aarzeling kent bij machtsuitoefening misbruikt zijn positie. Je moet kunnen aarzelen, en nog sterker, je moet achteraf onder ogen kunnen zien dat je iets verkeerd deed en dat betreurt.

Dit zijn mooie gedachtes, maar als de envelop van het Tuchtcollege op je deurmat neerploft valt er wel een steen op je maag. Het is mij twee keer overkomen en na de aanvankelijke schrik was ik er al gauw overheen. Niet omdat ik zo flink ben, maar omdat de klachten in beide gevallen nogal karikaturaal waren. Ik lag er niet wakker van, het Tuchtcollege ook niet, zo bleek bij de zitting en in het uiteindelijke oordeel.

Vorige week vrijdag was ik aanwezig bij een zitting van het college waarin de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd een klacht had ingediend tegen een arts. Het ging om een geval van euthanasie bij een wilsonbekwame demente vrouw, een onderwerp waarover discussie gaande is. U weet waarschijnlijk dat de Hoge Raad in een recent arrest heeft vastgesteld dat euthanasie bij wilsonbekwame dementen soms mogelijk is. Het ging hier om een dergelijke situatie, maar met heel andere problemen dan het geval waarover de Hoge Raad oordeelde. Het gaat mij nu niet om de precieze inhoud van de klacht en het aangevoerde verweer. Wat ik voor mijn ogen zag gebeuren was de beschadigende werkwijze van de Inspectie.

Deze zaak diende drie jaar – drie hele jaren, u leest het goed – nadat de euthanasie had plaatsgevonden. Jaren waarin de betrokken arts het niet kan laten zich zorgen te maken over hoe dit afloopt. Jaren waarin je continu op scherp staat over wat er gebeurd is omdat je verwikkeld raakt in een uitputtende correspondentie over details, over de onderbouwing van die details, over hoe dat zich verhoudt tot de bestaande richtlijnen, over de vraag of je venijnig, verontwaardigd, verdrietig, berouwend of excuserend moet reageren op allerlei aspecten van je toenmalige gedrag en dossiervoering, duizenden dingen waar je eigenlijk nooit bij hebt stilgestaan. Het is om gek van te worden, omdat je niet weet hoe dit verdergaat. Als je geluk hebt wordt je advocaat betaald door je werkgever, anders kan dat ook nog een bron van kopzorg zijn, want de kosten lopen gauw tot in de tienduizenden euro’s.

Ik begon deze column met een eerbetoon aan het feit dat er binnen de gezondheidszorg controle is op machtsuitoefening. Maar als het op deze manier gebeurt, waarbij je een arts drie jaar lang in de wachtkamer laat zitten, dan ontaardt de controle tot een dermate beschadigende procedure dat niemand er nog een heilzame correctie in kan zien. Het lijkt erop dat de Inspectie dit zelf ook vond, want na toelichting van hun klacht vroegen ze aan het Tuchtcollege om geen maatregel op te leggen aan de arts. Een bizar voorstel, want waarom klaag je dan eigenlijk iemand aan? De arts veegde deze rare geste dan ook van tafel met de bittere constatering: ‘Ik ben al genoeg gestraft’.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden