Archeologie

Volken die overschotten creëerden en spullen bewaarden: daar kunnen we van leren

Zicht op de graanschuur en aanpalende dorsvloer van Villa Regina in Italië.Beeld Astrid van Oyen

Volkeren en staten konden zich ontwikkelen door overschotten te creëren. En je kunt van volken veel leren door te kijken hoe ze al die spullen bewaarden, laat de Vlaamse archeoloog Astrid Van Oyen zien. 

De grootouders van Astrid Van Oyen hadden een goed gevulde voorraadkast. “Daar stak ongelofelijk veel in. Eindeloze voor­raden wc-­papier, groenten, koekjes, confituur en wijn. Veel van wat ze aten had de houdbaarheidsdatum allang gepasseerd.” Gewoonten uit tijden van schaarste en onzekerheid, met name de Tweede Wereldoorlog, waren kennelijk diep ingeprent. De voorraadkast mocht niet leeg raken. “Ze waren opgegroeid met weinig, maar kregen het steeds beter. Toch bleven ze verzamelen.”

De Vlaamse archeologe die werkt aan Cornell, een Amerikaanse universiteit, denkt nog wel eens terug aan die voorraadkast. Als classicus gespecialiseerd in het Romeinse rijk verdiepte ze zich de afgelopen jaren in manieren waarop Romeinen hun spullen en voorraden verzamelden en bewaarden. Van rommellaatjes in de huishoudens van Pompeï tot de graanschuren van Toscaanse boerderijen, Van Oyen bestudeerde ze. “Hoe je iets bewaart raakt aan een onderhuidse mentaliteit. Het vertelt mij als archeoloog wat je van de toekomst verwacht, wat je dromen zijn en wat je vreest.”

Arbeidsverdeling maakt macht

Om spullen of voedsel te kunnen opslaan, moet je er allereerst voldoende van hebben. Wie zich in de geschiedenis van de staatsvorming verdiept, zal daarin het belang van het begrip ‘overschot’ tegenkomen. “Het is een klassieke manier om na te denken over socio-politieke evolutie”, vertelt Van Oyen. In de prehistorie leefden mensen in zelfvoorzienende groepen, ze aten wat ze te pakken kregen en hielden geen voorraden. Maar op een bepalend moment in de geschiedenis, door de opkomst van landbouw, konden onze voorouders niet alleen voor zichzelf produceren, maar ook voor anderen. Dat gaf hun de mogelijkheid om zich toe te leggen op nieuwe activiteiten, zoals potten bakken. Die overschotten creëerden de mogelijkheid tot arbeidsverdeling, maar ook macht.

“Door de geschiedenis heen werden volle graanschuren en overvolle opslagplaatsen begeerd door elites, leiders en keizers”, zegt Van Oyen. Zo hebben geschiedkundigen ook in de totstandkoming van het Romeinse rijk vaak naar de rol van opslag en overschot gewezen. Maar tot Van Oyen’s frustratie bleven dat abstracte begrippen, en keken historici vooral naar hoeveelheden. De vraag hoe en waar je iets bewaart is net zo belangrijk, zegt zij. Wie dat onderzoekt, zal de Romeinen beter leren kennen, schrijft ze in haar wetenschappelijke boek ‘The Socio-Economics of Roman Storage: Agriculture, Trade, and Family’.

Opslagruimte voor wijn in Ostia, de haven van Rome.

Graan en wijn

Om uit te leggen hoeveel verschil bewaren kan maken, wijst Van Oyen naar graan en wijn, twee onmisbare producten voor de Romeinen. Van Oyen is gespecialiseerd in de periode waarin het Romeinse Rijk transformeerde van een republiek tot een keizerrijk. “De eerste eeuw voor Christus was een periode vol strijd, burgeroorlogen en generaals die elkaar afwisselen als machthebbers.” In het jaar 27 voor Christus komt keizer Augustus aan de macht. Het rijk breidt zich door kolonisatie razendsnel uit. De stad Rome zou in de eerste eeuw na Christus een inwoneraantal van 1 miljoen bereiken.

In dat uitdijende rijk viel er veel te verdienen. Het graan was niet aan te slepen en de wijn vloeide door Rome. Het is bekend dat graan geïmporteerd uit Egypte en Noord-Afrika een groot deel van de Romeinse stedelingen voedde. Rond de havens Ostia en Portus ontstonden gespecialiseerde warenhuizen voor voedselopslag. Maar ook in Italië werd de productie opgevoerd. 

Van Oyen bestudeerde de architectuur van Romeinse villa’s gebouwd op het Italiaanse platteland, die we nu eerder landgoederen zouden noemen. Deze boerderijen hadden van oudsher vaak een aantal multifunctionele opslagruimtes in het hoofdgebouw van de villa, waar wijn, graan en peulvruchten lagen opgeslagen.

Al snel zouden graanboeren echter gaan opschalen. In de eerste eeuw voor Christus bouwden de rijkeren onder hen losstaande voorraadschuren, van steen, welteverstaan. Als graan bovengronds wordt opgeslagen, bederft het snel. De oogst is kwetsbaar want graan moet continu omgeschept en gelucht worden. Van Oyen: “Dus dan kan je dit het beste bijeenbrengen op een plek die hier speciaal voor is ingericht.” De luchtvochtigheid en hoeveelheid zuurstof kwamen hier nauw. Door de schuur verder van de woning te bouwen, werd het risico op brand kleiner.

De elites begonnen graanschuren te zien als een manier om rijkdom te tonen. Het werden imposante architecturale hoogstandjes op hun land. “Ze creëerden verschillen tussen de have’s en have-nots.” Kleinere boeren kwamen onder druk te staan om hun oogst snel te verkopen, terwijl zij die graan beter konden bewaren, het zich konden veroorloven om het duurder te verkopen als anderen niets meer hadden.

Ingang van een opslagplaats in Ostia, de haven van Rome.

Handig voor de belastingcontroleur

De eigenaren van die opzichtige graanschuren mochten er dan warmpjes bijzitten, het graan vroeg wel veel zorg en beheer. Doordat het beter zichtbaar opgeslagen werd, werd het ook controleerbaarder. Belastingcontroleurs konden er goed hun werk doen. Zo concludeert Van Oyen – zoals andere wetenschappers voor haar – dat graanopslag ook de ontwikkeling van belastingheffingen in het Romeinse Rijk stimuleert.

Deze controleerbare verkoop van graan werd ook geïntroduceerd in bijvoorbeeld Noordoost-Spanje en Zuid-Frankrijk. Daar werd voor de Romeinse periode het graan ondergronds opgeslagen in hermetisch afgesloten silo’s onder de grond. Die werden afgesloten van zuurstof, door een soort koek aan de buitenkant, legt Van Oyen uit. “Zodra je die verzegeling openbreekt, moet dat graan snel weg. Dat gebeurde bijvoorbeeld tijdens feesten, of als Grieken en Etrusken langskwamen en wilden handelen.” 

Toen de Romeinen kwamen werd dat opportunistische systeem langzaamaan losgelaten. De Romeinen brachten dus beter georganiseerde handelsmethoden mee, werd vaak gezegd. Daar is Van Oyen het niet helemaal mee eens. Na de Romeinse verovering werden deze regio’s in Spanje en Frankrijk namelijk wijnproductiegebieden. Dat is niet zo vreemd, zegt ze, want wijnopslag werkte in zekere zin net als die traditionele graanopslag in silo’s. Ook wijn wordt onder de grond bewaard in grote kruiken, en pas verkocht op een moment dat het uitkomt. ­“Deze boeren herkenden zich waarschijnlijk wel in die manier van werken.”

Wijnhandelaren waren sowieso heel andere types dan graanboeren, zegt Van Oyen. “Wijn fermenteert. Er blijft een risico dat hij zuur wordt, maar je kan spelen met de tijd dat je die wijn in de opslag laat.” De boeren konden besluiten wijn snel na het persen te verkopen voor snelle cash. Wie de wijn in kruiken onder de grond langer liet rijpen, kreeg een hogere kwaliteit wijn en kon deze duurder verkopen. De opslagmogelijkheden creëerden voor de wijnboeren dus een andere dynamiek van zakendoen.

Water was goud

En dan waren er ook nog boeren die besloten te investeren in grote vrijstaande ­waterbassins op hun landgoed, vertelt Van Oyen. Ze noemt hen de avant-garde-investeerders. Deze cisternes, soms aangesloten op aquaducten, waren goud waard als ze dicht bij grote consumptiemarkten zoals Rome gebouwd werden. Op deze landgoederen konden boeren intensieve teelt van fruit en groenten starten, waar veel water voor nodig was. Water bewaren bleek behoorlijk lucratief, maar was wel een grote investering.

Er zijn dus vele theorieën over het overschot in complexer wordende samenlevingen zoals het Romeinse Rijk, zegt Van Oyen, maar als je niet kijkt naar die verschillende facetten van opslag, mis je die details. Die verschillende manieren van overschot bewaren hebben gevolgen voor hoe sociaal-economische relaties zich ontwikkelen.

Overigens noemt ze het problematisch dat archeologen zich in de Romeinse tijd zo blindstaren op elites en steden. Ook dit blijft in zekere zin een eliteverhaal, geeft ze toe. “Het is heel moeilijk om data te krijgen over zo’n 90 procent van de Romeinse ­bevolking, omdat er simpelweg minder ­bewaard is gebleven over hun levens.” De meeste mensen in de Romeinse wereld moesten gewoon zien dat ze te eten kregen en overleefden. “Voor hen betekende bewaren dat ze genoeg graan hadden om de winter door te komen en genoeg zaad om voor een volgend seizoen te planten.”

Archeologe Astrid Van Oyen aan het werk bij een opgraving in Toscane.

Het nieuwste flesje parfum

Toch ontstond er in die tumultueuze periode van het Romeinse Rijk een consumptierevolutie. “Naast de elites kwam er ook een kleine middenklasse die toch wel wat spullen had, weten we uit opgravingen”, zegt Van Oyen. “Mensen konden de nieuwste pot van keramiek kopen of een flesje parfum.” Om te weten te komen hoe mensen die spullen thuis bewaarden richtte Van Oyen haar blik op de Romeinse provinciestad Pompeï die in 79 na Christus door een uitbarsting van de Vesuvius onder een laag as en puin werd bedekt, en zo een van de best bewaarde Romeinse steden werd.

In de woningen van de inwoners van Pompeï werden spullen bewaard in kasten, lades en kisten. Soms konden die kasten ook afgesloten worden met sleutels, een vernieuwend gegeven voor die tijd. Archeologen hebben enorm zitten puzzelen op de inhoud van die kasten en lades. Zo vonden ze in een lade spullen als een dobbelsteen, een spade, wat munten en een mooi servies. “Dat lijkt wel een rommellade zoals wij die thuis ook hebben”, zegt Van Oyen. “Maar in Pompeï weet je het nooit precies: voor die fatale uitbarstingen waren er ook een aantal kleinere aardbevingen geweest, dus mensen waren ook hun huis aan het repareren. Vandaar dat het niet zo gek is dat er dan overal gereedschap is te vinden in zo’n huis.”

In ieder geval was het in die kasten totale chaos, vertelt Van Oyen. “Er lagen spullen bij elkaar die niet echt logisch waren.” Toch zegt dat veel over hoe de Romeinen leefden. Ze gebruikten de ruimtes in hun huis namelijk op een heel andere manier. Tegenwoordig hebben de meeste kamers een functie, in Pompeï kregen ruimtes steeds een andere functie, afhankelijk van het moment van de dag of seizoen. Een kamer kon eerst als eetkamer gebruikt worden, later als ontvangstkamer of een ruimte voor een ceremoniële bijeenkomst. “Een bord kon dus het ene moment gebruikt worden voor eten, het andere moment voor een offergave.” Kasten waren een belangrijk mechanisme om multifunctioneel gebruik mogelijk te maken.

Dolium of vat voor wijn fermentatie, Villa Regina, Italië.

Een mooie lens om naar de geschiedenis te kijken

Door naar die spullen te kijken kun je je voorstellen hoe het eraan toeging in zo’n huis, denkt Van Oyen. Waarschijnlijk waren het vrouwen en slaven die de hele dag met die spullen aan het slepen waren. En dat zijn nu juist de ondergerepresenteerde groepen in de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Deze woningen werden vaak beschouwd door de ogen van de mannelijke eigenaar, zegt Van Oyen. “Maar als je kijkt naar hoe die spullen in het huis werden bewaard, dan zie je pas echt wie er leefde. Je ziet dat ze daar continu bezig moeten zijn geweest, met het aanpassen van die ruimtes.”

En zo denkt Van Oyen dat de geschiedenis van het bewaren een mooie lens kan zijn waardoor het leven van onze voorouders beter begrepen kan worden. “Je wilt dingen bewaren op de juiste manier. Je wilt niet dat ze kapotgaan, je wilt niet dat ze gestolen worden. Het gaat om de fysieke eigenheid van spullen, maar die heeft ook een sociale dimensie. En daar hebben we in de archeologie tot nu toe te weinig over nagedacht.”

Lees ook:

Een voorproefje van de lang verborgen kunstcollectie van de Torlonia-familie

In een perzikkleurig gebouw aan de Tiber wordt een kostbare kunstschat opgepoetst: ruim negentig bustes, standbeelden en reliëfs – enkele van ver voor Christus. De privécollectie van de Italiaanse familie Torlonia bleef voor de buitenwereld verborgen, maar in april worden de kunstwerken dan eindelijk tentoongesteld. Trouw mocht als een van de weinigen alvast kijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden