Aankomende studenten tijdens de introductie in Eindhoven.

Interview Robert-Jan Smits

Toegankelijker onderwijs of excellentie? Voor de baas van de TU Eindhoven is de keus simpel

Aankomende studenten tijdens de introductie in Eindhoven. Beeld Rien Boonstoppel

Nederland verwaarloost het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Het kabinet moet nu eens duidelijk kiezen wat het wil, zegt de kersverse collegevoorzitter van de TU Eindhoven, Robert-Jan Smits, aan het begin van het academische jaar.

Na dertig jaar tot op het hoogste niveau in Brussel te hebben gewerkt, streek hij dit voorjaar neer in Brabant. Robert-Jan Smits was directeur-generaal onderzoek, ontwikkeling en innovatie van de Europese Commissie en is sinds 15 mei voorzitter van het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).

Goed geland?

“Dit is een geweldige plek. De TU is een no-nonsense universiteit, het draait hier om het opleiden van de beste ingenieurs en verder geen poeha. Er was niet eens een voorzittershamer om over te dragen. Omdat we toch een symbool wilden hebben, hebben we die laten maken. Maar, een hamer van glas. Omdat je daar voorzichtig mee moet omgaan én omdat we hier in huis een van de beste glasblazerijen van Europa hebben.”

Om deze universiteit heen is de afgelopen ­decennia de meest innovatieve regio van ­Nederland gegroeid.

“De bedrijvigheid hier is enorm. En wat meteen opvalt: de saamhorigheid en de trots op de regio. Ik kreeg na mijn aanstelling uitnodigingen voor allerlei bijeenkomsten en vroeg mijn voorganger Jan Mengelers welke ik kon laten lopen en waar ik absoluut heen moest. Jan zei: ‘Je moet in ieder geval naar de jaarbijeenkomst van de Eindhovense fabrikantenkring’.

“Dat was fantastisch. Een zaal vol met vertegenwoordigers van allerlei bedrijven, groot en klein. Die stonden om de beurt op om in drie minuten te vertellen hoe het afgelopen jaar was geweest en wat ze verwachtten voor het komend jaar. Ik heb een beetje mee zitten tellen en zat aan het eind van de avond op een gezamenlijke omzet van die bedrijven van 72 miljard euro. Let op: daar zitten geen banken of verzekeraars bij, dat is allemaal maakindustrie.

“Ik ben daar vriendelijk ontvangen. Maar echt enthousiast werden ze toen ik vertelde dat ik uit Waalwijk kom. Ik ben in heel veel Europese regio’s geweest maar deze trots en saamhorigheid heb ik zelden gezien. Hier in Brabant gunt men elkaar iets, er is solidariteit. Dat maakt de regio enorm sterk. De studententeams die hier werken aan zonneauto’s en al die andere wedstrijden, gaan zelf naar bedrijven in de regio voor sponsoring en ze krijgen die ook. Brabant heeft zijn kracht gevonden in de crisis. Daf ging failliet, Philips verdween en de regio heeft zichzelf aan de haren uit het moeras getrokken. Op de shirts van PSV staat geen Philips meer, maar Brainport Eindhoven. Dat zegt alles.”

U heeft dertig jaar meegebouwd aan het Europese beleid voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie. U kent de wetenschappelijke en technologische prestaties van alle lidstaten. Hoe doet Nederland het?

“De Nederlandse wetenschap is top. Bij de ERC (de European Research Council, een EU-orgaan dat individuele beurzen toekent voor toponderzoek, red.) steekt Nederland er met kop en schouders bovenuit. Als je kijkt welke landen daar de meeste beurzen weghalen, dan zijn dat Zwitserland, Israël (geen EU-lidstaten maar wel deelnemers aan de Europese onderzoeksprogramma’s, red.), Groot-Brittannië en Nederland. In die landen gebeurt het. Dat doet Nederland heel knap.

“Tegelijk laat Nederland het afweten. Die toppositie is gebouwd op investeringen van decennia geleden. Nu blijft Nederland achter bij de ambitie die het zelf heeft geformuleerd. Er zou 3 procent van het bruto binnenlands product worden besteed aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Dat was de afspraak in Europa. De Scandinavische landen zitten al lang op dat niveau, de Duitse regering heeft gezegd dat ze naar 3,5 procent wil, en Nederland blijft net boven de 2 procent steken. Met hun investeringen zullen andere landen, Duitsland voorop, enorme zuigkracht ontwikkelen. Nederland wilde tot de mondiale top-vijf van kenniseconomieën behoren, dat was de ambitie. Dat kunnen we vergeten, als er niet heel snel iets gebeurt.”

Wat zou er moeten gebeuren?

“Er moet een deltaplan komen voor onderwijs en onderzoek. Een deltaplan dat sectoren, regio’s, politieke partijen en kabinetsperiodes overspant. We zien in internationale vergelijkingen dat het niveau van het Nederlands onderwijs achteruit holt. Het wetenschappelijk onderzoek zal volgen. Als je tot de top wilt behoren, moet je investeren. Dat doet Nederland veel te weinig.

“En dat zou ik begrijpen als er geen geld was, maar er is geld zat. Meevallers worden gebruikt om de staatsschuld af te lossen. Waarom in vredesnaam? De rente is praktisch nul! Waarom bouw je je staatsschuld af, terwijl je het geld heel goed kunt investeren?”

De commissie-Van Rijn, die moest kijken naar dit probleem, heeft het kabinet geadviseerd in ieder geval meer te investeren in bèta en techniek. Goed nieuws voor uw universiteit.

“Zeker! Er is een enorme behoefte aan mensen die zijn opgeleid in bèta en techniek. En met de huidige bekostiging lopen de technische universiteiten vast. Dat er meer geld moet naar de TU’s (behalve Eindhoven, Twente, Delft en Wageningen, red.) is duidelijk. Maar dan wordt er voorgesteld dat andere universiteiten daarvoor moeten bloeden. Dat betreur ik.

“Wat krijg je dan: ruzie in de VSNU (de vereniging van universiteiten, red.), want de algemene universiteiten zetten de hakken in het zand. Dit kabinet deinst dan terug en probeert iedereen tevreden te houden. Dus krijgen wij de vraag of we dat geld nu al nodig hebben of dat het ook later kan. En als we niet uitkijken gaat het deels komen uit gelden die al voor de TU’s waren bestemd.

“Zo gaat Nederland nu om met zijn kenniseconomie. We zullen daar nog de wrange vruchten van plukken. Het gaat niet alleen om budgetten, maar ook om arbeidsvoorwaarden. Duitsland biedt zijn hoogleraren betere salarissen en staat hen toe een dag in de week te ondernemen, voor eigen rekening en voor eigen winst. Wetenschappelijke toppers laten zich daardoor leiden, door arbeidsvoorwaarden en door de onderzoeksinfrastructuur ter plekke.

“Dat geldt ook voor bedrijven. We hebben in Nederland topbedrijven in de maakindustrie. Niet vanwege het belastingklimaat, maar vanwege de infrastructuur voor onderwijs en onderzoek die hier is. Die hier nóg is. Een bedrijf als ASML (wereldleider in hightech-machines voor de productie van computerchips) kan ook verhuizen hè. En dan praat Nederland over het afschaffen van de dividendbelasting. Totaal irrelevant!”

Wie is Robert-Jan Smits?

Robert-Jan Smits (1958) studeerde in Utrecht, Zwitserland en de VS, en werkte bij het ministerie van economische zaken voor hij in 1989 naar Brussel verhuisde. Hij trad in dienst bij de afdeling onderzoek en ontwikkeling van de Europese Commissie, en werd in 2010 directeur-generaal van dat directoraat.

Smits stond aan de basis van Horizon 2020, het onderzoeksprogramma waarmee Brussel jaarlijks miljarden euro’s investeert, onder meer in projecten waarin wetenschappers uit verschillende lidstaten werken aan grote maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering en vergrijzing. Een belangrijke vernieuwing in Horizon 2020 was de European Research Council, die omvangrijke beurzen uitdeelt, niet voor Europese samenwerkingsprojecten maar voor toponderzoek van individuele wetenschappers. Tijdens Smits’ Brusselse jaren werd ook de samenwerking tot stand gebracht tussen EU-lidstaten bij bouw, onderhoud en gebruik van grote – en vaak peperdure – faciliteiten voor wetenschappelijk onderzoek.

In zijn laatste jaar in dienst van de Europese Commissie lanceerde Smits plan S, dat een doorbraak moet forceren in de toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Het plan is ondertekend door grote onderzoeksfinanciers in de lidstaten, die daarmee verklaren dat je bij hen alleen subsidie kunt krijgen als je de resultaten van je onderzoek niet publiceert in dure vakbladen, maar publiekelijk toegankelijk maakt. Plan S heeft veel debat losgemaakt en weerstand gewekt bij de wetenschappelijke uitgeverijen. Invoering stond gepland voor 1 januari aanstaande, maar is een jaar uitgesteld.

Minister Van Engelshoven komt dit najaar met een nieuwe strategische agenda voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Wat zou u haar adviseren?

“Er liggen heel fundamentele vragen. De minister moet keuzes maken. Een hele rij. Ze moet kiezen tussen toegankelijkheid van de opleidingen of excellentie. Kiezen tussen grote aantallen studenten of kwaliteit. Ze moet kiezen tussen eigen volk of internationalisering. Gaan we echt meer inzetten op bèta of houden we alles breed? Wil ze de rolverdeling van universiteiten en hbo behouden of die verder in elkaar laten groeien, zoals ze nu al doen? Moeten universiteiten zich profileren en specialiseren of algemeen blijven? Wil de minister alle academische opleidingen publiek houden of private opleidingen toestaan, zoals je nu al in de advocatuur hebt. Wil ze de academische diploma’s behouden of toewerken naar een stelsel waarin je certificaten per vak krijgt? Dat zijn knopen die Van Engelshoven moet doorhakken.”

En, wat zou u haar adviseren?

“Als je kiest voor excellentie valt alles op zijn plaats. Dan ga je voor meer selectie, kleinere aantallen studenten, profilering en gerichte investeringen, en voor internationalisering.”

De kans dat dit kabinet die keuze maakt is niet groot.

“Uit alles wat Van Engelshoven tot nu toe heeft gezegd blijkt dat dit kabinet vooral hecht aan toegankelijkheid, aan breed toegankelijke wetenschappelijke opleidingen. Dat is een politieke keuze, die ik begrijp, maar hij zal ten koste gaan van excellentie.”

En de minister wil de internationalisering die op gang is gekomen temperen.

“Ook te begrijpen, want het ligt politiek gevoelig, maar gevolg zal zijn dat buitenlands toptalent voortaan zijn heil in andere landen zoekt.”

Is er in Europa een voorbeeld, waar Nederland naar zou kunnen kijken?

“Ik ben erg gecharmeerd van het Zwitserse model. Daar wordt keihard gekozen voor excellentie in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Tegelijk worden hogescholen er enorm gewaardeerd. Hier wordt neergekeken op het hbo en proberen hogescholen zoveel mogelijk op een universiteit te lijken.

“Dat is in Zwitserland, maar ook in Duitsland en Oostenrijk totaal anders. De hogere beroepsopleidingen staan daar in aanzien. Nederland kampt met een obsessie: het kind moet naar de universiteit, als het in het hbo terechtkomt is het mislukt.

“Ik wil met de hogeschool hier in Brabant, Fontys, gaan samenwerken om te kijken hoe we de juiste mensen op de juiste plek kunnen krijgen. Lang niet alle studenten aan een universiteit zitten daar op de juiste plek. Soms hebben ze gewoon het talent en het zitvlees niet om echt wetenschappelijk onderzoek te doen. We moeten van die obsessie af dat ­iedereen per se academisch geschoold moet zijn.”

Lees ook:

‘Universiteiten en hogescholen niet meer belonen op basis studentenaantallen’ 

De commissie-Van Rijn, die in opdracht van het kabinet de bekostiging van het hoger onderwijs onderzocht, adviseert het geld dat beschikbaar is voor universiteiten en hogescholen anders in te zetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden