InterviewSchrijver Said El Jahi

Schrijver Said El Haji over zijn taalles aan nieuwkomers: ‘Ik wilde niet de Sjakie uit Flodder worden’

Said El Haji: ‘Het is verfrissend om via de taalles naar je eigen cultuur te kijken. Dat dwingt je om na te denken waarom we dingen doen zoals we ze doen.’Beeld Maartje Geels

Schrijver Said El Haji geeft Nederlandse taalles aan nieuwkomers en ‘oudkomers’. In zijn nieuwe boek vertelt hij over zijn belevenissen in de klas. ‘Ik stelde mezelf als doel: ik leer mijn cursisten de taal, de rest is bijzaak.’

Een boek zat niet in de planning, totdat uitgevers hem begonnen te benaderen. Schrijver Said El Haji schreef op Facebook verhaaltjes over zijn belevenissen als docent Nederlands als tweede taal, over de bonte verzameling mensen die hij in zijn klassen tegenkwam: vluchtelingen, expats en ‘oudkomers’. Dat zijn mensen die al ­geruime tijd in Nederland wonen, maar de taal nog niet goed spreken.

Het resultaat is ‘Gemeente zegt ik Nederlands leren’, een verzameling tientallen grappige, interessante, soms ontroerende verhalen waarmee El Haji een inkijkje geeft in zijn klassen. Over hoffelijke Ali, laatkomer Nicos, de opvliegerige Osman en de mysterieuze Fadilla, elk met hun eigen verhaal. Hij leert hun de taal, maar het is geen eenrichtingsverkeer: via al die mensen uit alle windstreken komt ook zijn eigen leven in Nederland in een nieuw perspectief te staan.

Docent Nederlands als tweede taal was vroeger wel het laatste wat El Haji wilde worden. “Dat vond ik totaal niet stoer. Het heeft wat weg van opbouwwerk, daar had ik negatieve associaties bij”, vertelt hij bij een kop verse muntthee in een Rotterdams café. Die negatieve associaties kwamen gek ­genoeg door de televisieserie Flodder. “In de serie heb je Sjakie de sociaal werker, een ­lulletje rozenwater die voortdurend in de maling wordt genomen door de asociale familie Flodder. Zo wilde ik niet zijn, ik wilde een eervol beroep.” Maar juist dat sociale ­aspect, het feit dat hij mensen verder kan helpen in de wereld, geeft hem nu veel voldoening. “Gelukkig ben ik toch een soort Sjakie geworden.”

U kwam als zesjarig jongetje van Marokko naar Nederland. Uw ouders spraken de taal niet. Hoe was hun relatie met het ­Nederlands?

“Mijn vader kwam hier naartoe als gast­arbeider. Hij sprak de taal al snel redelijk goed. Maar mijn moeder sprak de taal nauwelijks. Als je zoekt naar psychologische motieven voor dit boek, dan is dat er zeker eentje. Ik heb het altijd schrijnend gevonden dat sommige Marokkaanse vrouwen ­zoals mijn moeder binnen leven, om wat voor reden dan ook. Soms omdat hun man niet wil dat ze naar buiten gaat, maar vaak ook omdat ze bang zijn voor de buitenwereld die ze niet kennen. Dat vind ik beschamend. De mens hoort in een sociaal verband. Een mens kan niet opgesloten zitten, dat is ziekmakend.

“Door nieuwkomers Nederlands te leren kan ik hun leefwereld groter maken, dat is mijn doel. De gemeente ziet de taallessen vooral als een middel om een betere kans te maken op een baan. Maar ik ben geen medewerker van een uitzendbureau. Mijn cursisten hoeven geen vloeiende taalsprekers te worden, als er maar wel ergens een deurtje opengaat waardoor ze het aandurven om een praatje te maken met de buurman. Dat is pure winst.”

Hoe bent u taaldocent geworden?

“Dat gebeurde drie jaar geleden. Ik was ­bezig met een roman, maar het liep niet. Ik voelde toen: dit is niet meer wat ik wil, ik wilde niet meer met mijn verbeelding werken. Ik werd er alleen maar onzeker van. Ik had behoefte aan contact, aan het echte ­leven, aan een directe aanleiding om ergens over te schrijven.

“Gelukkig had ik een buurman, die ooit eens een cursus columns schrijven bij mij had gevolgd. ‘Jij vindt het toch leuk om voor de klas te staan?’ Hij raadde me aan om bij de taalschool om de hoek aan te kloppen. Ik werd direct aangenomen. Sindsdien heb ik voor meerdere taalscholen gewerkt, op ­allerlei verschillende niveau’s van taalbeheersing. Het schrijven is weer helemaal gaan vloeien.”

Hoe is de sfeer in uw klas?

“Heel goed. Ik stel me op als een gelijke, niet als een docent. Zo voel ik me ook. Sommige cursisten willen juist die autoriteitsverhouding, zeker mensen uit voormalig communistische landen of uit Eritrea. Zij moeten eraan wennen dat ik me vaak speels opstel. Ik doe rollenspellen, ik ga op de tafel staan, als ze een oefening hebben gemaakt doe ik een dansje voor de klas. Ik geniet daarvan. Een docent moet ook een soort performer zijn.

“Per les stel ik een doel. Aan het begin zeg ik bijvoorbeeld: ‘Aan het einde van de les kunnen jullie precies vertellen wat je in een dag hebt gedaan’. Sommigen beginnen met heel veel schaamte, maar naarmate de tijd vordert, groeit hun zelfvertrouwen. Aan einde van de cursus zijn ze blijmoediger, ze hebben vrienden gemaakt in de klas, dat is heerlijk om te zien.”

Kijkt u door het contact met al die mensen uit verschillende culturen ook anders naar Nederland?

“Jazeker. Als docent Nederlands draag je ook waarden en gewoonten over, daar word je je opeens bewust van. In het werkboek waarmee we in de taalles werken, komt een woordenschatoefening voor waarin de meerkeuzevraag gesteld wordt wanneer iets gesmaakt heeft: a) als je het eten op hebt, b) als het eten lekker was of c) als je zin in eten hebt. Het geval wil dat de eerste generatie Marokkanen en Turken, en asielzoekers uit Afghanistan, de vraag steevast met a beantwoorden. Iemand die zegt dat het eten ­gesmaakt heeft terwijl zijn eten niet op is, wordt als ongeloofwaardig gezien. Ik leg dan uit, met veel plezier, dat je in ­Nederland je eten niet op hoeft te maken om te laten merken dat het gesmaakt heeft. Het volstaat om te zeggen dat het gesmaakt heeft. Dit zegt wat over de Nederlandse cultuur van zeggen wat je vindt. Maar in hoeverre is iemand die zijn eten niet op heeft en toch zegt dat het gesmaakt heeft, geloofwaardig? Dat moet je maar aannemen, nietwaar?

“Het is heel verfrissend om op die manier naar je eigen cultuur te kijken. Dat dwingt je om na te denken waarom we dingen ­eigenlijk doen zoals we ze doen. Als je dat vaak doet, merk je dat je waarden door een soort wasstraat gaan. “

U bent milder geworden in uw oordeel over integratie van nieuwkomers.

“Zeker. Ik heb mezelf en de maatschappij ­altijd best hard beoordeeld. Dat komt ook door mijn debuutroman, ‘De dagen van Sjaitan’, waarin ik kritisch was op de strenge, gesloten en patriarchale Marokkaanse cultuur en godsdienst. Die werd goed ontvangen, maar sommige mede-Marokkanen ­zagen me als een nestbevuiler. Ik kreeg bedreigingen, het was pure vijandigheid. Ik werd daardoor hard in mijn oordeel. Ik vond dat de integratie van veel Marokkanen volledig mislukt was. Als ik mensen zag die dat wegwuifden en juist verzoenend en zalvend optraden, dan irriteerde mij dat. Dan dacht ik: jullie hebben geen idee!

“Toen kwam ik op de taalschool, waar ik in contact kwam met cursisten uit alle windstreken. Het bleek wel mee te vallen met die Marokkanen, er waren mensen met veel grotere problemen. Ik zag het grotere plaatje, mensen uit China, Brazilië, Somalië, Polen. Al die mensen met hun eigen verhalen. Dat stemde mij milder en menselijker, ook tegenover mijn mede-Marokkanen. Ik zag waarom dat harde oordeel onzinnig was. Het heeft geen zin om iemands afkomst en cultuur hard te veroordelen, en dan ook nog te verwachten dat hij of zij de taal gaat ­leren. Ik stelde mezelf als doel: ik leer mijn cursisten de taal, de rest is bijzaak.”

Levert dat ook spanning op, al die culturen in één klaslokaal?

“In de klas spreken we liever over rich points, momenten waar we allemaal van kunnen leren. Niet zo lang geleden, toen de lessen alleen nog digitaal werden gegeven, was er een cursist die iedere keer te laat ­inlogde. Op een gegeven moment zei ik: je bent weer te laat, wat is er aan de hand? ‘Ja sorry, ik ben aan het verhuizen. Ik zit in de auto’, klonk het antwoord. Ik zei: ‘Je kunt geen cursus volgen vanuit de auto, terwijl je aan het rijden bent. Ga naar huis, en log daar in.’ Twee lessen later was hij er weer, maar weer een uur te laat. ‘Ben je weer aan het verhuizen?’ vroeg ik. Ja, dat was hij. ‘No way!’ zei ik, grappend bedoeld. Maar zijn vrouw zat naast hem, en zij vatte het op als een belediging. Ze vond dat haar man ­publiekelijk vernederd werd. Ze heeft een klacht ingediend.

“De cursist kreeg duidelijke leermomenten: je moet niet inloggen terwijl je in de verhuisauto zit, dat slaat nergens op. Voor mezelf dacht ik: misschien ga ik iets te amicaal om met mijn cursisten, misschien moet ik dat een beetje temmen.

“Alles begint met het leren van de taal, dat is de sleutel. Het vergroot je perspectief, je wereld wordt groter en je hebt meer kansen. Mijn doel is dat mijn leerlingen zich over een paar jaar prima kunnen redden in deze maatschappij, zodat ze zich geen buitenstaander voelen.”

Lees ook: 

Een tweede taal leren is moeilijk, zeker als die taal lastige regels heeft

Boeiende verhalen, soms geestig, soms pijnlijk, van Said El Haji over zijn ervaringen als docent. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden