ColumnJan Beuving

De elliptische kromme is geen lekkere binnenkomer, zo gelijk na de vakantie

Stel u voor: u staat met een onbekende in de zweterige lift van een ondergrondse parkeergarage. Het is geen grote lift (al zou Ferd Grapperhaus er waarschijnlijk best een huwelijksfeest in kunnen geven).

Het is laat, alle winkels zijn al dicht, u wilt naar huis. Een van de gelige lampen in het plafond flikkert af en toe terwijl u op het knopje -5 drukt. Uw anonieme metgezel kiest -4. Tijdens uw gezamenlijke zwijgen stokt plotsklaps de daling en houdt de lift halt in een niemandsland tussen twee verdiepingen.

Nadat u even gewacht heeft, besluit u toch maar op dat belletje te drukken dat in iedere lift zit. U krijgt de controlekamer krakend aan de lijn en al snel is duidelijk: ze komen u redden, maar het gaat even duren. Zuchtend gaat u zitten. U besluit zich maar even aan elkaar voor te stellen, waarop degene tegenover u zegt: “Ik heb nogal last van flatulentie”.

Geen lekkere binnenkomer.

Ik wil het graag hebben over elliptische krommen. Omdat me dat ook geen lekkere binnenkomer leek, zo gelijk na de vakantie, dacht ik er goed aan te doen te beginnen met een raar verhaaltje.

Voor elliptische krommen moet ik afdalen in de ondergrondse verdiepingen van mijn studententijd. Letterlijk, want de wiskundefaculteit in Utrecht had één collegezaal die zich op kelderniveau bevond. Er waren geen ramen, je stootte je hoofd, zo laag was het, en de ventilatie was niet je dat. Het was dat zaaltje dat uitpuilde toen Gunther Cornelissen, een van de briljantste en aardigste docenten op het instituut, aan het vak elliptische krommen begon.

Elliptische krommen waren in die tijd – ruim vijftien jaar geleden – een beetje de bitcoins van de wiskunde. In de jaren negentig had Andrew Wiles de laatste stelling van Fermat (een eenvoudig ogend getallenprobleem dat niettemin al meer dan drie eeuwen onopgelost was) bewezen met ­behulp van onder andere elliptische krommen en sindsdien ­waren ze hot. Omdat wiskundestudenten ook weleens hip willen zijn, schreven ze zich massaal in voor het nieuwe vak. Ook deze columnist kocht voor 89 euro een knalgeel boek met de titel ‘Rational Points on Elliptic Curves’.

Zonde van het geld, zo bleek me al na anderhalve week: het vak ging al mijn petten te boven. Ik kan u dan ook niet uitleggen wat een elliptische kromme is.

Toch ben ik één ding niet vergeten. De docent opende het eerste college door een overzicht van ­diverse takken van de wiskunde te geven. Ik meen dat hij vier ­gebieden aanwees, die weliswaar allemaal onmisbaar voor de wiskunde waren, maar niet in extreme mate met elkaar verbonden. Maar elliptische krommen vormden een domein dat alle vier die vakgebieden omspande.

Het laatste boek van mijn zomer

Ik moest hieraan denken toen ik deze week het laatste boek van mijn zomer dichtsloeg. Ik las achtereenvolgens ‘De nieuwe rivier’ (Eva Meijer), ‘Restmens’ (Marjolein Visser), ‘Voor altijd voor het laatst’ (Tjitske Jansen), ‘Wij zijn licht’ (Gerda Blees), ‘Het verbrande huis’ (Bodil de la Parra), ‘De onzichtbaren’ (Roy Jacobsen, vertaling Paula Stevens), ‘Bezonken rood’ en ‘Datumloze dagen’ (beide Jeroen Brouwers), ‘Uit het ­leven van een hond’ (Sander Kollaard), ‘Finse dagen’ (Herman Koch) en ‘Buiten de lijnen’ (Frank Heinen). Geen zorgvuldig samengestelde kampioensploeg, maar een bijeengeraapt elftal van goedkope heruitgaves, debuten, toptientafelboeken, nog niet gelezen sinterklaasgiften en zelfs een boek dat ik uit een vakantieparkbibliotheekje plukte.

Maar dan volgt het wonder van de literatuur: als je die boeken, die ogenschijnlijk volslagen ­disjunct zijn, achter elkaar leest, krijgen ze toch iets met elkaar te maken. (‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’, aldus Brouwers in Bezonken rood.) De lezer wordt zelf een elliptische kromme die de rationale punten van de boeken verbindt.

Die curve was in mijn geval een vlechtwerk van drie rode draden: de vraag wat een thuis is, de vraag hoe waar herinneringen zijn en de vraag wat een leven een leven maakt. Maar de curve is voor iedere lezer anders. Kollaards hoofdpersoon Henk zegt dat zijn boeken hem duidelijke lijnen geven; ‘een exoskelet dat het verval van mijn lichaam compenseert’. In zijn boek vond ik de opbeurendste zin: ‘Elke tel geluk is al schitterend’. Een geweldig motto voor het komende seizoen. En bruikbaar als je met een flatulent iemand in een lift vastzit.

 Jan Beuving is wiskundige en caberatier. Hij speelt in zijn column met natuurwetenschappen en taal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden