Bioloog Piet van den Hout: ‘Niet de intensieve ­landbouw is het probleem van onze weidevogels, heet het dan, nee, dat is de vos … Kom op zeg!’

InterviewPiet van den Hout

Bioloog Piet van den Hout onkracht de mythes over de relatie van prooi en roofdier

Bioloog Piet van den Hout: ‘Niet de intensieve ­landbouw is het probleem van onze weidevogels, heet het dan, nee, dat is de vos … Kom op zeg!’Beeld Jeroen van Wijk, Buiten Beeld

In ‘Gevaarlijk spel’ zoekt bioloog Piet van den Hout uit wat de wisselwerking tussen roofdier en prooi betekent voor de natuur. ‘Roofdieren zaaien geen dood of verderf, ze zaaien vooral diversiteit!’

Jarenlang zat hij in zijn eentje met een schrijfboekje in zijn hand, telescoop voor zijn oog en een tulband op zijn hoofd tegen de brandende zon, aan de rand van het wad van West-Afrika. Turend naar kanoeten, kleine wadvogels, wachtte bioloog Piet van den Hout geduldig om te zien welke vogels door een valk zouden worden gepakt en wie de dans zou ontspringen. Jaren na zijn promotieonderzoek naar dat samenspel tussen kanoeten en roofvogels, heeft Van den Hout het onderzoek naar de ­relatie tussen prooi en roofdier verbreed in een boek dat enkele hard­nekkige mythes wil ontzenuwen.

Welke mythes bestaan er over roofdier en prooi?

“De hardnekkigste is waarschijnlijk dat er zoiets zou bestaan als natuurlijk evenwicht. Kleine dieren, zoals muizen of steltopers, planten zich in een ­razend tempo voort en alleen roof­dieren zouden de boel in evenwicht houden. Maar als er al zo’n evenwicht zou bestaan, dan is dat wel een heel ­dynamisch evenwicht.

“Vanuit die evenwichtsgedachte wordt ook vaak gezegd dat een roofdier een prooidiersoort nooit zal uitroeien. Toch zijn er wel degelijk voorbeelden te vinden waarbij predatoren een prooi aan de rand van de afgrond hebben ­gebracht of zelfs er overheen hebben geduwd.”

Dat klinkt niet erg slim: een roofdier dat zijn eigen voedselvoorraad om zeep helpt.

“De best beschreven voorbeelden ­dateren uit de tijd dat de mens ook op het toneel was en daarin een kwalijke rol speelde. Zo hebben wij op verschillende plaatsen katten op eilanden geïntro­duceerd, die vervolgens populaties op de grond broedende vogels hebben ­uit­geroeid. Uit de tijd vóórdat de mens die cruciale rol speelde, zijn er per definitie geen goede bewijzen opgeschreven, maar paleontologen nemen algemeen aan dat vergelijkbare drama’s zich ­hebben afgespeeld toen in het verre verleden landbruggen ontstonden ­tussen continenten. Er kwamen ­nieuwe rovers binnen die korte metten gemaakt moeten hebben met heel veel diersoorten. Maar daarmee hebben ze uiteindelijk ruimte gemaakt voor nog veel meer nieuwe diersoorten.”

Zou dat ook niet een recept zijn voor de Oostvaardersplassen: rovers die grote grazers uitdunnen en zo meer ruimte creëren voor andere dieren?

“Dat lijkt me lastig! Hoe groot het gebied ook is op de Nederlandse schaal, voor roofdieren is het al gauw te klein. Sommige ecologen stellen dat de ­hoeveelheid voedsel in het gebied de aantallen grote grazers vanzelf zal ­reguleren, net zoals dat op de savannes in Afrika gebeurt. Maar daarmee gaan ze voorbij aan het feit dat dieren in ­Afrika kunnen rondtrekken, tussen het natte en het droge seizoen. In de ­Oostvaardersplassen zitten de dieren gevangen in één klimaatzone, in één gebiedje met een hek er omheen. Als je in de Oostvaardersplassen écht een zelfstandig functionerend ecosysteem wilt maken met rovers en prooidieren, dan zul je daarvoor de randvoorwaarden moeten scheppen en het is de vraag of we daar in Nederland alleen wel ­voldoende ruimte voor hebben.”

Kunnen, bij gebrek aan grote ­roof­dieren, jagers die rol van ­‘natuurlijke predatoren’ niet ­overnemen?

“Wie dat beweert, reduceert roofdieren tot simpele killers, tot dieren die nergens anders goed in zijn dan een ander dier doodmaken om het op te eten. Díe rol kunnen jagers natuurlijk prima overnemen: een zwak exemplaar ­selecteren en met een gericht schot dat dier naar de eeuwige jachtvelden ­helpen. Maar roofdieren doen zoveel meer dan dat. Door het complexe samenspel tussen jager en prooi is er in de evolutie vooral heel veel diversiteit in gedrag ontstaan en uiteindelijk ook in diersoorten. Naast leeuwen die in ­groepen op grotere grazers jagen, zijn er cheeta’s ontstaan die zo rank en snel zijn dat ze op impala’s kunnen jagen. En die ­impala’s zijn weer snel en ­wendbaar ­geworden, om cheeta’s te ontwijken.”

Dat klinkt als een prachtig ­evolu­tionair kat-en-muisspel, een ­wapenwedloop tussen jager en prooi. Maar uitgerekend die vermeende wapen­wedloop haalt u in uw boek ook ­onderuit!

“Het is inderdaad heel lastig om in de evolutie een echt samenspel te vinden. Evolutie is vooral een keten van toevallige veranderingen, die vaak slecht en soms goed uitpakken voor een bepaalde soort. Toch zijn er een paar mooie ­voorbeelden van een heel gerichte ­wapenwedloop tussen predator en prooi. 

“Zo leeft in Noord-Amerika de ruwe salamander, die in zijn kleine lijfje meer gif heeft dan je nodig hebt om duizend muizen of twintig volwassen mannen dood te maken. De enige reden voor die overdosis is de kousebandslang, die graag ruwe salamanders eet. Die slang was resistent voor het gif van de ruwe salamanders. In de evolutie heeft de ­salamander zijn dosis verhoogd, waarop de slang weer resistent werd, enzovoorts.

Piet van den HoutBeeld Jelmer de Haas

“Wapenwedlopen zijn minder ­evident dan de meeste mensen denken. Tenslotte zijn uiterlijk en gedrag in de regel van zoveel meer dingen afhankelijk dan alleen het kat-en-muisspel ­tussen een enkele roofdiersoort en een enkele prooidiersoort.”

Zal er in Nederland, naast ­slecht­valken, zeearenden, vossen en marters, ooit weer plek komen voor grote ­predatoren?

“Dat vraag ik mij af. We zien helaas ­grote roofdieren nog steeds vooral als een probleem. Niet de intensieve ­landbouw is het probleem van onze weidevogels, heet het dan, nee, dat is de vos... Kom op zeg! De recente komst van de wolf belooft wat dat betreft ook niet veel goeds. Jagers willen de wolven zelfs afschieten omdat ze aan hún jachtwild komen. De directeur wil ze niet in de Hoge Veluwe toelaten omdat daar uitgezette moeflons leven. Ook schapenhouders zijn ze liever kwijt dan rijk.

“Gelukkig zijn er ook mensen die blij zijn met wolven. We zijn een ­steenrijke samenleving, dus dan ­hebben we volgens mij ook de plicht om de dieren die we houden, zoals schapen,  adequaat te beschermen ­tegen wolven. En die andere, niet-­gehouden dieren ­moeten we wat meer credits geven. Als we wat meer vertrouwen op het ­zelforganiserende vermogen van ecosystemen, door ze letterlijk en figuurlijk meer ruimte geven, komt het met zowel rovers als prooien wel goed. Maar zolang we dat niet doen, wordt het heel lastig voor een Nederlandse wolf.”

Piet van den Hout, Gevaarlijk spel. Over roofdieren en hun prooien, uitg. Atlas Contact, 224 pp., € 22,99

Lees ook:

Hoe de Oostvaardersplassen er nu bij liggen, na felle discussies over herten, het waterpeil en jonge boompjes

Het waterpeil in het moeras gaat omlaag, dammen en kaden worden opgeworpen, slenken gegraven en jonge boompjes aangeplant

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden