Een brandgans, bezweken aan de vogelgriep in de Hoeksche Waard.

Virussen

Vervuiling door de mens kan virussen een handje helpen

Een brandgans, bezweken aan de vogelgriep in de Hoeksche Waard.Beeld Arie Kievit

De virussen die ziektes als vogelgriep veroorzaken, worden een handje geholpen door de schadelijke stoffen die de mens in het milieu brengt.

Rob Buiter

We beleven de heftigste uitbraak van vogelgriep sinds mensenheugenis. Niet alleen het aantal geruimde kippen, eenden en ander pluimvee is groter dan ooit, voor het eerst zijn ook grote aantallen Nederlandse broedvogels het slachtoffer. Op de kaart van gesneuvelde broedvogels, die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bijhoudt, is met name rond Texel een grote rode vlek te zien. Die staat voor enkele duizenden grote sterns die al aan het virus zijn bezweken. Ook rond de IJsselmond, in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta en rond de Friese en Groningse Waddenkust veel dode vogels, waarin het Aviaire Influenzavirus H5N1 is aangetroffen.

Als klap op de vuurpijl blijkt het virus zich ook al enigszins te hebben aangepast aan zoogdieren, rapporteerde onderzoeksinstituut Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad in juli. Onderzoekers vonden bij enkele dode vossen een mutant van het virus, die zich nota bene in de hersenen van de dieren had genesteld. Bij vogels is de griep met name een luchtweginfectie.

Een humaan tintje

Uit onderzoek aan de genetische kenmerken van deze hoog-pathogene – ofwel: sterk ziekmakende – versie H5N1 van het vogelgriepvirus, is duidelijk geworden dat die al in 1996 is ontstaan uit een laag-pathogene, dus mildere variant die op een grote intensieve ganzenhouderij in het Chinese Guangdong kon muteren. Van daar heeft het virus zich ook via wilde vogels over de wereld verspreid.

Los van die oorsprong in de pluimveehouderij, veronderstelt de Wageningse milieutoxicoloog Nico van den Brink dat er nog een extra ‘humaan tintje’ aan de huidige uitbraak zit. Ganzen die hij samen met zijn promovendus Biyao Han in een experiment op Spitsbergen op met kwik vervuilde grond liet grazen, bleken slechter te reageren op een experimentele infectie met een stukje virus-RNA dan soortgenoten die in een schoon gebied hadden gegeten. Van den Brink: “Ganzen die in West-Europa overwinteren, komen in hun broedgebieden en tijdens de trek in het hoge noorden in contact met vogels uit Azië. Het is dus denkbaar dat vogels die aan verontreinigingen zijn blootgesteld, het virus eerder oppikken en doorgeven dan honderd procent schone vogels.”

Steenkoolwinning

Het kwik op de Spitsberger toendra is daar terechtgekomen door steenkoolwinning in het gebied. Maar ook kwik van elders op de wereld heeft de neiging om bij voorkeur in koude gebieden neer te slaan, waarschuwt Van den Brink. Kwik is een vluchtig metaal dat – net als waterdamp op een koud raam – het makkelijkst neerslaat op koude oppervlakken, zoals hooggebergten of de polen. “Aan de beide polen worden hogere kwikconcentraties gemeten dan je op basis van lokale menselijke activiteiten zou mogen verwachten”, zegt Van den Brink. “En dat zijn uitgerekend die gebieden waar trekvogels uit verschillende werelddelen elkaar treffen.”

Vrijwilligers Ijona Hoegee (rechts) en Ria van Laanen van de dierenambulance halen een zwaan uit het water in de Hoeksche Waard.  Beeld Arie Kievit
Vrijwilligers Ijona Hoegee (rechts) en Ria van Laanen van de dierenambulance halen een zwaan uit het water in de Hoeksche Waard.Beeld Arie Kievit

In een eerder onderzoek, met promovendus Diego Garcia Mendoza, vond Van den Brink vergelijkbare effecten van een hoge belasting met cadmium in het milieu. Dat cadmium wordt onder andere gevonden rond de zinkfabriek in het Brabantse Budel. Van den Brink en zijn promovendus zagen dat bosmuizen die meer cadmium voor de kiezen kregen, slechter reageerden op een experimentele besmetting met een stukje bacterie-eiwit. “In dit geval gebruikten we dat bacterie-eiwit als model voor een besmetting met de lyme-bacterie Borrelia burgdorferi. Muizen zijn een essentiële tussengastheer in de levenscyclus van deze bacterie.”

We snijden onszelf in de vingers

Van een te hoge dosis gif knap je niet op. Tot zover de open deur. Maar deze onderzoeksresultaten strekken verder, zegt Van den Brink: “Als we met de belasting van het milieu, bijvoorbeeld met kwik, de afweer van ganzen verzwakken, dan heeft dat mogelijk consequenties voor de verspreiding van vogelgriep en daarmee voor wilde watervogels en ook voor onze pluimveehouderij. En wanneer bosmuizen door verontreinigingen extra vatbaar worden voor de lyme-bacterie, dan snijden we onszelf dus ook in de vingers. Meer verontreiniging zou dan tot meer ziekte van Lyme kunnen leiden.”

De Rotterdamse viroloog Marion Koopmans, die niet bij het onderzoek van Van den Brink betrokken was, kan zich van alles voorstellen bij de mechanismen die hij beschrijft. Zij wijst op onderzoek uit het verleden, waarin een relatie werd aangetoond tussen vervuiling met stoffen als pcb’s en afweer bij zeehonden. Dieren die gedurende twee jaar schone vis uit de Atlantische Oceaan te eten hadden gekregen, hadden een betere afweer tegen natuurlijke virussen dan soortgenoten die vuilere vis uit de Baltische Zee te eten hadden gekregen. “Of dat dan direct tot een abrupt verschil leidt in infecties, is vers twee”, zo nuanceert Koopmans. “Maar bij alle uitdagingen die een dier in het wild te verduren krijgt, is dit er wel weer een extra.”

Ook haar collega Thijs Kuiken, eveneens viroloog aan het Erasmus Medisch Centrum, herkent de patronen in de studies van Van den Brink en zijn promovendi. “Natuurbeschermers maken zich al heel lang terechte zorgen over de directe gezondheidseffecten van olie, pcb’s en andere vervuiling van ons milieu, maar de relatie met afweer tegen virusinfecties was lang onbekend. In eerste instantie was het onderzoek er dan ook op gericht om directe effecten van verontreinigingen te vinden of uit te sluiten. De nadelige effecten op de afweer waren in die zin enigszins een verrassing.”

Het virus is al erg genoeg

Of milieuvervuiling ook een direct effect zal hebben op de verspreiding van bijvoorbeeld het hoog-pathogene vogelgriepvirus, is voor Kuiken nog zeer de vraag. “Uit het onderzoek van de groep van Van den Brink lijkt het dat vervuilde dieren slechter reageerden op de experimentele infectie met een stukje RNA. Maar dat is wel wat anders dan een daadwerkelijke virusbesmetting. Recente uitbraken in broedkolonies van zeevogels en pluimveehouderijen laten zien dat het virus van zichzelf al heel besmettelijk is. Hoewel je een rol van gif bij de verspreiding niet kunt uitsluiten, is het effect van het virus op wilde dieren op zich al erg genoeg.”

Van den Brink ziet ook in dat de verspreiding van het hoog-pathogene vogelgriepvirus misschien niet meetbaar wordt beïnvloed door de verontreiniging van het milieu, omdat dat van zichzelf al infectieus genoeg is. “Maar vogelgriep begint doorgaans met een mildere variant, en die zal zich wél makkelijker verspreiden onder verontreinigde vogels. En bij de ziekte van Lyme, waar geen mildere varianten van bestaan, kan de rol van verontreinigingen belangrijk zijn. Gezien de maatschappelijke impact van beide ziekten, lijkt het mij belangrijk dat verder te onderzoeken.”

Lees ook:

Het virus houdt zich schuil in het beest

Het coronavirus is een zoönose, het sprong over van een dier, vermoedelijk een vleermuis. Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt, en zeker ook niet de laatste.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden