gerst

Landbouw

Voor de mens ging oogsten, paste de plant zich aan

gerstBeeld Hollandse Hoogte / EyeEm GmbH

Planten hebben dankbaar gebruikgemaakt van de mens als zaadverspreider. ‘Pure biologische evolutie.’

De appel valt niet ver van de boom, tenzij er een potig zoogdier in de buurt is, zoals de mens. Dat zoogdier bepaalt het succes van de vrucht. Want een appel die naast de stam valt, staat daar in de schaduw van zijn voorouder, en moet de concurrentie duchten van soortgenoten die het ook niet ver hebben geschopt. Een appel die wordt gegeten heeft veel meer kans op succes; zijn zaden worden op enig moment weer uitgepoept, vaak op een heel andere plek, met minder concurrentie.

Omdat dieren zulke goede zaadverspreiders zijn, hebben planten zich op allerlei manieren voor hen aantrekkelijk gemaakt. En de allerbeste zaadverspreider onder de dieren is de mens. De eindeloze velden met maïs, tarwe en soja, van het hoge Noorden tot het diepe Zuiden, van het wilde Westen tot het verre Oosten, laten er geen misverstand over bestaan: als een plant erin slaagt zijn zaad mee te geven aan de mens, kan hij de wereld veroveren.

Geweld van de sikkel

Zo moet je naar die graanvelden kijken, zegt de Duitse botanicus Robert Spengler, verbonden aan het Max Planck-instituut voor geschiedenis van de mens, in Jena. Wij zien daar cultuurgrond, landbouw, product van technologieontwikkeling. Klopt ook, zegt Spengler, de mens heeft tal van gewassen verbeterd door varianten te kruisen en gewenste eigenschappen te selecteren. Maar lang voor de mens met zijn veredeling begon, waren veel van die planten al bezig zich aantrekkelijk te maken voor de mens, de ideale zaadverspreider.

Neem gerst. De gerstekorrel zit vast in zijn aar – tenminste bij de gerst die nu op de akker staat. Zijn wilde voorlopers hadden de korrels veel losser in de aar zitten. Die konden daaruit gemakkelijk loskomen om een nieuw leven beginnen in de buurt van de moederplant. Maar veel verder dan een paar meter kwam dat zaadje niet, dat was het nadeel.

Voor de gerst was het veel beter mee te gaan met de mens. En wetenschappers als Spengler, die eigenlijk plantenarcheoloog is, weten precies hoe zich dat heeft voltrokken. Het is gebeurd toen de mens met zijn sikkel het veld inging, op zoek naar eetbare zaden. Onder het geweld van de sikkel vielen losse korrels op de grond. En die kwamen daar niet veel verder. Maar vastzittende korrels kregen de kans om met de mens de wereld in te trekken.

Herkauwers

Het is een schoolvoorbeeld van selectiedruk, een cruciaal begrip in de evolutietheorie. De mens is hier niet bewust bepaalde varianten aan het selecteren. Maar zijn aanwezigheid (en die van zijn sikkel) zorgt ervoor dat bepaalde gerstvarianten in het voordeel komen en zich met groter succes verspreiden.

Dat is pure biologische evolutie, zegt Spengler in een nieuw artikel in vakblad Trends in Plant Science. En je kunt zien hoe die evolutie planten heeft veranderd. Veel gewassen die de mens ging verbouwen en nuttigen hadden aanvankelijk kleine, harde zaden die traag kiemden. Gierst, quinoa en boekweit zijn voorbeelden. Die eigenschappen typeerden planten die voor de verspreiding van hun zaad gebruikmaakten van herkauwers, zegt Spengler.

Willen zaadjes het kauwen, herkauwen en de reeks magen van die herkauwers overleven, dan moeten ze klein zijn, een harde buitenkant hebben en niet te snel kiemen. Het is voor een zaadje niet de gemakkelijkste weg. Maar het voordeel is dat die weg eindigt in een vlaai, die rijk is aan stikstof en andere voedingsstoffen.

Dat moet bloeiende plukken van die een­jarige planten hebben opgeleverd. Plukken die voor de vroege mens vindbaar waren, en oogstbaar. En zodra de mens ging oogsten hadden die planten de herkauwers niet meer nodig. De mens was de nieuwe verspreider van hun ­zaden. Ze konden hun bescherming laten vallen. Bij die soorten zie je dat de zaden groter worden, minder hard zijn en sneller kiemen, aldus Spengler.

Scheuten

Ook veel fruitsoorten hebben hun toevlucht gezocht bij de mens voor de verspreiding van hun zaden. Bomen met grote vruchten maakten in heel vroege tijden gebruik van de diensten van grote zoogdieren. Maar in de overgang van Pleistoceen naar Holoceen, 11.700 jaar geleden, stierven veel van die grote zoetekauwen uit, door klimaatwisselingen en door het geweld van de vroege mensachtigen die zich over de aarde verspreidden.

Veel groot fruit kwam in de problemen. Sommige soorten ontwikkelden kleinere vruchten om verspreiding van hun zaden hoog te houden, andere namen de toevlucht tot ongeslachtelijke voortplanting via scheuten.

De gelukkigen waren de grote vruchten die in de smaak vielen bij primaten en vooral bij de mens, de heerser van het Holoceen. De sappige vruchten die we nu eten, zegt Spengler, zijn ­alweer een resultaat van biologische evolutie, een product van planten die een probleem hadden en in de mens een oplossing vonden.

Lees ook:

Waterbronnen wezen vroege mens de weg

Hoe droog het destijds ook was in de Hoorn van Afrika, de oermens kon er toch grote afstanden afleggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden