Een afbeelding van de kruisiging uit het Stammheim Missaal, circa 1170, met karikaturen van Joden.

Etnische stereotypen

Ieren zijn lui en Fransen arrogant: vooroordelen in de ‘middeleeuwen’

Een afbeelding van de kruisiging uit het Stammheim Missaal, circa 1170, met karikaturen van Joden.Beeld Getty’s Open Content Program

Historica Claire Weeda onderzocht hoe etnische stereotypen ontstonden vanaf de 10de eeuw. Dat had alles te maken met wetenschappelijke theorieën die toen gangbaar werden.

Corsicanen houden om de haverklap een siësta, ont­dekken Asterix en ­Obelix als ze rondlopen op het ­eiland. In strip­boeken als Asterix op Corsica wordt gespeeld met karikaturen, die vaak laten zien welke stereotypen er over verschillende groepen bestaan. Zulke clichés, zoals dat Corsicanen lui zijn, doen al heel lang de ronde. Al in de 10de eeuw werden eigenschappen van volkeren uit­gelicht in lange lijsten (zie kader). De ­Romeinen werden gezien als arrogant en de Galliërs goed in handel drijven – ook dat zie je in de Asterixstrips terug.

Historicus Claire Weeda onderzocht ­zulke lijsten van vooroordelen en ander ­geschreven materiaal voor haar pas verschenen boek Ethnicity in Medieval Europe. Ze wilde onderzoeken welke ideeën de basis vormden voor zulke stereotypen, die tussen 950 en 1250 opdoken.

Hardnekkige vooroordelen zitten ook in Weeda’s vakgebied zelf. Het woord ‘middeleeuwen’ heeft ze bewust niet in haar boek gebruikt, behalve als ze de term zelf bespreekt. Weeda: “In de middeleeuwen zelf heeft niemand ooit gezegd: ‘We leven in de middeleeuwen’. Het is een term die vooral in de 17de en 18de eeuw op die tijdsafbakening is geplakt, vanuit het idee: het was een niet-verlichte, donkere periode, waarin religie overheerste en kennis afwezig was. Daarmee wilde men in de 17de eeuw vooral iets zeggen over de eigen tijd, namelijk dat die wel verlicht was.” Die associaties wilde Weeda vermijden.

Grove grappen van monniken

Ondanks de vooroordelen die men in de 17de eeuw koesterde over de middeleeuwen – om het begrip voor de eenvoud toch maar te gebruiken – was het bepaald geen donkere periode zonder kennis. De periode 950-1250, die Weeda bestudeerde, was een tijd van grote veranderingen: de Europese bevolking verdrievoudigde, er vond een sterke verstedelijking plaats. En in de 12de eeuw ontstonden de eerste universiteiten in ­Europa, waar vertalingen van wetenschappelijke en filosofische teksten uit het Grieks en Arabisch werden bestudeerd. De handel bloeide, met name in het gebied rond de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en Noord-Afrika, waardoor mensen met allerlei andere culturen in aanraking kwamen. Vanuit West-Europa werden gewelddadige kruistochten gevoerd en omringende gebieden gekoloniseerd.

Ontmoetingen leidden tot spot en vooroordelen. In de 12de eeuw hielden studenten bijvoorbeeld satirische scheldpartijen, waarin ze elkaars achtergrond belachelijk maakten – de Engelsen waren dronken, de Fransen arrogant, Brabanders gewelddadig en de Romeinen corrupt. Ook ontmoetingen tussen monniken en geestelijken leidden tot onderlinge spot. “Er is veel satire ­geschreven in de 12de eeuw, door monniken over andere monniken of over de ­clerus. Soms heel fel, met grove grappen.”

Die satirische moppen staan in schril contrast tot de serieuze en kwalijke stereotypen, zoals ze weerspiegeld worden in de geschriften van de twaalfde-eeuwse Engelse monnik Willem van Malmesbury. De volkeren in het noorden van Europa noemde hij barbaren die ‘als bruten leven’; weliswaar konden ze dapper vechten, maar ze waren ‘minder rationeel’. De Turken in het oosten vond hij laf, omdat ze met pijl en boog vochten: “Ze zijn misschien pienter, maar er stroomt minder bloed door hun aderen en daarom vluchten ze voor een gevecht op korte afstand.”

Een onbevredigende verklaring

Men werd dus beoordeeld naar het land of de regio van afkomst. Dat is best bijzonder, want begrippen als ‘natie’ en ‘staat’, zoals wij die nu gebruiken, bestonden toen nog niet. Inwoners van een bepaalde streek ­gingen gebukt onder een complexe wirwar van rechten en plichten jegens hun heer, koning, stad en kerk. Die stereotypen ­kunnen niet worden verklaard door landsgrenzen en moeten dus op een andere ­manier tot stand zijn gekomen.

Volgens Weeda is de huidige verklaring van het ontstaan van nationale identiteiten en stereotypen in de middeleeuwen ontoereikend. “Er wordt beargumenteerd dat ­nationale identiteiten en sentimenten vooral een negentiende-eeuws verschijnsel zijn, maar dat klopt niet: ook in de 12de en 13de eeuw zijn er al bronnen waarin staat dat ­Engelsen allemaal dronkenlappen zijn en Duitsers agressief. Als historici al naar die bronnen kijken, wordt er gezegd: dat idee van een nationale identiteit ontstaat door de toenemende centralisering van macht. Ook die verklaring is onbevredigend, want er waren al voor die centralisering van macht, in de 10de eeuw, lijstjes met eigenschappen die aan volkeren werden toe­gekend. Bovendien suggereert het dat de manier van spreken over volkeren een uitvloeisel is van een natuurlijke ontwikkeling: als er maar voldoende centraal gezag is en contact tussen mensen, dan zullen mensen vanzelf zeggen: wij zijn dit of wij zijn dat. Dat doet geen recht aan de complexiteit van de werkelijkheid.”

Om grip te krijgen op de ideeën over ­etniciteit in de aanloop naar de 12de eeuw heeft Weeda gekeken naar de wetenschappelijke tradities van die periode. “Die boden een houvast om te praten over de eigenschappen van volkeren. Dus ik wilde weten: op welke kennis baseerde men zich om te kunnen zeggen: de Engelsen zijn dronkenlappen en de Fransen zijn beschaafd?”

De invloed van klimaat

Weeda zag dat middeleeuwse weten­schappers vaak gebruikmaakten van de Oud-Griekse klimaattheorie, al beriep men zich ook dikwijls op genealogische verbanden en religieuze argumenten – joden waren volgens de kerk bijvoorbeeld vervloekt.

In de 12de eeuw werden veel teksten uit het Grieks en Arabisch vertaald, waardoor men ook in Europa kennismaakte met de klimaattheorie: het idee dat je fysieke omgeving invloed heeft op je karakter en uiterlijk. “De wind, de temperatuur, of je op een berg woont of in een vallei, de vochtigheid, dat zou een fysieke impact op je lichaam en geest hebben. Dus mensen in het noorden zijn groot en sterk, maar minder intelligent, in het zuiden zijn ze intelligenter, maar ­weker en daardoor onbetrouwbaar. Ze worden sluw, omdat ze angstig zijn dat ze het fysiek afleggen tegen een ander. Het ideale klimaat ligt in het midden: niet te heet, te koud, te nat of te droog.”

De middeleeuwen waren echter ook een tijd van handel en kruistochten. Dat riep de vraag op wat er gebeurt als je van het ene klimaat naar het andere reist. Men dacht tot op zekere hoogte wel dat je aan jouw door klimaat en afkomst gevormde lot kon ontsnappen, vertelt Weeda, maar ook in die mogelijkheid tot verandering werd een ­verschil in rang aangebracht. “Bij sommige groepen werd gezegd: het is onmogelijk om jezelf echt te verbeteren, omdat je door je afkomst vervloekt blijft. Als je uit een heet gebied komt, blijf je altijd iets meer opvliegend. Dat argument werd veel tegen joden gebruikt. Een jood die zich bijvoorbeeld ­bekeert tot het christendom, werd gewantrouwd. Dan werd gezegd: van nature is hij nog steeds joods.”

De klimaattheorie ging nog verder dan alleen stereotyperen: zij werd ook gebruikt om kolonisatie te rechtvaardigen. De te ­koloniseren gebieden werden omschreven als gebieden die veel potentie hadden en op zich aantrekkelijk waren, maar door de tekortkomingen van de lokale bevolking niet tot volle wasdom konden komen, legt Weeda uit. Daarbij baseerden de auteurs zich op een wetenschappelijke claim. “De Engelsen gaan bijvoorbeeld naar Ierland en ze schrijven dan dat de Ieren lui zijn, want ze hebben nog geen verstedelijkt gebied ontwikkeld, hun agrarische ontwikkeling is nog erg laag. En hoe komt dat? Ze hebben niet met inzicht en beleid het land bewerkt, omdat ze minder rationeel ontwikkeld zouden zijn.”

Inconsistenties

Er slopen een aantal inconsistenties in de klimaattheorie. Die theorie kwam weliswaar uit de Grieks-Arabische wereld, maar was niet direct toepasbaar op de Europese gebieden. “Dan gaan geleerden opeens schrijven dat Noordwest-Europa een ideaal gematigd gebied is. Ik heb ze er echt op ­betrapt dat ze gaan sjoemelen met de coördinaten en zeggen: nee, Engeland en Frankrijk zijn heel erg gematigd. Je ziet trouwens dat de Romeinen dat ook al doen en Noord-Afrikaanse geleerden schrijven dat Noord-Afrika het meest gematigde gebied is. Blijkbaar is er een neiging om de eigen regio als het ideale gemiddelde te beschouwen.”

Daarnaast vermengden de indelingen in etnische groepen zich met sociale standen. Vrouwen werden bijvoorbeeld gezien als minder rationeel dan mannen. En lichamelijk zwakker, hoewel vrouwen niet uit een ander klimaat kwamen dan mannen. Hetzelfde gold voor horige boeren, die gebonden waren aan het stuk land dat ze bewerkten, maar die grond niet zelf bezaten. Ook al was van een verschil in klimaat geen sprake, hun recht op bezit werd gerechtvaardigd met dezelfde theorie: anders dan de aristocratie waren horigen van nature ongeschikt om hun land en de opbrengsten ervan te ­bezitten.

Stereotypen als spiegel

De stereotypen rondom etniciteit dienen niet alleen een wetenschappelijk doel – uitleggen hoe het kan dat volkeren zo verschillend zijn – of een politiek doel, bijvoorbeeld kolonisatie vergemakkelijken. Ze vertellen ons ook iets over degenen die de stereotypen uiten, zegt Weeda. “Als er aan het Parijse hof wordt gedicht over de eigen burgers,

dan wordt er juist gezegd: wij zijn heel ­beschaafd, rationeel en sterk. En je moet ook bedenken dat de teksten die ik bestudeer, zijn geproduceerd door mensen die konden schrijven. Dat was een heel kleine groep, de elite die bij de kerk hoorde. Het is hún beeld dat gerepresenteerd wordt in de bronnen.”

Horigen en vrouwen waren zelden geletterd en dus kunnen we moeilijker onder­zoeken hoe zij die stereotypen ervoeren, of ze zelf stereotypen deelden over de adel. Het is wel leerzaam om het beetje informatie dat we hebben verder te onderzoeken, zegt Weeda. “Het is belangrijk om beter te begrijpen hoe die mechanismen met elkaar interfereren: racisme, sociale standen, de verhouding tussen man en vrouw.”

Kunnen we er ook vandaag iets van leren? Haar bevindingen toepassen op het nu vindt Weeda lastig, zegt ze, omdat de periodes zo verschillen. “Je kunt wel de vragen die het onderzoek naar de middeleeuwen opwerpt, stellen over het nu. Welke stereotypen kennen we nu over de fysieke en geestelijke ­eigenschappen van allerlei groepen? Wat betekent dat voor hun kansen op de arbeidsmarkt? En welke rol speelt het onderwijs daarin? Dat zijn nog steeds relevante vragen.”

Wie is Claire Weeda?

Claire Weeda is universitair docent aan het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden. Ze doet onderzoek naar stereotypen, medische kennis en arbeid in de periode 1100-1500. Haar boek Ethnicity in Medieval Europe 950-1250. Medicine, Power and Religion verscheen deze maand bij Boydell & Brewer.

Eigenschappen van volkeren

De oudste overgeleverde lijst van ­karakteristieken van volkeren komt uit een tiende-eeuws geschrift, De ­proprietatibus gentium (over de eigenschappen van volkeren), gevonden in een Spaans Benedictijns klooster.

De wijsheid van de Grieken
De kracht van de Goten
De kennis van de Chaldeeërs
De arrogantie van de Romeinen
De woestheid van de Franken
De toorn van de Britten
De lust van de Schotten
De onbuigzaamheid van de Saksen
De begeerte van de Perzen
De jaloezie van de Joden
De vrede van de Ethiopiërs
De commercie van de Galliërs

Lees ook:
Joden en moslims willen samen vooroordelen te lijf gaan: ‘Ons wordt een vijandsbeeld van elkaar opgelegd’

Joden en moslims beginnen samen ‘Yalla!’, een nieuwe stichting om de onderlinge verbondenheid te bevorderen. En om de toenemende moslimhaat en antisemitisme tegen te gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden