Selma de Mink.

InterviewSterrekundige Selma de Mink

Selma de Mink: ‘Als iedereen denkt dat de sterrenkundeprof een baard heeft, is het lastig wennen aan een paardenstaart’

Selma de Mink.Beeld Erwin Reyskens

Vroeger durfde Selma de Mink (37) niet te solliciteren omdat ze vreesde dat ze niet genoeg in huis had. Nu is ze benoemd tot directeur van een prestigieus Max Planck Instituut. ‘Nu denk ik: deze functie past bij mij.’

Ze kon bijna niet wachten. Maar ze moest wel. Sinds 1 januari is Selma de Mink directeur van het Max Planck Instituut voor Astrofysica in Garching, maar het duurde lang voor ze naar binnen mocht. Eerst moest ze vanwege corona twee weken in quarantaine. En toen was het wachten op de boot die haar inboedel vanuit Boston naar Bremerhaven vervoerde, waarna alles nog met de trein naar Zuid-Duitsland moest.

“Ga op reis, zeggen ze in Nederland tegen jonge wetenschappers. Trek de wereld in. Dat is goed voor je carrière. Dat is waar, maar dit is de vierde keer dat ik de plas oversteek. En telkens weer moet ik wachten op die boot.”

Haar enthousiasme is er niet minder om. Max Planck Instituten zijn zeer presti­gieus. Onderzoekers daar beschikken over ruime budgetten en een enorme vrijheid om hun eigen studiegebied in te richten. “Het is fantastisch dat ik deze kans krijg. Maar het is ook spannend. Deze functie brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee.”

Om de beurt

De Mink is met haar 37 jaar de jongste directeur op het instituut. Uitzonderlijk vindt ze dat niet. “De andere drie directeuren zijn ook op jonge leeftijd binnengekomen. Ieder heeft een eigen groep en een eigen onderzoeksterrein. Om de beurt is er eentje algemeen directeur. Die is verantwoordelijk voor zaken als het personeelsbeleid en onderhoud van het pand. Ik heb gevraagd om daar niet meteen voor te hoeven opdraven.”

Ze werd gevraagd om te solliciteren, nadat het instituut haar had voorgedragen voor deze functie. “Vroeger twijfelde ik vaak of ik op een vacature zou solliciteren. Ik ben daar vast niet goed genoeg voor, dacht ik dan. Nu denk ik voor het eerst: deze functie past bij me. Ik krijg er zoveel energie van. Om goede, jonge wetenschappers bijeen te brengen, om ze te stimuleren, ze uit te dagen.”

Artist's impression bij het studieobject van De Mink: een dubbelster waarbij de ene ster in zijn laatste levensfase opzwelt en door de andere wordt leeggezogen.
 Beeld ESO/M. Kornmesser/S.E. de Mink
Artist's impression bij het studieobject van De Mink: een dubbelster waarbij de ene ster in zijn laatste levensfase opzwelt en door de andere wordt leeggezogen.Beeld ESO/M. Kornmesser/S.E. de Mink

Na haar promotie in 2010 stak ze voor het eerst de oceaan over en ging ze aan de slag bij het Hubble-instituut in Baltimore. “Ook toen kreeg ik veel vrijheid om mijn onderzoek in te richten. Amerikanen zijn heel enthousiast tegenover jongeren. Laat maar zien wat je kunt! Europeanen zijn sceptisch, afwachtend. Dat Amerikaanse optimisme helpt wel. Maar dat heeft ook een keerzijde. De druk is enorm, zeker op top­instituten. Werkweken van meer dan zestig uur zijn heel normaal. In Europa gaat het iets rustiger. Hier hechten we meer waarde aan een vrij weekend. Dan heb je op maandag ook weer een heldere geest. Wat dat betreft ben ik blij dat ik mijn promotieonderzoek in Nederland heb kunnen doen.”

Vijf jaar proeftijd

In 2014 kreeg De Mink een aanstelling aan de Universiteit van Amsterdam en die was vijf jaar later net omgezet in een vaste betrekking, toen ze het aanbod kreeg voor een baan aan de Harvard-universiteit. “Tja, een proeftijd van vijf jaar, kom daar buiten de wetenschap maar eens om. Het ging hartstikke goed in Amsterdam. Ik had een paar grote onderzoeksbeurzen binnengehaald. En het was een heel leuke groep, met goede studenten en enthousiaste collega’s. Maar ja, Harvard University blijft een aansprekende naam. Ik wist niet wat me er te wachten stond, maar ik heb heel veel passie voor dit vak. Dus ik dacht: als ik daar gezeten heb, komt het vast wel goed met me.”

Terug in de VS, maar nu een treetje hoger op de ladder, viel haar het verschil met de Nederlandse of Europese wetenschapscultuur op. “Op Harvard werd ik als professor aangesproken. Officieel was ik associate professor, maar Amerikanen doen daar niet moeilijk over. Als ik in Nederland had gezegd dat ik professor was, hadden ze me gevraagd of ik daar wel oud genoeg voor was. Op Harvard was leeftijd nooit een punt.”

Hiërarchie was niet het enige verschil. Bètafaculteiten in Nederland zijn mannenbolwerken, daar had ze wel even aan moeten wennen toen ze eerder van Baltimore naar Amsterdam ging. “Zo weinig vrouwelijke hoogleraren op de faculteit, dat voelde als een koude douche. Mijn positie op de UvA was alleen voor vrouwen bestemd. Zo wilde men de balans wat herstellen. Ik voelde me geen excuus-Truus, maar had wel het idee dat ik me extra moest bewijzen. Als iedereen zo gewend is dat de professor een baard heeft, is het lastig om je voor te stellen dat iemand met een paardenstaart hetzelfde werk doet. Dat heeft impact, hoor. Als een studente nooit een vrouwelijke professor te zien krijgt, gaat ze zich afvragen: kan ik dit wel?”

Zo vreemd vindt ze het ook weer niet. “De man-vrouw-verschillen zitten hier zo ingebakken. In de taal alleen al. Ik kreeg ooit een uitnodiging voor een fotosessie. De fotograaf wilde de wetenschapper graag in zijn eigen omgeving in beeld brengen, stond erbij. Dan zul je mij wel niet bedoelen, schreef ik terug.”

Verfrissend

Ze betrapt zichzelf ook wel eens op zulke stereotypen. “In ons vak heb je van die standaard-artikelen en ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik erachter kwam dat de auteur van één van die artikelen een vrouw was. Op de middelbare school dacht ik altijd bij meisjes die goed waren in natuurkunde: die zullen wel hard hebben gewerkt. Terwijl ik er bij jongens die achten scoorden van uitging dat ze slim waren.

“Zelfs toen ik mij voor de Internationale Natuurkunde Olympiade plaatste, als tweede meisje uit Nederland ooit, dacht ik dat die jongens slimmer waren. Dus toen ik in de VS kwam en voor het eerst zag hoe vrouwen topfuncties in de wetenschap bezetten, zonder zich af te vragen of ze goed genoeg waren, was dat heel verfrissend.”

Nu mag ze in Garching zelf aan de slag. Vanuit haar hotelkamer heeft ze al de eerste vacatures de deur uit gedaan om haar team samen te stellen. “Ik hoop veel vrouwelijke wetenschappers te werven. En mensen van kleur. Dat is nog een veel grotere kloof. Sterrenkunde is een uitermate witte wetenschap. Ik hoop dat ik voor die emancipatie een aanzet kan geven. Ik wil zomerscholen opzetten, om jong talent te werven.”

Hoe komt dat innige paartje sterren samen aan zijn einde?

“Mijn passie ligt bij de zware sterren. Hoe zwaarder, hoe leuker. Liefst heb ik ze tien tot honderd keer zo zwaar als de zon. Die sterren verbranden waterstof en helium en maken daarbij allerlei zware elementen. Koolstof, zuurstof, ijzer.

Als zo’n ster aan zijn einde komt en zijn materiaal de ruimte in slingert, vormt dat de basis voor nieuwe sterren en planeten. En het bouwmateriaal voor ons. Wij zijn gemaakt uit sterrenstof.

Zo’n zware ster is al uitzonderlijk en die leeft ook nog eens veel korter. Dat maakt zware sterren helemaal tot een zeldzaamheid. Daar staat tegenover dat ze goed zichtbaar zijn. Ik hoef me niet te beperken tot onze eigen Melkweg, ook in andere sterrenstelsels zijn deze reuzen goed waarneembaar.

Die zware sterren hebben vaak een begeleider. Sterker nog, sterrenkundigen gingen ervan uit dat de meeste sterren Einzelgänger waren, maar wij toonden aan dat het voor zware sterren juist andersom was. De dubbelster is de regel, een ster als onze zon is eerder een uitzondering. Bovendien: die zware dubbelsterren zitten vaak dicht op elkaar. Zo dicht dat ze elkaars leven beïnvloeden.

Kijk, hier heb ik een animatiefilmpje van zo’n dubbelstersysteem. De ene ster is twintig zonnen zwaar, de ander vijftien. Ze draaien in een dag om elkaar heen. De eerste paar miljoen jaar gebeurt er niet veel. Maar op een dag begint bij de zwaarste ster de waterstof op te raken. Het gevolg is dat de ster opzwelt en op een gegeven moment komt de buitenste schil onder invloed van de zwaartekracht van die andere ster. Die zuigt de waterstofrijke buitenlagen op.

Omdat deze begeleider zijn voorraad waterstof aanvult, ondergaat hij een soort verjonging. Daarom wordt hij wel een vampierster genoemd.”

Supernova

“Die ene ster komt nu vervroegd aan zijn einde. We zien een supernova, een sterexplosie waarbij de ster zijn mantel de ruimte in slingert en zijn kern implodeert tot een neutronenster of een zwart gat. Na een tijdje is dat ook het lot van de vampierster.

Dat is dus mijn werk. Ik probeer de wetten van de fysica – de wet van behoud van massa, van energie, van impuls – om te zetten in formules, zodat een computer eraan kan rekenen. Van de oplossingen die de computer aandraagt, maken we dit soort animatiefilmpjes.

Onze resultaten maakten veel indruk, omdat de meeste sterrenkundigen ervan overtuigd waren dat zware dubbelsterren zeldzaamheden zijn. En zeker als je er dan zo’n filmpje bij kunt laten zien. Het artikel is bijna duizend keer geciteerd, niet slecht in ons vakgebied.

Bedenk wel, de levensloop van sterren was toen geen hip onderwerp. Exoplaneten, sterrenstelsels: daar hield iedereen zich mee bezig. Dat is nu totaal aan het veranderen.

Maar het had ook z’n voordelen. Als je als enige ergens aan werkt, krijg je vaak een uitnodiging om op een congres te komen spreken. Je hebt immers een ander verhaal.”

Spannend

“Maar goed, op zeker moment vroeg ik me af: als die zware sterren zo innig met elkaar samenleven, hoe zouden ze dan samen aan hun einde komen? Meestal blijven ze niet bij elkaar, de eerste supernova drijft ze uiteen, maar onder speciale condities blijven ze een paar. Dan wordt het spannend: twee sterren die eindigen als zwarte gaten en om elkaar heen blijven cirkelen.

Ik had hier al over nagedacht tijdens het schrijven van mijn proefschrift, maar mijn eerste artikel over dubbele zwarte gaten schreef ik pas in 2015. Begin september plaatste ik het online op een wetenschappelijke nieuwssite. Niet mijn meest interessante artikel, maar het was wel erg goede timing.

Het was september 2015 toen de detectoren van de Ligo-installatie, die net operationeel was, voor het eerst zwaartekrachtgolven waarnamen. Dat was voor velen een grote verrassing. Hier moesten zulke grote zwarte gaten op elkaar zijn gebotst, die kende de wereld niet. We kenden zwarte gaten van vijf á tien zonnen zwaar, je had de superzware zwarte gaten in het hart van een sterrenstelsel. Maar dertig á vijftig zonnen, zoals Ligo zou hebben waargenomen?

Die zware zwarte gaten pasten precies bij ideeën waar ik al in mijn proefschrift aan gewerkt had. Ik zeg niet dat dit de verklaring gaf, het is zeker niet de enige verklaring. Maar vanwege de timing was het een schot in de roos. Het heeft mijn carrière in een stroomversnelling gebracht. Je moet soms een beetje geluk hebben.”

Lees ook:

De sterrenkundige die de wereld een zwart gat toonde

De Nijmeegse sterrenkundige Heino Falcke werd bekend als de maker van de eerste foto van een zwart gat. In een boek vertelt hij nu hoe die opname tot stand is gekomen en hoe die zijn kijk op het universum heeft gevormd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden