InterviewZorg

Twijfel, angst en frustratie, dat voelden zij door het onbeschermd werken

Dorien SpiesBeeld Werry Crone

Er was waardering, zeker, maar buiten de ziekenhuizen voelden de ‘helden van de zorg’ zich de afgelopen maanden ook in de steek gelaten. Nu de situatie normaliseert, vertellen drie van hen hun verhaal. ‘Ik had me nooit gerealiseerd dat wij onderaan stonden.’

Dorien Spies (36), verzorgende Individuele Gezondheidszorg (IG) in verpleeghuis Erasmus in Leeuwarden

“Ook al zitten wij in Friesland, ik heb nooit de illusie gehad dat we in het verpleeghuis corona konden buiten houden. Daarvoor raakt onze doelgroep te makkelijk besmet. Maar, hoe zal ik het zeggen, ik vond met mijn zorgen geen gehoor. Op televisie zag ik mensen in ziekenhuizen in beschermende kleding. En wij dan? Als wij al mondkapjes hadden, waren het vaak slechte. Een aantal van mijn collega’s is goed ziek geweest. Hoesten, benauwdheid, het heeft geheerst op onze afdeling. Ik had het ook. We konden ons niet laten testen. Het protocol bij klachten was gewoon door te werken, behalve bij koorts. Dat had ik niet. Maar ik ben zeker bang geweest. Gefrustreerd ook.

Wij geven intensieve zorg. Ook in deze tijd heb ik een arm om mensen heen geslagen, nabijheid geboden. Wie moest het anders doen? Juist als er geen familie mag langskomen en er geen activiteiten zijn, is het zo noodzakelijk. Hét moment van de dag is wanneer ik binnenkom. In het begin was ik er wel mee bezig. Afstand houden, voorzichtig zijn. Ik werd er gek van, het lukte niet. Op een gegeven moment liet ik die gedachten los. Ik accepteerde dat het misschien onvermijdelijk was om met corona in aanraking te komen.

Vooral mentaal zijn de afgelopen maanden zwaar geweest. Het niet weten of er corona op onze afdeling was, vond ik pittig. Achteraf denk ik dat er alleen griep heerste, anders waren de bewoners ook wel besmet geraakt. Zij testten negatief. Op een andere afdeling in ons verpleeghuis heeft het virus wel toegeslagen. Twee bewoners zijn overleden, één heeft het overleefd. Een collega werd in benauwde toestand naar het ziekenhuis gebracht.”

Moest ik geen ander werk zoeken?

“Buiten het verpleeghuis heb ik mezelf veel contacten ontzegd. Met mijn ouders bijvoorbeeld en mijn drie zussen. Zij hebben ook kinderen, ze spelen vaak met die van ons. Maar ik was een risico. Als er corona in de familie zou komen, was ik de veroorzaker. Er is een tijd geweest dat onze kinderen ook niet met vriendjes in de buurt mochten spelen. Dat vond ik moeilijk. Nu weten we dat kinderen relatief veilig zijn, toen nog niet.

Mijn man vroeg me of ik geen ander werk moest zoeken. Maar juist in deze tijd moet ik er voor de mensen zijn. Thuis hield ik het soms minder goed vol. Ik redde het niet om onze kinderen volledig bij te staan met hun lesprogramma. Voor mijn man uit Bangladesh was dat ook moeilijk. Dat wij tot een cruciale beroepsgroep behoren, heeft mij gesteund. We maakten gebruik van de noodopvang op school, anders werd het te zwaar. Ik moest overeind blijven.

Ik heb met verbazing gekeken naar leraren die zich afvroegen of ze wel voor hun groep wilden staan. Zij werken met kinderen, wij met kwetsbare ouderen. Wij hadden geen keuze en konden maar beperkt beschermende kleding gebruiken. Zo zijn er meer aan wie ik me heb gestoord. Een van onze bewoonsters zit de hele dag in haar rolstoel. Het enige wat ze doet, is televisie kijken en bellen met haar kinderen. Tijdens een storing weigerde het telecombedrijf een monteur te sturen. Die vrouw heeft wekenlang niets kunnen doen. Hoe alleen ben je dan?

Familieleden van bewoners hebben ons veel waardering gegeven. Een bloemetje, soms wat lekkers. Wij konden hun naasten wel troosten, zoals de spastische vrouw die van achter het hek hoorde dat de hond van haar zus was overleden. Op dat moment is het mooi een arm over de schouder te kunnen leggen. Daar ben ik wel trots op. En het is fijn om mijn verhaal een keer te mogen doen.”

Beeld Werry Crone

Nandl Lokhorst (45), sociaal-psychiatrisch verpleegkundige bij GGZ Rivierduinen in Zoetermeer

“De eerste zes, zeven weken van het coronavirus heb ik geen mondkapje gezien. We hadden in ons centrum drie beschermende pakken voor ongeveer twintig verpleegkundigen. Drie. Er was gewoon niets. Kwam ik tegelijk met een wijkverpleegster binnen bij een man van zeventig bij wie een katheterzak moest worden vervangen: zij met mondkapje en handschoenen, ik in mijn gewone kleren. Dat is niet uit te leggen.

Voordat er corona kwam, had ik me nooit gerealiseerd dat de GGZ onderaan stond. Het was zuur om daar achter te komen. In het begin ging alle aandacht uit naar de ic’s, vervolgens naar de verpleeghuizen en een beetje de wijkverpleging. Wij zijn een vergeten doelgroep geweest. Dat deed pijn, absoluut. Ik heb ook geen idee waarom het zo was. Nou ja, de ic’s zijn misschien wat sexier voor de media. En de verpleeghuizen die op slot gingen, waren confronterend voor wie daar zelf ouders heeft zitten. Maar juist onze cliënten staan al onderaan de ladder van de maatschappij. Door medicatie en een slechte levensstijl behoren ze zeker tot de risicogroep.

Ik werk voornamelijk in de ambulante zorg, daarnaast in de crisisdienst. Huisbezoeken mochten niet meer. We moesten veel via de telefoon doen, tenzij er een medische noodzaak was. Maar ik moet mensen medicatie geven. Aan de deur vroeg ik dan of ze klachten hadden. Bang ben ik soms wel geweest. Eén patiënt voelde zich niet lekker en hoestte veel. Dat vertelde ze terwijl ik al tien minuten binnen zat. Bij binnenkomst had ze gezegd geen klachten te hebben. Kon ik besmet zijn geraakt? Daar dacht ik naderhand wel een tijd over na.”

Cliënten wilden menselijk contact hebben

“Ja, ik heb mezelf op het tweede plan gezet. De patiënt ging altijd voor. De organisatie regelde in de beginperiode veel op ict-gebied, zodat we bijvoorbeeld konden videobellen. Met mijn collega’s dachten wij liever na hoe we in coronatijd een injectie konden zetten. Weken later kregen we daar een concept voor, dat was mosterd na de maaltijd. We hadden het onderling al voor elkaar.

De strakke afspraken lieten we al snel los. Cliënten wilden menselijk contact hebben, vroegen of het mogelijk was om elkaar echt te spreken. Met sommigen ben ik wandelingen gaan maken. Het sociale aspect is heel belangrijk, we proberen deze mensen weer een rol in de maatschappij te geven. Bovendien zie ik tijdens een ontmoeting ook meer. Aan de ogen en lichaamshouding kan ik afleiden hoe het met iemand gaat, tijdens een videoverbinding lukt dat niet.

In de elf jaar dat ik hier werk, was dit zeker een van de zwaarste perioden. Vooral ook doordat cliënten hun eigen gedachten over corona hebben. Ik heb een patiënt die er heilig in gelooft dat drie jaar geleden in Duitsland al een vaccin is ontwikkeld, waarmee tegelijk een chip wordt ingebracht en mensen kunnen worden gevolgd. Anderen denken dat corona helemaal niet bestaat. Alles is nep, zeggen ze. En dus vinden ze het ook niet nodig om afstand te houden.

Met familieleden van patiënten heb ik lastige gesprekken moeten voeren. Iedereen was gebonden aan strenge regels en dan kwam ik even zonder bescherming binnen anderhalve meter. Natuurlijk was ik een groot risico, zowel voor hen als voor mezelf. ‘Jij besmet mijn zoon, ik ga bij de apotheek zelf wel mondkapjes voor je halen’, zei een moeder. Alsof ze daar nog voorradig waren.

Inmiddels ben ik het stadium van boosheid gepasseerd, er is meer gelatenheid. Door buiten de kaders te denken, hebben we toch goede zorg kunnen bieden. Drie weken geleden heb ik eindelijk mondkapjes gekregen. Dat was nog mooi voordat de Nederlanders weer het terras op mochten.”

Beeld Werry Crone

Pauline Arts (48), wijkverpleegkundige bij ZZG Zorggroep in Groesbeek

“De persoonlijke veerkracht die ik bij sommige patiënten heb gezien, zal ik nooit vergeten. Zelfs in tijden van groot verdriet, is er vaak nog een lichtpuntje. Een van onze cliënten was al ernstig ziek en had nog enkele maanden te leven. Corona bracht dat terug tot een week. Heel knap hoe hij daarmee omging en er toch nog het beste van maakte. Het genieten van het moment dat je je minder benauwd voelt, een kleinkind zien via de video. In die laatste fase gaat het erom toch nog een geluksmoment te vinden.

De Nederlandse aanpak heeft daar niet bij geholpen. Ik ben echt gefrustreerd geweest over het testbeleid. Mensen met een vermoeden van corona kregen daarover geen zekerheid. Daardoor klopten RIVM-cijfers niet, maar durfden mantelzorgers ook niet meer te komen. Het is zo belangrijk om zeker te weten of je besmet bent, dat had veel leed kunnen besparen. Patiënten kunnen aan iets anders zijn overleden, ze hebben in de laatste fase dan niet hun familie om zich heen gehad. Vrijwilligers uit de palliatieve zorg en zzp’ers uit de nachtzorg komen ook niet bij corona. 

Zelf zit ik in een regionaal coronateam. We verzorgen alle besmette of vermoedelijk besmette patiënten in Zuid-Gelderland. Tot nu toe zijn dat 298 mensen, van wie er 29 thuis zijn overleden. We begonnen met 12 verpleegkundigen, op het hoogtepunt hadden we er dertig. Elke dag ga ik ingepakt de deur uit. Tot de lunch mag ik niet eten, drinken of naar het toilet, anders kost het ons een set. Het is onprettig werken, zeker als het heet is. En door het mondmasker kan ik minder goed ademen. Onder normale omstandigheden is het te gek voor woorden, maar de situatie is niet normaal. We denken altijd vooruit, willen straks ook nog voldoende beschermingsmiddelen hebben.”

Alsof we van het ene op het andere moment een film instapten

“Ik heb het werk een tijd heel pittig gevonden. Zeker het begin was onheilspellend. We zagen het virus vanuit Brabant onze kant uitkomen. Het was alsof we van het ene op het andere moment een film instapten. Ik moest me schrap zetten, daar gingen we. Ineens zag ik zo veel ziekte, zo veel sterfgevallen, zo veel verdriet en onmacht. Veel mensen zullen me altijd bijblijven. Patiënten die niet meer aanspreekbaar waren, familieleden. Zoals de man met smetvrees die niet bij zijn zieke moeder op de slaapkamer durfde te komen, maar wel tot haar dood in het appartement bleef.

In deze tijd ben ik extra blij met hoe ik woon. Dichtbij de polder en het bos, in een huis met een tuin. Daardoor kan ik het werk een beetje van me afzetten. Al geldt binnen ons gezin ook de anderhalvemeterregel. Eten doen mijn man en ik schuin tegenover elkaar aan tafel, onze zoon zit voor de televisie. We denken bewust na bij alles, ik mag het virus echt niet krijgen. Het trekt best een zware wissel op ons.

Het werk was enigszins tot rust gekomen. De laatste tijd zien we toch weer een toename van het aantal patiënten, al zijn de klachten gemiddeld genomen minder. Ik weet niet of het komt doordat de scholen weer open zijn, het testbeleid is natuurlijk ook veranderd. Ik schrik daar wel van. Mensen worden door de versoepelingen minder voorzichtig. Of ik een tweede golf zou aankunnen? Als het moet, gaan we gewoon weer met zijn allen. In heftige tijden kan ik blijven doorgaan. Het zou alleen fijn zijn als mensen beseffen wat er in de wijkverpleging dan gebeurt. Corona speelt zich echt niet alleen af in de ziekenhuizen en ik wil net zo veilig kunnen werken als een collega op de ic.”

Lees ook: 

Corona sloeg snoeihard toe bij Arie (63): hij lag 50 dagen op de intensive care

Corona sloeg snoeihard toe bij Arie van Beem (63). Hij lag maanden in het ziekenhuis. De weg terug zal lang zijn, en zwaar. Maar Arie is vooral blij dat hij nog leeft. De rest komt vanzelf, stelt hij. Zijn dochter: ‘Ik heb het gevoel dat pa ons gaat verbazen’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden