Onderzoek

Zo complex is gebarentaal: een opgetrokken wenkbrauw geeft al een andere betekenis

De dove Martine Wattel beeldt ‘hamsteren’ uit. Beeld Olaf Kraak
De dove Martine Wattel beeldt ‘hamsteren’ uit.Beeld Olaf Kraak

De Nederlandse gebarentaal bestaat ruim tweehonderd jaar, maar pas nu verschijnt de eerste complete grammatica. Deskundige Ulrika Klomp: “Wat dove mensen met hun handen deden, werd vroeger niet gezien als volwaardig communicatiemiddel.”

Het gaat goed met de Nederlandse gebarentaal. De taal is sinds een jaar veel zichtbaarder op tv. Gebarentolken spelen een prominente rol in de covidpersconferenties. Het NOS-achtuurjournaal kreeg een getolkte editie. En de Tweede Kamer aanvaardde afgelopen september een wetsvoorstel van PvdA, ChristenUnie en D66 om gebarentaal te erkennen als officiële taal, naast het Nederlands en het Fries. Dit betekent onder meer dat ‘gebaarders’ voortaan de eed of belofte mogen afleggen in hun moedertaal.

En er valt nóg een actueel succes te melden: als kers op de taart verschijnt binnenkort de eerste uitvoerige grammatica van de Nederlandse gebarentaal. Gebarentaalkundige Ulrika Klomp deed vier jaar onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam. Op 5 maart promoveert ze op het resultaat: een boekwerk van ruim vierhonderd pagina’s, boordevol details over de taalkundige functie van de miniemste handgebaren en ­gezichtsuitdrukkingen.

Klomps onderzoek is deel van een groot Europees project dat ook grammatica’s moet opleveren voor de Franse, Duitse, Italiaanse, Spaanse, Catalaanse en Turkse gebarentaal. Want anders dan vaak gedacht, is gebarentaal niet universeel; er bestaan vele varianten en dialecten. Illustratief is het grote verschil tussen de Nederlandse en de Vlaamse gebarentaal. Beide zijn eind achttiende eeuw voortgekomen uit de Oud-Franse gebarentaal. Maar in de eeuwen die volgden zijn de Vlaamse en Nederlandse ­variant zo ver uit elkaar gegroeid dat gebruikers elkaar nauwelijks kunnen verstaan.

Martine Wattel beeldt het woord ‘Nederland’uit. Beeld Olaf Kraak
Martine Wattel beeldt het woord ‘Nederland’uit.Beeld Olaf Kraak

De grammatica voor de Nederlandse variant ligt er nu dus. Prachtig! Maar wat kun je ermee? “Het is in de eerste plaats een ­naslagwerk voor taalwetenschappers”, zegt Klomp. “Als onderzoeker wil je graag dat een taal goed gedocumenteerd is, zodat je hem kunt vergelijken met andere ­talen.” Ook het onderwijs heeft er iets aan, vervolgt ze: op basis van haar boek kan het lesmateriaal worden verbeterd. Verder kun je de grammatica zien als een vorm van cultureel erfgoed, als iets wat je wilt behouden voor het nageslacht. En dan is er nog een toepassing in de kunstmatige intelligentie: het streven naar automatische vertalingen. “Je moet een taal eerst uitvoerig hebben beschreven voordat je de computer kunt leren hoe hij een zin correct moet vertalen.”

Je kunt je afvragen waarom de eerste grammatica voor de Nederlandse gebarentaal nú pas verschijnt, terwijl dit soort ­inventarissen voor de spreek- en schrijftaal al eeuwen bestaat. Dat is het gevolg van ­jarenlange miskenning, zegt Klomp. “Gebarentaal heeft lange tijd een lage status ­gehad. Net als dove mensen zelf. Wat zij met hun handen deden, werd niet gezien als volwaardig communicatiemiddel.”

Pas in de jaren vijftig kwam daar verandering in. De Nederlandse taalkundige Bernard Tervoort deed toen onderzoek op het doveninstituut in Sint-Michielsgestel. Hij zag hoe de kinderen met elkaar gebaarden en hoe goed ze elkaar begrepen. Ze konden elkaar álles vertellen. Dat is een eerste kenmerk van een taal. Tervoort ontdekte ook dat de gebaren van de kinderen bestonden uit kleinere, verwisselbare elementen die de betekenis van een gebaar veranderden. Bij gesproken talen zie je iets vergelijkbaars: ‘paard’ en ‘baard’ hebben door één klankverandering een andere betekenis. Op basis van dit soort observaties bestempelde Tervoort gebarentaal in 1953 voor het eerst als een volwaardige taal. Daarmee vervulde hij internationaal een pioniersrol. Pas een decennium later zouden collega’s in Amerika zijn conclusie overnemen.

Hamsteren

Vanwege deze historische achtergrond is het onderzoek naar gebarentaal nog vrij jong. Het werd bovendien praktisch gehinderd doordat gebarentaal volledig visueel is. “Om gebarentaal goed te kunnen bestuderen, heb je filmpjes van gebaarders nodig”, legt Klomp uit. “In de jaren vijftig en zestig was het kostbaar om filmmateriaal te maken. Het uitwerken van de beelden was tijdrovend. Inmiddels gaat het dankzij de computer een stuk eenvoudiger.”

Gebarentaal doet het ook goed in musea

Op de foto’s maken we kennis met Martine Wattel. Ze is doof vanaf haar geboorte en werkt bij Wat Telt!. Deze organisatie streeft naar een maatschappij waarin doven en slechthorenden volledig kunnen meedoen op basis van gelijkwaardigheid. De medewerkers proberen horenden bewust te maken van het feit dat ons land 1,5 miljoen doven en slechthorenden telt. Ook adviseren ze hoe organisaties hun diensten beter toegankelijk en inclusiever kunnen maken. Zo ontwikkelt Wat Telt! videotours in gebarentaal voor musea als het Rijksmuseum en het Verzetsmuseum. In totaal zijn inmiddels zestien musea aangesloten bij hun initiatief Musea in Gebaren, waarbij ze dove mensen opleiden tot museumgids. Al deze instellingen verzorgen rondleidingen in gebarentaal. Wat Telt! geeft in musea ook communicatieworkshops voor kassamedewerkers, beveiligers en horecapersoneel. Meer informatie: wattelt.org

Een enorme stap voorwaarts was ook de komst van een visuele dataset waar onderzoekers sinds 2008 over beschikken: het Corpus Nederlandse Gebarentaal. Dat is een databank vol filmpjes waarin gebaarders met elkaar praten. Ze discussiëren over een opgegeven stelling of vertellen elkaar een persoonlijk verhaal. Er zitten allerlei typen communicatie in de verzameling, van hoogstaand tot alledaags. Klomp heeft er dankbaar gebruik van gemaakt. “Zonder dit corpus was het heel lastig geworden om mijn boek te schrijven.”

Zelfs mét het corpus bleef het monnikenwerk. Klomp begon vier jaar geleden met een vooraf vastgestelde waslijst aan grammaticale aspecten die ze in kaart moest brengen: zinsbouw, samengestelde woorden, werkwoordstijden, ontkenningen, voorwaardelijke bijzinnen, meervouden, enzovoort. Sommige fenomenen waren eerder al redelijk onderzocht, andere moest ze vrijwel vanuit het niets beschrijven. Ze raadpleegde het videocorpus veelvuldig. En dat betekende: urenlang turen naar opgenomen gebaren, om vervolgens tot op de milliseconde nauwkeurig in een tijdsbalk te noteren wanneer een gebaarder welke hand-, mond-, voorhoofds- of ­lichaamsbeweging maakte.

De variatiemogelijkheden van alleen de handen zijn al duizelingwekkend. Gebruikt de gebaarder één of twee handen? Een platte hand, een gebalde vuist of iets ertussenin? Rechte of kromme vingers, gespreid of aaneengesloten? Een geknikte, gestrekte of draaiende pols? Een handpalm naar boven, onder of opzij? De hand dicht bij het lichaam of ervanaf? En maakt hij een cirkel-, golf- of kartelbeweging? Al die finesses analyseren en noteren, dat is andere koek dan als tv-kijker gniffelen om de ‘hamsteren’-vertolking van Irma Sluis en dan denken dat je al aardig wat van gebarentaal snapt.

Ik Beeld Olaf Kraak
IkBeeld Olaf Kraak

Gebarentaal is ontzettend complex, laat ‘De Dikke Klomp’ zien. Wat vooral opvalt, zijn de verschillen met het gesproken Nederlands. Neem de woordvolgorde. In gesproken Nederlands gebruik je in een bevestigende zin eerst het onderwerp, en dan het werkwoord en het lijdend voorwerp: Ik / eet / een appel. “In gebarentaal kan dat ook”, zegt Klomp, “maar het werkwoord mag ook achteraan staan: Ik / appel / eten.”

Bij vragende zinnen is ook iets aparts aan de hand. In gesproken taal maak je een vraagzin door het werkwoord voorop te plaatsen: Eet / ik / een appel? In gebarentaal blijft de woordvolgorde hetzelfde als in de bevestigende zin. Gebaarders drukken het vragende aspect uit met hun mimiek. Ze trekken bijvoorbeeld nadrukkelijk hun wenkbrauwen op. Niet-ingewijden vinden dit soort gezichtsexpressie vaak nogal theatraal. “Maar opgetrokken wenkbrauwen zijn een vast onderdeel van de grammatica”, zegt Ulrika. “Ze zijn echt nodig. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het hoofdschudden tijdens een ontkenning. Of voor bolle wangen; als je tijdens een werkwoord bolle wangen opzet, geef je aan dat je er al heel lang mee bezig bent of dat het intensief is. Veel Nederlanders ervaren die mimiek als overdreven. Dat is cultureel bepaald. Nederlanders zijn wat stijf en niet zo gewend aan ­expressieve gezichten.”

Eet Beeld Olaf Kraak
EetBeeld Olaf Kraak

Overigens hebben lang niet alle gezichtsuitdrukkingen een grammaticale functie. Als je verdrietig kijkt, betekent het gewoon dat je verdrietig bent. Ter aanvulling kun je nog met je wijsvinger over je wang naar beneden strijken: een biggelende traan. “Hoe meer mimiek, hoe levendiger”, zegt Klomp. “Zo ervaren gebaarders het. De mimiek vervult vaak dezelfde functie als intonatie in de gesproken taal. Zonder mimiek wordt het monotoon. Horende mensen die op latere leeftijd gebarentaal leren, zoals ikzelf, krijgen het expressieve gebaren vaak maar moeilijk onder de knie. Terwijl je verhalen er veel mooier van worden.”

De promovenda is blij dat gebarentaal de laatste tijd serieuzer wordt genomen, maar ze vindt het te traag gaan. Na de pioniersrol van Nederland in de jaren vijftig was ons land vorig jaar de Europese hekkensluiter bij het erkennen van gebarentaal als officiële taal. En er was een coronacrisis nodig om bij persconferenties van de overheid tolken op het podium te krijgen, iets wat in veel andere landen allang standaard is.

Klomp maakt zich ook zorgen over het onderwijs. In de jaren tachtig en negentig werd gebarentaal na veel strijd ingevoerd in het dovenonderwijs, maar inmiddels is deze aanwinst alweer op z’n retour. “Veel dove kinderen krijgen tegenwoordig bij de geboorte een gehoorimplantaat. Ze gelden dan niet meer als doof, maar als slechthorend, en dan komt de nadruk toch weer te liggen op de gesproken taal. Dat vind ik jammer. Tot in de jaren tachtig was gebarentaal verboden in het dovenonderwijs. De nadruk lag op leren spreken, logopedie en liplezen. Maar het is wetenschappelijk vastgesteld dat een tekort aan toegankelijk taalaanbod grote gevolgen heeft voor de persoonlijke ontwikkeling en het dagelijks leven.”

Een appel Beeld Olaf Kraak
Een appelBeeld Olaf Kraak

Zelf geeft Klomp één dag per week gebarentaalles. Daarnaast werkt ze sinds kort als onderzoekster bij stichting Koninklijke Kentalis, een organisatie voor mensen met een auditieve of communicatieve beperking. Daar houdt ze zich deels bezig met doofblinden. En nu komt het: “Sommige doofblinden gebruiken óók gebarentaal, namelijk tactiele gebarentaal. Ze houden elkaars handen vast en kunnen op die manier gebaren. Daar is echt nog heel weinig over bekend. Met de grammatica van de Nederlandse gebarentaal zat ik al een beetje in een niche, maar hier is dat nog veel sterker. De tactiele gebarentaal heeft waarschijnlijk een vergelijkbare grammatica. Ik heb erg veel zin om die de komende jaren te gaan ontdekken.”

Gebarentalen wereldwijd

Gebarentalen zijn er in vele varianten. De Ethnologue, een overzicht van alle talen op de wereld, onderscheidt 125 gebarentalen van grote dovengemeenschappen en daarnaast nog 18 kleine dorpsgebarentalen. Verder bestaat er zoiets als ‘International Sign’, een systeem voor in een internationale omgeving.

De Nederlandse gebarentaal telt zo’n 10.000 à 15.000 dove gebruikers. De Europese Dovenunie raamt de totale groep gebaarders – inclusief vroegdoven, laatdoven, slechthorenden, doofblinden en horenden – in ons land op 60.000 mensen.

Naast de zojuist opgestelde grammatica kent de Nederlandse gebarentaal ook diverse woordenboeken, onder andere van Van Dale. Het allereerste, Handen uit de mouwen (1988), bevatte 600 gebaren. Het meest recente, van het Nederlands Gebarencentrum, is online te vinden en telt ruim 16.000 gebaren. Ter vergelijking: de standaard Dikke Van Dale Online bevat 247.000 trefwoorden.

Lees ook:

‘De taalfout van nu is de taal van de toekomst’

Hoogleraar Nicoline van der Sijs is de koningin van de historische taalkunde. Ze zweert bij digitalisering van de boekenkast en maalt niet om taalfouten of colleges in het Engels.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden