Koningin Juliana spreekt in de Ridderzaal de Troonrede uit in 1956. Links prins Bernhard, rechts prinses Beatrix, die voor het eerst de toespraak bijwoonde.

TerugblikDe derde dinsdag

Zo verging het eerdere demissionaire kabinetten op Prinsjesdag

Koningin Juliana spreekt in de Ridderzaal de Troonrede uit in 1956. Links prins Bernhard, rechts prinses Beatrix, die voor het eerst de toespraak bijwoonde.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Plannen voor het komend jaar presenteren terwijl dat niet mag. Dan moet Prinsjesdag wel uitlopen op een surrealistisch toneelstuk. Een terugblik naar drie jaren met Troonredes van drie demissionaire kabinetten in 1956, 1977 en 1989.

En plots stonden er drie tronen in de ­Ridderzaal: een grote voor koningin Juliana, een kleinere rechts van haar voor prins Bernhard en nog zo een voor prinses Beatrix. Die was in 1956 achttien jaar geworden en mocht voor het eerst Prinsjesdag bijwonen. Voor het laatst zou de vorstin een Eerste Kamer met vijftig en een Tweede Kamer met honderd leden toespreken. Een Grondwetswijziging bepaalde dat ze elk anderhalf keer zo groot zouden worden.

Maar kwam er wel een opening van het parlementaire jaar? Nederland was half juni naar de stembus gegaan, maar een nieuw kabinet zat er nog niet. De formatie verliep zeer moeizaam. De Telegraaf vermoedde dat ‘de derde dinsdag’ toch gewoon door kon gaan: “Men verzekerde ons dat ook bij een demissionair kabinet in feite aan een luisterrijke viering van Prinsjesdag en dus de opening van de zitting der Staten-Generaal door koningin Juliana en de pracht en praal van de gouden koets niet in de weg behoeft te staan. De Troonrede zou in dat geval belangrijk korter kunnen zijn dan anders, hetgeen door velen alleen maar een voordeel wordt geacht.”

De Troonrede als ‘volkomen leeg staatsstuk’

Prinsjesdag 1956 ging ondanks de demissionaire status van het tweede kabinet-Drees ‘met alle luister’ door en de koningin kon het inderdaad kort houden. Iets meer dan achthonderd woorden sprak ze uit. Het meest uitgebreid ging de vorstin nog in op de internationale situatie, met name op ­toenemende spanningen in het Midden-Oosten. Juliana had daarnaast een paar mooie woorden voor de overzeese gebiedsdelen Suriname, de Antillen en Nieuw-Guinea. Net als nu kampte Nederland met een wooncrisis. Het ging minder dan nu om betaalbaarheid, maar nog meer om beschikbaarheid. De Troonrede noemde het tekort aan huizen ‘de zwaarste nood’ waaronder het volk leed. “Aan woningbouw wordt de grootste prioriteit gegeven.”

“Onder deze omstandigheden kunnen geen plannen worden voorgelegd”, luidde de openingskop van het Algemeen Handelsblad. In een hoofdredactioneel commentaar sprak de krant van ‘een volkomen leeg staatsstuk’. Een zin uit Trouw van destijds kan anno 2021 eigenlijk probleemloos worden herplaatst: “Ondanks de uitwendige vrolijke schijn van Prinsjesdag werd deze overschaduwd door de onmacht van onze parlementaire democratie om tot een verantwoord kabinet te komen”.

Koningin Juliana en prins Bernhard tijdens de voordracht van de Troonrede in 1977. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Koningin Juliana en prins Bernhard tijdens de voordracht van de Troonrede in 1977.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Ook de toenmalige voorzitter van de ­Eerste Kamer, de PvdA’er Jan Jonkman, had woorden van gelijke strekking laten horen. Hij kreeg de indruk “dat de bereidheid tot samenwerking in redelijkheid en door vergelijk – welke in ons staatsbestel van ‘checks and balances’ ten slotte behoort te overheersen – te lang op de achtergrond blijft”.

Eind september werden PvdA en de drie voorlopers van het CDA, KVP, CHU en ARP het alsnog eens over een regeerprogramma. Maar de jarenlange rooms-rode samenwerking liep nu echt op haar eind. Dik twee jaar later barstte de bom en viel het vierde en laatste kabinet-Drees.

Spanningen tussen Den Uyl en Van Agt

Op Prinsjesdag in 1977 boterde het opnieuw niet tussen rooms en rood. De Tweede Kamerverkiezingen dateerden van mei en de formatie zat muurvast. De PvdA, die tien zetels won, stuurde aan op een tweede kabinet-Den Uyl. De drie confessionele partijen, die voor het eerst als CDA meededen, vonden dat de sociaaldemocraten overvroegen. Alles kwam samen in de uiterst gespannen verhoudingen tussen de twee politieke leiders, Joop den Uyl en Dries van Agt.

De tweede onderhandelaar van de PvdA, Ed van Thijn, hield de hele formatie een dagboek bij en noteerde ook wat hij op de derde dinsdag van september zag gebeuren in de Ridderzaal: “Ik zie Joop breed grijnzen. Zijn ogen zoeken die van Dries. Hij grimast. ‘Sufferd’, denk ik. Dries grimast vriendelijk terug, maar hij lijkt niet echt geamuseerd. ­Anderen in zijn omgeving kijken ronduit woedend.”

Dat Van Thijn zijn politieke baas sufferd noemde, had te maken met dat grijnzen. Bij de lange duur van de coalitieonderhandelingen past eerder een bedrukte blik.

Noemen van ‘begrijpelijke bezorgdheid’ over de formatievoortgang wekte irritatie

De koningin had bij het voorlezen van de Troonrede in 1977 alleen prins Bernhard naast haar zitten. Hij droeg voor de tweede maal geen uniform tijdens Prinsjesdag, een straf na het Lockheedschandaal. De eerste zin die Juliana uitsprak was: “De lange duur van de kabinetsformatie, na een verkiezingsuitslag die toch door velen als duidelijk is ervaren, wekt onder de huidige omstandigheden begrijpelijke bezorgdheid”. Het stond er namens het demissionaire kabinet, maar minister van justitie Van Agt vond de formulering ongelukkig. Was dit kritiek op de vertragende tactieken van het CDA? Den Uyl bestreed dat. Hij had het over ‘een zeer geobjectiveerde constatering’.

Net als in 1956 was de Troonrede kort. De koningin kwam met wat bespiegelingen over de internationale situatie (inspanningen waren nodig voor meer ontspanning in de relatie tussen Oost en West) en de wereldeconomie (‘tekenen van stagnatie’). De gijzelingsacties in een trein in De Punt en een school in Bovensmilde dreunden ook nog na: “De regering is bezorgd over bepaalde ontwikkelingen binnen de Zuid-Molukse bevolkingsgroep en rondom de positie van deze groep in de samenleving. (…) Laat er wederzijdse verdraagzaamheid zijn en respect voor de beginselen van de rechtsstaat.”

Een beetje over zijn spoedige graf heen regeren kon het kabinet-Den Uyl niet laten. Plannen konden er niet gepresenteerd worden, maar niemand kon het verbieden om een aantal zaken als urgent te benoemen: “Onverschillig of het nieuwe kabinet getrokken beleidslijnen doortrekt, zullen op een breed terrein van onderwijs en welzijn, van volksgezondheid en milieubeheer, van bestuur en rechtsbedeling ingrijpende beslissingen genomen moeten worden. In de achter ons liggende periode zijn immers op al deze terreinen veranderingen op gang ­gekomen, die om uitwerking en voltooiing vragen.”

Onenigheid over de poppetjes

Ed van Thijn werd die avond geïnterviewd door Joop van Tijn, journalist van Vrij Nederland. “Ik heb de indruk”, zei die, “dat het CDA bezig is om tot elke prijs de glans die er van Den Uyl afstraalt na de verkiezingsoverwinning, de glans van de PvdA, dus ook van u, om die zo snel mogelijk te niet te doen, door zo lang mogelijk te formeren.” Onderhandelaar Van Thijn antwoordde: “Nou, ik weet niet of dat de bedoeling is, maar dat zal in ieder geval niet lukken”. In zijn dagboek schreef hij erover: “Ik kan toch moeilijk zeggen dat dit inderdaad de bedoeling is en dat het hoogstwaarschijnlijk gaat lukken”.

Het tweede kabinet-Den Uyl kwam er ­inderdaad nooit. Grote onenigheid over de poppetjes in het kabinet leidde tot een ­definitieve breuk tussen PvdA en CDA. Laatstgenoemde partij had daarna maar een maand nodig voor de vorming van een kabinet met de VVD. Van Agt voelde met Hans Wiegel de chemie die in contacten met Den Uyl heel ver weg bleef.

Dat er met Prinsjesdag in 1989 – koningin Beatrix was inmiddels bijna tien jaar koningin – sprake was van een demissionair kabinet, had te maken met een crisis in het vroege voorjaar. Toen zei VVD-fractievoorzitter Joris Voorhoeve het vertrouwen in Lubbers II op. Het Nationaal Milieubeleidsplan van milieuminister Ed Nijpels was in de ogen van zijn eigen liberale achterban wel erg ambitieus. Maar de financiering ervan via de portemonnee van de automobilist (het reiskostenforfait) stuitte de VVD, die zich destijds al manifesteerde als vroem­partij, helemaal tegen de borst.

Prinsjesdag 1989. Beeld Hollandse Hoogte / Nationaal Fotopersbureau
Prinsjesdag 1989.Beeld Hollandse Hoogte / Nationaal Fotopersbureau

Prinsjesdag 1989 vond tien dagen na de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen plaats. De informatie was net begonnen. De Troonrede was veel langer dan die in 1956 en 1977, maar dat was voor een belangrijk deel terug te voeren op Lubberiaanse wolligheid. Trouw schreef in haar hoofdredactioneel commentaar dat andere demissionaire premiers “zich in vergelijkbare omstandigheden minder kleurloos van hun taak kweten”. De krant sprak van een ‘mistige Troonrede’. Lubbers “kijkt niet vooruit. Hij kijkt niet achteruit. Hij verantwoordt zich niet voor het gevoerde beleid en trekt daaruit geen lessen voor de toekomst.” Sommigen zullen die woorden linken met Prinsjesdag 2021 en de vermeende visieloosheid van Mark Rutte zien.

‘Een wat pregnantere analyse had geen kwaad gekund’

Het commentaar van NRC Handelsblad na de Troonrede van 1989 begreep dat die vanwege het demissionaire karakter van het kabinet minder uitgesproken moest zijn. Maar zelfs in deze omstandigheden had het uit­gesprokener gekund, nee zelfs gemoeten. Over de belasting voor het milieu door alle autorijdende forenzen zei de Troonrede: “Pijnloze oplossingen zijn niet voorhanden”. Maar dat wist iedereen al. “Een wat pregnantere analyse had geen kwaad gekund”, vond NRC Handelsblad. Die krant uitte ook kritiek op het aandragen van ‘scholing en werkervaring’ als oplossing voor de hoge werkeloosheid onder migranten, “terwijl iedereen inmiddels toch wel weet dat niet alleen gebrekkige beroepskwalificaties de allochtone Nederlanders de das om doen, maar nog veel meer het im­pliciete racisme op de arbeidsmarkt”.

Naoorlogse kabinetten die demissionair waren tijdens Prinsjesdag

Demissionair op 13 juni 1956: Drees II (PvdA-KVP-ARP-CHU), demissionair vanwege verkiezingen. Aantreden nieuw kabinet: 13 oktober 1956.

Demissionair op 22 maart 1977: Den Uyl (PvdA-KVP-ARP-PPR-D66), kabinet viel vanwege onenigheid over grondpolitiek. Aantreden nieuw kabinet: 19 december 1977.

Demissionair op 8 september 1982: Van Agt III (CDA-D66), demissionair vanwege verkiezingen. Aantreden nieuw kabinet: 4 november 1982.

Demissionair op 2 mei 1989: Lubbers II (CDA-VVD), kabinet viel over onenigheid over reiskostenforfait. Aantreden nieuw kabinet: 7 november 1989.

Demissionair op 20 februari 2010: Balkenende IV (CDA-PvdA-CU), kabinet viel over onenigheid over militaire missie Uruzgan. Aantreden nieuw kabinet: 14 oktober 2010.

Demissionair op 23 april 2012: Rutte I (CDA-VVD en gedogende PVV), kabinet viel over mislukken onderhandelingen over bezuinigingspakket.

Demissionair op 14 maart 2017: Rutte II (VVD-PvdA), demissionair vanwege verkiezingen. Aantreden nieuw kabinet: 26 oktober 2017.

De buitenlandpassage in het door koningin Beatrix voorgelezen stuk bewees al snel de betrekkelijkheid van de Troonrede. “In verscheidene delen van de wereld is er sprake van een streven naar meer vrijheid en een democratische rechtsorde. Steeds wijder wordt erkend dat deze ontwikkeling ook de beste basis biedt voor een rechtvaardige en welvarende samenleving. Zo doen zich in een aantal Oost-Europese landen ­bemoedigende veranderingen voor. Deze verdienen steun en sympathie, in woord en daad, opdat de kille scheiding door het IJzeren Gordijn steeds meer plaatsmaakt voor samenwerking en goed nabuurschap.”

Niemand kon op dat moment vermoeden hoe snel het dat najaar zou gaan. Laat staan dat ruim anderhalve maand later de Berlijnse Muur zou vallen.

Hoedjes, met en zonder politieke statements

Meer nog dan op ‘normale’ Prinsjesdagen viel in jaren met een Troonrede van een demissionair kabinet de nadruk op alle randversiering rondom de opening van de Staten-Generaal. In 1977 viel bijvoorbeeld een nieuw VVD-Kamerlid op, Erica Terpstra. Ze kwam naar de Ridderzaal met een hoed op. Buiten de koninklijke familie en een vertegenwoordigster van het corps diplomatique droeg niemand een hoofddeksel.

Terpstra’s hoed baarde opzien. Het waren niet per se de jaren van het ‘chique kleden’ voor iets feestelijks. Rondom alles wat naar traditie rook, hing een sfeer van ouderwetsheid en elitarisme. Terpstra verdedigde haar keus hartstochtelijk: als ze op zo’n feest van de democratie geen hoed droeg, wanneer dan nog wel.

Ze hield vol en kreeg meer navolging. De hoedjes, met en zonder politieke statements, maken nu deel uit van de folklore rond Prinsjesdag.

Lees ook:

Veel surrealistischer zal Prinsjesdag niet gauw worden

Het zou de feestelijke opening van het politieke seizoen moeten zijn, maar Prinsjesdag speelt zich af in een surrealistische sfeer. Met een parlement dat zichzelf in de wacht heeft gezet terwijl er elke dag politieke ontploffingen zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden