Vogelboek

Vogels kunnen veel meer dan we denken

Zwarte wouwen in Australië, daar ook wel ‘vuurhaviken’ genoemd, jagen op insecten, knaagdieren en reptielen die vluchten voor bosbrand. Beeld Rob Buiter
Zwarte wouwen in Australië, daar ook wel ‘vuurhaviken’ genoemd, jagen op insecten, knaagdieren en reptielen die vluchten voor bosbrand.Beeld Rob Buiter

Lol trappen, fikkie stoken, en communiceren in volzinnen. Niets menselijks is vogels vreemd, laat de Amerikaanse wetenschapsjournaliste Jennifer Ackerman zien in een fascinerend boek.

Op zoek naar intelligentie in het dierenrijk heb je zoogdieren en ­vogels. Twee uiteinden van takken aan de stamboom van al het leven. Maar wel duidelijk verschillende takken. Het is niet voor niets dat Bert Haanstra in 1972 in zijn film ‘Bij de beesten af’ met name de parallellen liet zien tussen het gedrag van mensen met dat van apen en andere zoogdieren.

In haar boek ‘Zo doen vogels dat’ legt de Amerikaanse wetenschapsjournaliste Jennifer Ackerman toch een bommetje onder dat strikte verschil tussen de intelligentie van vogels en van zoogdieren. Er zitten meer overeenkomsten tussen de beide diergroepen dan je zou denken. “Traditionele inzichten over de manier waarop vogels hun leven leiden, communiceren, foerageren, ­elkaar het hof maken, zich voortplanten en overleven, zijn door de wetenschap volledig op hun kop gezet”, schrijft Ackerman. “Zelfs strategieën als misleiding, manipulatie, bedrog, ontvoering en kindermoord, maar ook de ingenieuze communicatie tussen soorten, hun samenwerking, onbaatzuchtigheid, beschaving en spel, wat we tot nu toe alleen aan onszelf of hooguit aan een paar slimme zoogdieren toeschreven, blijken de vogels niet vreemd.”

Voor haar boek ging Ackerman te rade bij een keur aan vogelonderzoekers. Ze laat zien dat ook vogels lol kunnen trappen, fikkie stoken, andere soorten kunnen imiteren en daarmee doelgericht de kluit belazeren. Ze beschrijft, kortom, hoe onvoorstelbaar divers het gedrag van vogels is en hoe dun het onderscheid met mensen lijkt te zijn.

Fikkie stoken

In ‘Jungle Book’ laat schrijver Rudyard Kipling de dieren uit een Aziatisch oerwoud ongehinderd praten met hoofdpersoon Mowgli. Er is maar één ding wat dit ‘mensenjong’ écht onderscheidt van alle andere dieren: het vermogen om met vuur te spelen. Maar volgens het overzicht van Jennifer Ackerman kan ook dat ‘uniek menselijke kunstje’ in de prullenbak, bij de andere hoogmoedige misvattingen. In Australië hebben de zwarte wouw, de grote bruine valk en de wigstaartwouw alle drie de traditionele bijnaam ‘vuurhavik’. De vogels weten dat voor een natuurbrand doorgaans een flinke boeggolf van eetbare insecten, knaagdiertjes en reptielen in doodsnood uittrekt. Voor zo’n brand zie je dan ook vaak ­jagende vogels vliegen.

Deze ‘vuurhaviken’ gaan nog een stap verder. De vogels pakken geregeld een smeulende tak in hun klauwen en vliegen ermee naar een onaangetast, maar droog stuk grasland, om de tak daar neer te laten ploffen. Ze stoken bewust een fik om zich vervolgens tegoed te doen aan de vluchtende prooidieren. Onderzoekers bezweren dat dit geen toevallig gedrag is, laat staan anekdotische onzin. Ackerman citeert verschillende stomverbaasde brandweerlieden die tijdens het bestrijden van een natuurbrand keer op keer vogels met brandende takken naar droge, onaangetaste velden zagen vliegen, om zich vervolgens ­tegoed te doen aan de nieuwe lading vluchtende prooien.

Hét verschil tussen mensen en dieren is nog steeds ons extreem ontwikkelde vermogen om te communiceren. Toch wordt stukje bij beetje duidelijk dat dieren ook veel meer kunnen dan alleen maar wat primaire emoties uitwisselen; geluiden die duidelijk maken dat er gevaar dreigt, dat je je bezit verdedigt, of dat je zin hebt in seks. De betekenis van vogelgeluiden kan bijzonder subtiel zijn.

Vogels blijken zelfs te kunnen spelen met taal. Wat heet: ze bedriegen de andere sekse met regelrechte leugens. Zo beschrijft Ackerman een liervogel uit Australië die een vrouwtje met een specifieke alarmroep laat geloven dat er gevaar dreigt. Het vrouwtje verstijft van angst en drukt zich tegen de grond, waarop het mannetje zijn kans grijpt om met haar te paren. Dreigt ze weg te glippen, dan liegt het mannetje nog een keer luidruchtig dat er toch echt een roofvogel aankomt. Dekking!

Gier. Beeld
Gier.Beeld

Vliegende neus

De zintuigelijke vermogens van vogels zijn in het verleden nogal eens onderschat. Zo zouden vogels slecht kunnen ruiken, werd lang gedacht. Onderhoudsmedewerkers van een Amerikaans gasbedrijf hebben vogelonderzoekers uit die droom geholpen.

Om reukloos aardgas veiliger te maken krijgt het een geurtje mee, anders zou je een lek pas opmerken bij een explosie. Daartoe wordt een heel klein beetje mercaptaan aan het gas toegevoegd. Het is dezelfde stof die wordt geproduceerd door een ontbindend lijk. Vandaar dat gieren een extreem goede neus hebben voor mercaptaan. Lekken in een hoofdgasleiding in het veld kun je opsporen door naar gieren te zoeken die boven de gasleiding cirkelen, weten de ingenieurs van het gasbedrijf. Slechts een paar moleculen blijken genoeg om de vogels van heinde en verre naar het lekkende gas te trekken.

Op een vergelijkbare manier hebben ‘buissnavelige’ zeevogels (albatrossen en stormvogels) een scherpe neus voor dode krill en inktvis. Deze vogels moeten soms duizenden kilometers afleggen om voedsel te vinden. Dan helpt het wel als je een scherpe neus hebt voor lekker, ontbindend vlees dat als een speld in de hooiberg van de oceaan dobbert.

Het ultieme voorbeeld van geavanceerde communicatie onder vogels haalt Ackerman uit Japan, bij onderzoeker Toshitaka Suzuki van de Universiteit van Kyoto. Hij was de eerste die stelde dat vogels een soort grammatica hanteren bij hun communicatie. ­Suzuki doet onderzoek met Japanse koolmezen. Hij ontdekte dat de vogels specifieke alarmroepjes kennen voor verschillende bedreigingen. Speelde Suzuki het geluid af dat bij de dreiging van een slang hoort, dan zag hij de vogels nadrukkelijk naar de bodem kijken. De alarmroep die hoort bij een roofvogel, deed ze naar de lucht kijken.

Kea Beeld
Kea

Lol trappen

Er zijn nogal wat gezichtsuitdrukkingen bij dieren die ten onrechte als lachen worden gezien. De grimassen van mensapen zijn wat dat betreft het beruchtst. Met een aap die ‘grijnst’ kun je meestal niet lachen. Toch bestaat er in de dierenwereld wel degelijk zoiets als lachen. Ackerman beschrijft experimenten van de Oostenrijkse gedragsbioloog Raoul Schwing.

Hij onderzocht kea’s, een papegaaiensoort die in de Nieuw-Zeelandse Alpen voorkomt. De vogels staan, samen met raven, bekend als de meest intelligente van hun diergroep. Schwing onderzocht de verschillende soorten geluiden die de kea’s maken. Van het ‘speelgeluid’ ontdekte hij dat dit hetzelfde effect heeft op een groep kea’s als de bel voor het speelkwartier op een groep kleuters: laat het horen en ze stuiven naar het plein om lol te trappen. Schwing noemt het speelgeluid bewust geen echt lachen, al heeft het volgens hem wel hetzelfde effect op de kea’s als lachen op mensen: het is positief gedrag dat bij soortgenoten positief gedrag oproept.

Dat vogels basale grammaticaregels hanteren, concludeert Suzuki uit experimenten met geluiden in verschillende volgordes. Net zoals ‘pas op’ voor ons iets logisch betekent, maar ‘op pas’ niet, zo begrepen de ­mezen van Suzuki in zijn experimenten de sequentie ‘piep-piep-tjuup’ wel, maar ‘piep-tjuup-piep’ niet.

De conclusies van Ackerman worden ­onderschreven door professor Carel ten ­Cate, emeritus hoogleraar gedragsbiologie aan de Universiteit Leiden. “De experimenten van Suzuki suggereren inderdaad dat ­vogels een vergelijkbaar soort grammatica hanteren als wij in onze taal. Wij hebben in Leiden in het verleden ook ontdekt dat parkieten een bepaalde volgorde van geluiden kunnen herkennen. De vogels konden uit het horen van een aantal geluidreeksen een simpele ‘grammaticale regel’ afleiden. Ze konden die vervolgens gebruiken om te ­beoordelen of andere reeksen geluiden aan die regel voldeden, wat betekende dat er wel of geen beloning op kon volgen.”

De evolutie van taal

Ten Cate benadrukt wel dat er nog veel meer onderzoek nodig is om de aanwezigheid en het gebruik van grammaticale regels in vogelcommunicatie echt aan te tonen, laat staan te doorgronden. “Ik zou onderzoekers wat dat betreft aanmoedigen om niet zozeer te luisteren naar vogelzang, maar vooral naar de roepjes van vogels. Zang klinkt weliswaar gevarieerd, maar de onderdelen van een liedje hebben geen afzonderlijke betekenissen. De verschillende roepjes hebben daarentegen elk een eigen betekenis. Of en hoe roepjes gecombineerd kunnen worden kan ons veel meer vertellen over de grammaticale vermogens van ­vogels.”

Gereedschap gebruiken én maken

Dat dieren gereedschap kunnen gebruiken om voedsel te bemachtigen is al lang duidelijk. In 2018 lieten gedragsbiologen van de Universiteit van Oxford zien dat wipsnavelkraaien uit Nieuw-Caledonië ook in staat zijn om zelf gereedschap te máken. Wanneer de vogels een transparante box kregen met daarin wat lekkers en daarnaast een stokje om dat lekkers eruit te wippen, dan hadden de kraaien dat trucje in mum van tijd door. Werd het stokje vervangen door verschillende (te) korte stokjes, dan bleken de vogels die stukjes ook zonder problemen in elkaar te kunnen steken om daar een lange stok van te maken.

Eén kraai leerde zelfs hoe hij vier korte stukjes aan elkaar kon koppelen om er een lange, werkbare hengel van te maken; een vaardigheid die vergelijkbaar is met de handigheid van een kind van minimaal vier jaar oud, stelt Ackerman.

Wipsnavelkraai. Beeld
Wipsnavelkraai.Beeld

Dat onze taal niet langer het strikte verschil markeert tussen mensen en dieren, is ook volgens Ten Cate wel duidelijk. Toch benadrukt hij dat er altijd een kwantitatief verschil zal blijven. “Onze taal is zo onnoemelijk veel complexer dan wat we van vogels of welke andere diergroep kennen. Dat inzicht zal niet snel veranderen. Maar met haar bloemlezing van onderzoek aan de ­taligheid van vogels, laat ook Ackerman zien dat de evolutie van taal niet iets plotselings is geweest in het deel van de stamboom waar wij mensen zitten.”

Jennifer Ackerman, Zo doen vogels dat, uitg. Prometheus, ISBN 9789044645910 €27,50

Levend kompas

Uit onderzoek naar trekvogels is ondubbelzinnig gebleken dat ze het aardmagnetisch veld kunnen waarnemen. Waar dit ‘zesde zintuig’ precies zit, is nog niet helemaal duidelijk. Het zou goed kunnen dat de vogels het magnetisch veld letterlijk zien, met behulp van kristallen in één van hun beide ogen.

Ackerman beschrijft veldonderzoek waaruit blijkt dat sommige vogels ook hun complete lichaam als een soort levend kompas kunnen gebruiken. Een kompas om de richting van voedsel te zoeken welteverstaan.

Humboldt-aalscholvers die hun kolonie aan de Peruaanse kust verlaten om voedsel te zoeken, vliegen eerst naar een grote groep soortgenoten die op zee dobbert. Deze groep draait gedurende de dag met de richting van de grootste dichtheden vis mee. Je hoeft als aalscholver dus maar naar de groep te vliegen, te kijken in welke richting alle snavels wijzen en je weet: daar moet ik zijn!

Humboldt-aalscholver. Beeld
Humboldt-aalscholver.Beeld

Lees ook:

Deze vogels tonen een sterk staaltje slimheid

Kraaien en papegaaien lossen de moeilijkste puzzels op. Zijn ze nu intelligent, of gewoon handig?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden