EssayVoorpublicatie

Engels is het nieuwe Latijn

Zo zagen de overdenkingen van Thomas van Aquino er op papier uit .Beeld Biblioteca Apostolica Vaticana

Engels als universitaire voertaal heeft beperkingen en voordelen. Vergelijk het met de positie van het Latijn in de Middeleeuwen, schrijft Frits van Oostrom. 

In mijn vakgebied, de mediëvistiek, is het originele handschrift van Thomas van Aquino, een van de grootste geesten uit de Middeleeuwen, een belangrijk relikwie. Zoals een Britse paleograaf met typisch Engelse wit opmerkte: “The handwriting of an active scholar is traditionally bad, and Saint Thomas makes no exception” (“Het handschrift van een actieve geleerde is gewoonlijk beroerd, en Saint Thomas is daarop geen uitzondering”, red.). Dat vond men trouwens ook in Thomas’ eigen tijd, want reeds in de 13de eeuw stond Thomas’ pootje onder ingewijden bekend onder de roepnaam littera inintelligibilis. In die onleesbare hand schreef Thomas honderd geschriften, 7 miljoen woorden in totaal. Hij overleed al op zijn 49ste.

Dat de geschriften van Thomas van Aquino evengoed een van de invloedrijkste middeleeuwse bronnen werden, was dan ook niet te danken aan hun uitnodigende vorm, maar aan hun geniale inhoud. En ook niet onbelangrijk: een schare mede-dominicanen die de woorden van de doctor angelicus (engelachtige leraar, red.) vliegensvlug in leesbare kopieën verspreidden. En bovenal aan de omstandigheid dat die geschriften waren vervat in een taal die destijds in heel Europa intellectuele voertaal was.

Van Sicilië tot Schotland

Wat moet het voor het intelligente discours van de Middeleeuwen een immens voordeel geweest zijn dat destijds, van Sicilië tot Schotland en van Cordoba tot Krakau, iedereen die serieus onderwijs genoten had, dezelfde taal sprak en schreef! Dat alom aanwezige Latijn was de hoeksteen, en misschien zelfs wel het grondvlak, van wat vermoedelijk het grootste geschenk van de Middeleeuwen aan onze cultuur is geweest, meer nog dan de kathedralen: de universiteit.

Die instelling was in de eerste eeuwen van haar bestaan Europees, op een schaal waar hedendaagse bachelor-, master- en Erasmus-initiatieven bleekjes bij afsteken. In de vroegste eeuwen lag het percentage buitenlandse studenten aan universiteiten in de buurt van 50 procent. ­Iemand als Geert Grote, geboren in een burgerlijk gezin te Deventer, studeerde in Parijs, Keulen en Praag, en ging onderweg langs Jan van Ruusbroec uit Brussel, met wie hij voor het gemak vermoedelijk Latijn sprak.

Thomas van Aquino; altaarstuk van Carlo Crivelli (detail)

Ook in de eeuwen nadien bleef academisch onderwijs zeer internationaal, zelfs toen het succesconcept van de universiteiten dusdanig aansloeg dat men ze dicht bij huis ging stichten. In Antwerpen had in de 16de eeuw de meerderheid van burgemeesters en schepenen in Leuven gestudeerd, maar goede tweede als alma mater was Orléans. Er waren ook alumni van Padua, Pisa, Keulen, Bologna, Dole, Sienna, Ferrara, Rome, Heidelberg, Dowaai, Parijs en Angers.

Volkstalen werden wetenschapstaal

In feite zijn de universiteiten pas nadien, en vooral in de 19de en 20ste eeuw, overwegend nationale instellingen geworden, toen volks­talen zich emancipeerden tot wetenschapstaal. In die periode plooiden ze zich terug op de eigen natie, op een wijze waaruit ze zich vandaag opnieuw aan het bevrijden zijn. Ofwel: kijkend vanuit mijn vakgebied kan ik – zelfs als neerlandicus, trotse winnaar van een Nederlandse literaire prijs en medebedenker van de Canon van Nederland – niet zo schrikken of droevig worden van de opmars van het Engels – lees: het Amerikaans – als het nieuwe Latijn. Ik zie daar zelfs de voordelen van in.

Maar dat ik hier, om het met termen uit de hedendaagse Nederlandse politiek te zeggen, ‘ontspannen in zit’, is ook en vooral omdat ik vanuit ditzelfde vakgebied iets anders weet, en minstens zo gewichtig: dat ingestudeerde vadertaal nooit ingedronken moedertaal zal kunnen evenaren. Dat de kracht van die laatste in alle eeuwen onovertroffen blijft, en dat de unificatie naar het Latijn in kringen van middeleeuwse opgeleiden tegelijk met enorme nadelen gepaard ging, die allesbehalve voor herhaling vatbaar zijn maar juist een mene tekel aan de muur van de cultuurgeschiedenis.

Totale immersie

Ten eerste werkte die unificatie alleen maar dankzij de totale immersie in Latijn. De middeleeuwse academici wijdden zich niet alleen aan lezen, spreken en schrijven in Latijn, maar voegden daar het aspect levensstijl aan toe, waarvoor het celibaat wat mij betreft in zekere zin symbool staat: een leven dat ook veel menselijke mogelijkheden afsloot.

Ten tweede ging het bij dit discours om kwantitatief uiterst beperkte groepen. En bepaald niet alleen intellectueel getalenteerden, maar minstens zo vaak gefortuneerden die toegang kregen tot de gevestigde elite. En let wel: in de Middeleeuwen bezocht ongeveer 1 procent van de 18- tot 25-jarigen de universiteit. De resterende 99 procent stond en bleef daarbuiten.

En zelfs binnen die 1 procent was het soms maar behelpen. In het puur intellectuele vakjargon van Thomas’ littera intelligibilis, met al zijn afkortingen voor ingewijden, ging de communicatie prima. Maar zodra men daarbuiten kwam, werd het al snel armoedig. Recent onderzoek toonde aan dat men in middeleeuwse kloosterkringen eigenlijk maar vrij gebrekkig Latijn sprak: onhandig, boers, lapidair, vol fouten, en met een al te frequent gebruik van sleetse formules bij gebrek aan werkelijke fluency.

Wat dit betreft is het fameuze ‘lateinisches Mittelalter’, hoe indrukwekkend ook, eigenlijk een nogal beperkte cultuur. De echte rijkdom van de Middeleeuwen vinden we intussen in de volkstalen. In het Frans, Duits en Engels, maar ook bij het Spaans, Pools, Noors, Roemeens en Portugees, zonder het Catalaans, Fries, Hebreeuws en IJslands te vergeten. En natuurlijk heel veel in het Middelnederlands.

Feller, rijker en soepeler

In al die talen zien we de de humor, de lief­de, de woede, het protest, hoop en vrees zoveel feller, rijker, soepeler, gekker, geschakeerder en grandiozer uitgedrukt. Dante voelde dit perfect aan toen hij zijn tractaten in het Latijn schreef, maar de ‘Divina commedia’ in het Italiaans – en evenzo Meister Eckhart.

Die twee waren natuurlijk giganten van de geest. Maar hetzelfde gold voor die kleine Vlaamse anonymus die omstreeks 1100 in een Engels klooster beland was waar – godzijdank – Latijn de voertaal was, en op een dag een nieuwe pen beproefde met de kladgeschreven woordjes: abent omnes volucres nidos inceptos sine ego et tu – quid expectamus nunc. Keurig genoteerd, dat wel, maar alleen een stumperig staccato secundaire ondertiteling voor medemonniken die niet begrepen wat hem in zijn moedertaal even tevoren rechtstreeks uit het hart gekomen was en om te beginnen uit de pen gevloeid: ‘hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu – wat unbidan we nu.’

Niet pro- of anti 

De geschiedenis herhaalt zich nooit, maar ze geeft wel in de beste zin des woords te denken. Nemen wij de Middeleeuwen als een verre spiegel, dan zal modern beleid op taalgebied – zo men hier al beleid zou willen voeren – volgens mij alleen maar kunnen werken als het niet eenzijdig is. En zich dus niet eenkennig opstelt pro- of anti-opmars van het Engels, respectievelijk bescherming van het Nederlands, maar tegelijk met het doel om ook de diversiteit te blijven koesteren die, wat mij betreft, ­samen het volle leven vormen.

Frits van Oostrom (1953) is historisch letterkundige en hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht

Beeld Bob Bronshoff

Dit essay is een voorpublicatie uit:

Utopie voor realisten. De verrekijker voor toekomstdenkers.
Met bijdragen van o.a. Herman Van Rompuy, Kim Putters, Geert Bourgeois, Alexander Rinnooy Kan, Jan De Groof en Corien Prins
LannooCampus; 400 blz. € 29,99 

Lees ook:

Het Engels is een probleem van nationaal belang

We trekken ons terug in onze veilige bubbel. Verliezen we het vermogen elkaar te begrijpen en te bereiken? In een serie columns reist journalist Peter Henk Steenhuis langs de grenzen van onze taal op zoek naar de grenzen van onze werelden. Vandaag: het Engels en het Nederlands.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden