Tien geboden

Paul Haenen mist de grensverleggers: ‘Er mag wel weer iets meer geprovoceerd worden’

Beeld Mark Kohn

Paul Haenen (Amsterdam, 1946) is presentator en programmamaker. Hij runt met echtgenoot Dammie van Geest het Betty Asfalt-theater in Amsterdam. Sinds 2018 hebben ze een eigen digitale zender. Onlangs verscheen bij uitgeverij Podium ‘Ik heb bekend’, een selectie notities uit de dagboeken die Haenen bijhield van 1958 tot 1965.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Ik geloof in het onverwachte en het onvoorspelbare. Sommige dingen zijn nu eenmaal merkwaardig; die moet je niet proberen te verklaren, maar juist aanvaarden als mooi en onbegrijpelijk.”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de ­wateren onder de aarde is

“Over Reve heb ik ooit nog een gedichtje gemaakt: Ik geloof niet in God/ ervaar dat niet als een gemis/ maar ik ben wel blij dat Gerard Reve er is. Reve – een prachtige man, hoogstaand, literair en geestig ook – liet zien dat je je als homo niet in de hoek moest laten trappen. In 1988 hebben we hem de eerste Mens & Gevoelens-prijs gegeven (Mens & Gevoelens verscheen als papieren tijdschrift onregelmatig, sinds 2019 heeft het on-line tv-kanaal bettyasfalt.tv deze rol overgenomen, AV). In zijn bedankbrief schreef Reve dat hij nog nooit van de prijs had gehoord, maar dat het wel een zeer goede prijs moest zijn, nu die aan hem was toegekend. En hij sloot af met de vermelding van zijn gironummer. Ik heb hem nooit ontmoet, maar misschien is dat wel beter ook. Zo kon hij voor mij altijd een god blijven.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Ik mis grensverleggende types, zoals Theo van Gogh en Ischa Meijer. Niet om God te vervloeken of gelovigen te beledigen, maar toch: er mag wel weer iets meer geprovoceerd worden. Al moet zo’n provocatie natuurlijk wel nut hebben. Zo zou ik op onze eigen zender graag aandacht willen besteden aan homoseksuele moslims. Hoe is het gesteld met de homo-haat ­onder de Nederlandse moslims? Moeten ­homo’s echt allemaal dood? Als ik door het maken van zo’n programma allerlei vervelende rotzooi over me heen krijg, dan moet dat maar.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Hoe ik hier als dominee Gremdaat op zou reageren? Even denken... ja: de zondagsrust, die bepaal je zelf. Kent u die uitdrukking? Voor de één betekent zondag rust en voor een ander – voor een artiest, of voor iemand die op zondag hoort te werken – is het maandag pas rust, maar kies wel op het juiste ­moment de rustdag om overeind te blijven. Pas op dat je niet verslaafd raakt aan je eigen lusten, aan je werklust of andere lusten. Zorg voor een rustdag, forceer er één desnoods, maar bepaal zelf wanneer je je schuldig voelt, wanneer je je zorgen maakt of wanneer je je schaamt. Laat je niets opdringen, ook niet door het geloof, dus ook de zondagsrust, die bepaal je uiteindelijk zelf... en dan wens ik u nog een fijne voortzetting en een aangenaam etensmaal – ja, met spekjes zeg ik meestal, maar daar krijg ik van vegetariërs steeds vaker commentaar op dus die laat ik ­tegenwoordig meestal achterwege.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder was een artistieke, feministische vrouw. Ze had op de Kunst­nijverheidschool, de latere Rietveld Academie, gezeten en was op haar achttiende bij Shell gaan werken. Rond die tijd is ze vastgelopen. Ze kreeg last van straatvrees. Er moet iets gebeurd zijn in haar jeugd... er is weleens gesuggereerd dat ze misschien misbruikt is door haar vader. Ik heb er nooit naar durven vragen. Dat zijn geen onderwerpen die je met je ouders bespreekt.

“Ze leerde mijn vader kennen via een wederzijdse vriend en haar psychiater, meneer Zeehandelaar, zei: ‘Als u gaat trouwen, zal die straatvrees vanzelf overgaan.’ Hij adviseerde mijn vader ook om geen tekeningen meer te maken – hij kon prachtig tekenen – omdat zij daar jaloers van zou kunnen worden.

“Mijn moeder was een patiënt. Ik had met haar te doen. Tegelijkertijd wist ik dat ze ons met haar handicap gevangen hield. Zij was het zielige middelpunt. Als ze naar de huisarts moest, bestelde ze een taxi en dan nam ze mij, een jongen van negen, tien jaar oud, ­altijd als begeleider mee: vijfhonderd meter heen en vijfhonderd meter terug. Ze zag overal tegenop, was voortdurend angstig. Mijn vader was iemand die er juist op uittrok: hij deed de avondschool en is, door hard te werken, directeur van het Pedagogisch Centrum geworden en gepromoveerd.

Beeld Mark Kohn

“Het verbaasde niemand dat het huwelijk tussen die twee stukliep. Ze zeggen dat kinderen van gescheiden ouders een moeilijk leven hebben, maar kinderen van getrouwde ouders hebben het vaak veel moeilijker – zeker als er iets in stand gehouden wordt dat eigenlijk verbroken zou moeten worden. Mijn moeder haatte mijn vader omdat hij haar niet genoeg liefde gaf. Ze heeft weleens gezegd dat hij homo was, maar hij is na de scheiding met een andere vrouw verdergegaan, had een relatie op kantoor en een affaire op de Canarische eilanden waar hij op doktersadvies naartoe was gegaan om te herstellen van een of andere ziekte. Ik heb hem ­later, toen ik hem vertelde homo te zijn, nog naar zijn geaardheid gevraagd. Hij deed een eigenaardige bekentenis: nee, homoseksuele gevoelens kende hij niet, maar hij had in zijn jeugd wel ­samen met zijn neef aan ‘mutuele onanie’ gedaan.

“Het contact met mijn vader... ik moet even goed bedenken hoe ik het zal omschrijven, want mijn broer Tom leest Trouw en hij raakt altijd een beetje geïrriteerd als ik iets over mijn vader zeg in een interview. Tom heeft een andere kijk op het verleden. Hij zegt dan dat papa zo goed kon voorlezen, en dat hij zich tijdens gezamenlijke wandelingen nooit door hekken liet tegenhouden; ‘verboden toegang’ gold niet voor ons. Dat is allemaal waar, maar ik herinner me vooral mijn enorme hunkering. Ik had graag gewild dat hij een arm om me heen zou hebben geslagen of dat ik met hem had kunnen praten over wat me dwarszat... Als ik hem wilde welkom kussen, stak hij zijn hand uit en hield z’n arm stijf. Een kus, of een omhelzing zat er niet in.

“Mijn vader was een man van de ­wetenschap, hij hield van het werk van Heidegger, kon daar ook eindeloos over praten, maar de gevoelswaarheid, die zag hij niet. Alledaagse warmte kende hij niet. In mijn dagboeken scheld ik hem behoorlijk uit en... weet je wat me nu emotioneert? De gedachte dat ik hem misschien iets heb aangedaan door dit te publiceren. Het mocht geen afrekening worden – en dat is het ook echt niet – maar wat je in het dagboek duidelijk kunt teruglezen is dat ik hem ook als een boksbal voor mijn eigen woede en wanhoop heb gebruikt.

“Ik herinner me dat ik hem, toen ik een jaar of dertig was, een keer opzocht om over de alimentatie voor mijn moeder te praten. Die maakt hij onregelmatig, nooit automatisch, over. Alsof hij daarmee wilde benadrukken dat zij van hem afhankelijk was. Toen ik hem daar op aansprak, zei hij: ‘Mamma is een soort kankergezwel in mijn hoofd en het gaat er nooit meer uit.’ Ik antwoordde: ‘Weet je eigenlijk wel dat ik je altijd heb gehaat?’ We hebben elkaar daarna heel lang niet gesproken. Uiteindelijk is het weer goed gekomen, min of meer, maar we zijn nooit de diepte in gegaan. Ik ben er niet achter gekomen wat hem dreef, hoe hij zich voelde. Helemaal op het eind, tijdens de laatste dagen van zijn leven, heb ik hem nog een kus gegeven. De eerste kus, voor zover ik me kan herinneren. Het was mijn antwoord op zijn uitgestoken hand, alsof ik daarmee een correctie gaf op onze verstoorde relatie. Hij accepteerde het, geloof ik. Ja, ik heb wel het gevoel dat het klopte. Een dag later is hij overleden.

“Het afscheid van mijn moeder, een paar jaar later, was veel minder intiem. Ze was 84, lag op de intensivecare­afdeling. Ik zie nog voor me hoe ze de trolley naast haar ziekenhuisbed woest van zich wegduwde. Toen ik haar een keer kwam opzoeken, hoorde ik haar op de gang al schreeuwen. ‘Mama,’ zei ik, ‘waarom schreeuw je zo?’ Ze zei: ‘Ik moet me toch ook kunnen uiten?!’ Ze was bang, natuurlijk. Bang voor de dood. Dat is altijd haar basisangst geweest. Dat gen heb ik niet meegekregen, maar die ene opmerking gebruik ik nog wel­eens, vooral als ik onredelijk ben: ik moet me toch ook kunnen uiten?”

VI Gij zult niet doodslaan

“Toen ik op mijn negentiende thuiskwam van een bezoek aan psychiater Dil – de man van wie ik een bevestiging had willen krijgen dat ik homoseksueel was – brak een heel sombere periode aan. Dil had namelijk gezegd dat homoseksualiteit niet bestond, dat ik gewoon ‘te weinig mannelijkheid had getankt’. Alles werd ineens zo zinloos, wat moest ik verder met mijn leven? Ik heb nooit zelfmoord overwogen, maar ik bleef in mijn bed liggen, wilde het huis niet meer uit – wat misschien wel op hetzelfde neerkomt. Die donkere periode, met een paar mislukte liefdes, waarin ik overigens wel gewoon functioneerde en aan allerlei radio- en tv-programma’s bijdragen leverde, heeft zo’n vijf, zes jaar geduurd. Op een avond werd ik door een vriend meegesleurd naar een feest bij de VARA en daar kwam ik Dammie tegen. Achter in de auto, op weg naar huis, besloot ik – geholpen door de alcohol – grensoverschrijdend gedrag te vertonen door hem te versieren. Hij ging met me mee naar huis en is in feite nooit meer weggegaan. Ik voelde me bevrijd, de zon ging weer schijnen. Sinds ik Dammie ken, heb ik me nooit meer eenzaam of alleen gevoeld. Ik heb altijd gezegd dat hij mijn redding was, maar toen Dammie zeventig werd, zei hij dat ik hem net zo goed had gered. Het zou mooi zijn om te zeggen dat dit meant to be was, een geschenk uit de hemel, maar je kunt het ook toeval noemen en geloven dat er, als je daar voor openstaat, de mooiste dingen op je pad komen die ­essentieel blijken te zijn voor de rest van je leven.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Dammie en ik zijn nu zevenenveertig jaar bij elkaar. Twee jaar geleden zijn we getrouwd, maar we hebben er meteen bij gezegd: als het niet bevalt, gaan we meteen scheiden en doen we het weer net zoals eerst. We willen geen van tweeën door zo’n papiertje beknot ­worden. We gaan allebei onze eigen gang. Op straat loopt de een altijd net iets voor de ander uit, ik ga rond twaalven naar bed, Dammie wil nog een tijdje naar CNN kijken en gaat pas om drie uur slapen. In het begin waren er nog wel­eens andere mannen en tien jaar geleden was er iemand die we allebei wel leuk vonden, maar het was een passant en ik weet ook niet of ik het lang had volgehouden met z’n drieën. Uiteindelijk zou ik toch wel jaloers worden want Dammie hoort bij mij. En ik hoor bij hem.”

VIII Gij zult niet stelen

“Vroeger was ik altijd bang dat mijn dagboeken gestolen zouden worden. Daarom bewaarde ik ze achter slot en grendel. Toen ik vorig jaar ontdekte dat ze op een andere manier leken te gaan verdwijnen – de inkt begon te vervagen – besloot ik om al die dertig boeken te laten inscannen en er, eindelijk, een ­selectie van uit te geven. Eigenlijk ben ik alleen op het kunstzinnige vlak bezitterig. Zo heb ik er ook altijd voor gewaakt om niet overal als Gremdaat of Dolman op te treden; het is toch een soort creatief kapitaal waar ik zuinig op wil zijn.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Mensen zeggen vaak dat ik me achter mijn personages verschuil, maar ik ­gebruik ze juist om iets aan een gesprek toe te voegen. Ik merk dat ik als Margreet Dolman met meer warmte, passie en bevlogenheid kan interviewen. Ik kan handtastelijk worden, met mijn vingercamera heel dichtbij komen en mijn gasten na afloop kussen. Zoiets zal ik als ‘Paul Haenen’ niet gauw doen, dat zou echt veel te klef worden. De personages die ik voor theater en televisie ­gebruik, laten één kant zien; het zijn heldere karakters. Als ik een toneelstuk schrijf, wil ik ook een keerzijde tonen. Daar ben ik veel meer een journalist die zegt: het is zus, maar óók een beetje zo. Op welke ­manier ik me ook uitdruk, welke afsplitsing van ­mezelf ik ook gebruik: het is altijd mijn eigen verhaal, waarachtig en oprecht.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws ­naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Dat Betty Asfalt-tv een héél grote ­zender wordt, het antwoord op de ­verschraling bij de publieke en de commerciële omroep: kan dat ook een begeerte zijn? Het is in ieder geval een sterk verlangen. Ik weet niet of dit met geldingsdrang te maken heeft, al moet ik zeggen dat ik, geconfronteerd met een moeder met straatvrees en een ­lichamelijk afwezige vader, wel naar het andere uiterste heb gezocht: ik zou mezelf hier niet door laten leiden, ik móest mezelf bij de lurven grijpen. Ik probeerde er als jongen al uit te breken door bijvoorbeeld foto’s en handtekeningen te gaan vragen bij bekende ­acteurs die in Amsterdam woonden. Als ik thuiskwam met een handtekening van Ko van Dijk zag ik die verbaasde blikken: dat je dat durft! Ik geloof dat ik in wezen ook niet echt angstig ben, ik zie vooral heel erg tegen dingen op. Maar áls het dan eenmaal lukt... Ik denk er nu niet meer bewust over na, maar eigenlijk werkt het nog steeds zo voor mij. Daar komt bij dat het plezier in mijn werk alleen maar is toegenomen. Ik ben bevlogen, maar ik ben niet fanatiek. Het is nooit: erop of eronder. Ik ben blij met succes, maar ik kan het ook meteen weer relativeren. Of, om met Wim T. Schippers te spreken: ‘Je moet er met de pet naar gooien, maar wel heel gericht.’”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden