Het Nobelcomité

Hoe eerlijk worden de Nobelprijzen verdeeld? Deze vijf vakgebieden maken structureel meer kans

Beeld Ilse van Kraaij

Goede wetenschap verdient een prijs. Maar het Nobelcomité lijkt vooral oog te hebben voor vakgebieden die al eens eerder zijn beloond.

Wie nog een gokje wil wagen op de winnaars van de Nobelprijzen, heeft nog een paar dagen de tijd. Traditioneel begint het jaarlijkse festival maandagochtend om half twaalf met de bekendmaking van de Nobelprijs voor geneeskunde. Net als andere jaren circuleren ook nu allerlei lijstjes met favorieten. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt vaak getipt voor de vredesprijs, Margaret Atwood voor de literatuur. Maar voor u geld op iemand inzet, wees gewaarschuwd. De tipgevers krijgen zelden gelijk.

Dat geldt nog meer voor de wetenschapsprijzen. Soms is het opgelegd pandoer, zoals voor Peter Higgs die in 2013 de prijs voor natuurkunde won, één jaar nadat het deeltje was aangetoond dat een halve eeuw eerder door hem was voorspeld. Maar doorgaans tovert het Nobelcomité een onverwacht konijn uit zijn hoge hoed. Er zijn zoveel disciplines binnen de fysica – en ook binnen de scheikunde of geneeskunde – met zoveel briljante beoefenaren dat talloze keuzes gerechtvaardigd zijn. Er lijkt geen peil op te trekken.

Dat is niet helemaal waar, bleek deze zomer uit een publicatie in het digitale tijdschrift Plos One. De prijzen gaan heel vaak naar dezelfde vakgebieden. Amerikaanse wetenschappers deelden het gehele terrein van de natuurwetenschappen in 114 disciplines op en ontdekten dat meer dan de helft van de Nobelprijzen bij vijf vakgebieden uitkwam. De meeste disciplines visten al die jaren achter het net. Wil je als gokker een kans maken, dan is het verstandig je geld op één van die vijf te zetten.

Het profiel van een winnaar

Waaraan herken je een toekomstige Nobelprijswinnaar? Aan het ­begin van diens carrière; de laureaten hebben in de vijf jaar na hun eerste artikel twee keer zo veel studies gepubliceerd als hun gemiddelde collega’s. Dat ontdekten Chinese en Amerikaanse wetenschappers dit voorjaar toen ze de loopbanen van alle 545 winnaars in de natuurwetenschappen onder de loep hadden genomen. Bovendien bleken de winnaars vaker in teams te hebben samengewerkt dan de doorsnee wetenschapper en publiceerden ze meer gezamenlijke artikelen.

“Het iconische beeld van het genie dat in afzondering tot zijn grote ontdekkingen komt, deugt niet”, schreven de onderzoekers in het Journal of the Royal Society Interface. “De groten van de wetenschap hebben een sterke voorkeur voor teamwerk.”

Maar een potentiële Nobelprijswinnaar is vooral te kennen aan zijn of haar topwerk. Bijna elke natuurwetenschapper maakt wel een gouden periode door, een tijd waarin alle slimme ideeën of knappe experimenten zijn samengebald. Gemiddeld duurt die periode een jaar of drie à vier. Bij een Nobelprijswinnaar is het meer dan vijf jaar, en velen van hen kennen meer dan één succesperiode. Uiteindelijk hebben de winnaars in hun loopbaan zes keer zoveel artikelen gepubliceerd die qua citaties in de hoogste categorie vallen.

Er is ook een keerzijde. In het jaar na hun prijs krijgen de laureaten met een dip te maken. Hun artikelen worden ineens minder aangehaald. Deels komt het omdat ze een carrièreswitch hebben gemaakt. Het prijzengeld biedt immers de mogelijkheid om iets nieuws te beginnen. Veel winnaars zitten vier jaar later weer op hun oude citatieniveau.

Maar de dip heeft ook te maken met de prijs zelf. Tegenover vakblad Nature klaagden winnaars dat ze na de toekenning vaak niet meer aan hun wetenschappelijke werk toekwamen. Ze mogen niet alleen veel optreden in de media, ze worden ook voor allerlei advieswerk gevraagd. In de hoop dat de glans van de Nobelprijs ook op dat advies afstraalt.

Het onderzoek stond onder leiding van John Ioannidis, arts-epidemioloog aan de Stanford-universiteit in Californië en beroemd om zijn analyses van de kwaliteit van de wetenschap. In 2005 publiceerde hij een artikel waarin hij liet zien dat het merendeel van de gepubliceerde onderzoeksresultaten – met name op medisch terrein – niet deugde.

Nu heeft hij zich dus op de waardering van het onderzoek gestort. In theorie, schrijft hij in de inleiding van zijn artikel, komt bijna elk vakgebied binnen de natuurwetenschappen in aanmerking voor de Nobelprijs. “Maar sommigen vinden dat specifieke richtingen vaker zouden moeten winnen omdat hun vak op de grenzen van de wetenschap stuit en nieuwe ideeën vergt. Anderen draaien dat om: die ideeën trekken de aandacht en worden beloond waardoor andere takken ten onrechte over het hoofd worden gezien.”

Het is een onmogelijke discussie, constateert hij, zo lang we niet weten hoe groot de ongelijkheid is. Welke disciplines zijn favoriet bij het Nobelcomité en hoe groot is hun voorsprong?

Om dat uit te zoeken namen de onderzoekers van alle Nobelprijzen in de natuur-, schei- en geneeskunde tussen 1995 en 2017 het sleutelartikel. Het artikel dat ook het Nobelcomité in zijn laudatio noemt waarin de winnaar zijn of haar idee of ontdekking openbaar maakte. Vervolgens bestudeerden ze de databank Scopus waarin 63 miljoen wetenschappelijke artikelen uit diezelfde periode zijn opgeslagen.

De databank is ingedeeld in twaalf disciplines en ruim 90.000 clusters. Omdat de eerste indeling te grof en de tweede te fijn is, groepeerden ze die clusters tot 114 vakgebieden. En keken vervolgens waar die sleutelartikelen toe behoorden. Vijf vakgebieden (deeltjesfysica, atomaire fysica, celbiologie, neurowetenschap en moleculaire chemie) waren goed voor ruim 36 van de 66 Nobelprijzen (als een prijs was gedeeld, telde een winnaar ook maar voor de helft of een derde mee). De artikelen uit die vijf gebieden waren overigens maar goed voor tien procent van het totaal.

Daar staat tegenover dat 78 vakgebieden in die jaren nooit de Nobelprijs hebben binnengehaald. Dat rechtsgeleerdheid of statistiek nooit hebben gewonnen, is niet zo vreemd. Voor hun richting is er geen prijs. Maar ook de psychiatrie, aardwetenschappen, civiele techniek of virologie (!) werden door het Nobelcomité genegeerd. “Het is logisch dat verschillende vakgebieden verschillende resultaten boeken”, liet Ioannidis in een bijbehorend persbericht weten. “Ook al is elk goed uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek de moeite waard. Maar het is toch opvallend dat in de ene richting één op de duizend onderzoekers kans maakt op de Nobelprijs, en in die andere vakgebieden niemand, ook al leveren tienduizenden wetenschappers prima prestaties.”

En de winnaar is...

Jarenlang werd hij getipt voor de Nobelprijs voor scheikunde. Vorig jaar kregen de voorspellers eindelijk gelijk. John Goodenough was met zijn toen 97 jaar de oudste ontvanger van een Nobelprijs. Hij kreeg hem voor zijn werk aan de lithium-ionbatterij, waar hij al in de jaren vijftig mee was begonnen.

De scheikundeprijs heeft nog zo’n gedoodverfde winnaar die het maar niet wordt. Winnaars eigenlijk. Al een paar jaar heeft menigeen zijn geld gezet op Jennifer Doudna en Emmanuelle Charpentier voor hun werk aan Crispr-Cas, de techniek waarmee met grote precisie genetische veranderingen kunnen worden aangebracht. Daarmee passen ze perfect in de criteria die Alfred Nobel ooit bedacht. Probleem: ze zijn in een heftige patentstrijd verwikkeld. Dikke kans dat het Nobelcomité zijn vingers nog altijd niet aan deze kwestie wil branden.

Voor het overige circuleren er voor de natuurwetenschappelijke prijzen zoveel namen dat er nauwelijks favorieten zijn. Soms prijken er Nederlanders op die lijstjes. Zo wordt Hans Clevers van het Hubrecht Instituut in Utrecht vaker genoemd, vanwege zijn werk aan stamcellen en de ontwikkeling van organoïden, mini-orgaantjes. Heino Falcke van de Radbouduniversiteit in Nijmegen maakt kans, hij was een van de drijvende krachten in het team dat vorig jaar een foto van een zwart gat maakte. En als het Nobelcomité op het idee komt de quantumteleportatie te belonen, komt Ronald Hansen van de TU Delft in beeld. Hij bewees in 2015 dat dit spookachtige fenomeen echt bestaat.

Er rolde nog een opmerkelijk resultaat uit de analyse van de databank. Je zou verwachten dat het artikel waarmee iemand later de Nobelprijs wint, driftig door collega’s wordt aangehaald. Dat viel tegen. Gemiddeld moest zo’n sleutelartikel 435 artikelen vóór laten gaan. Oftewel, in het jaar dat iemand een onderzoek publiceerde dat later de Nobelprijs opleverde, kwamen gemiddeld 435 artikelen uit die vaker – en soms veel vaker – door vakgenoten werden geciteerd. Het Nobelcomité ziet kennelijk veel invloedrijke wetenschap over het hoofd.

Op die regel was één uitzondering. In 2004 beschreven Andre Geim en Konstantin Novoselov in het vakblad Science dat ze een nieuwe vorm van koolstof hadden ontdekt, grafeen. Zes jaar later werden ze daarvoor beloond met de Nobelprijs voor natuurkunde. Hun artikel in Science, waarin ze beschrijven hoe ze hun wondermateriaal maken met hulp plakband en een potlood, is het meest geciteerde artikel uit 2004.

Geim, die nu verbonden is aan de universiteit van Manchester maar veel van zijn grafeenwerk aan de universiteit van Nijmegen had verricht, vertelde tegen de New Scientist blij te zijn met deze uitzonderingspositie. Maar de trend was volgens hem goed te verklaren. “Grote doorbraken verschijnen zelden in een mooie verpakking. De vervolgartikelen zijn over het algemeen accurater en vollediger, en daarmee eenvoudiger te lezen en te begrijpen. Logisch dat die eerder worden aangehaald.”

Sexy

Het is niet duidelijk waardoor de prijzen bij een select aantal vakgebieden terechtkomen. Komt het door de voorkeuren van het Nobelcomité? Of vindt de selectie al eerder plaats en worden vooral kandidaten uit die gebieden voorgedragen? Die vraag was in deze studie niet te beantwoorden. De nominaties worden pas vijftig jaar na de toekenning bekendgemaakt.

Hoe dan ook, de clustering baart Ioannidis zorgen. Er dreigt een tweedeling in de wetenschap te ontstaan, waarbij sommige wetenschappers zich minder belangrijk vinden, enkel en alleen omdat hun vakgebied minder in de schijnwerpers staat. “Het zou gek zijn om te denken dat in elk vakgebied dezelfde doorbraken worden bereikt en grote sprongen voorwaarts”, aldus Ioannidis. “Maar tegelijk is er een zichzelf versterkend proces dat dezelfde richtingen telkens weer bevoordeelt.” De successen genereren immers nieuwe geldstromen en ook de grote vakbladen zoals Science en Nature hebben een voorkeur voor dit soort sexy onderzoek. En de leden van het Nobelcomité richten zich juist op die bladen.

Deze ‘oneerlijke’ verdeling beïnvloedt volgens Ioannidis de keuzes van jonge onderzoekers. “Ook wetenschappers hechten aan prikkels en beloningen. En dus worden ze aangetrokken door vakgebieden waar ze meer erkenning krijgen en meer kans op financiering hebben. De diversiteit van de wetenschap is juist haar kracht en deze clustering doet daar afbreuk aan.”

Lees ook:

De Nobelprijs voor de scheikunde gaat naar... de lithium-ionbatterij

John B. Goodenough leverde in de jaren tachtig zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de lithium-ion batterijtjes, die nu vrijwel alle mobiele apparatuur aan de gang houden, van auto’s tot gehoorapparaten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden