175 jaar boeroesSuriname

Op klompen trokken honderden straatarme Nederlanders 175 jaar geleden naar de Surinaamse jungle

De viering van 75 jaar boerenkolonisatie in 1920.Beeld Stichting Boeroe Kon Makandra

Zaterdag is het 175 jaar geleden dat de eersten van 384 Nederlandse kolonisten aankwamen in Suriname. Hun nakomelingen vormen daar nog altijd een witte minderheid, al is die langzaam aan het opgaan in de andere bevolkingsgroepen.

De nederzetting die dominee Arend van den Brandhof voor ogen had, zou zo mooi worden. De ene na de andere oogst mislukte, veel Nederlanders zochten straatarm en wanhopig hun heil overzee, vooral in Noord-Amerika. Van den Brandhof las een artikel over Suriname, zou het niet mooi zijn als...

Een Pennsylvania in de tropen moest het worden, maar dan met Nederlands-hervormde boeren in plaats van Britse quakers. Met de predikant uit Elst zelf aan het hoofd, als de William Penn van Suriname. Het werd een drama.

Zowel in Nederland als in Suriname ging zo ongeveer alles mis. Zo waren de emigranten niet jong en sterk, maar ernstig verzwakt en slecht voorbereid. De zwakke mannen, vrouwen en kinderen zaten opeengepakt tijdens de zes weken durende overtocht en kregen maagklachten van het vette voedsel waaraan ze zich te barsten aten. Op 20 juni 1845 kwamen ze aan. Dan de locatie waar de nederzetting moest komen. Een arts had de plek, de voormalige suikerplantage Voorzorg aan de Saramacca­rivier, afgeraden wegens onverantwoorde omstandigheden. “Zorg maar vast voor een kerkhof voor de helft van de kolonisten”, waarschuwde hij, maar de dominee zette door.

De Nederlandse autoriteiten in Suriname zaten totaal niet op de nieuwkomers te wachten. Slavernij bepaalde de sociale structuur; witte mensen die zware lichamelijke arbeid verrichtten, zouden de autoriteit van de witte overheerser aantasten, vreesden ze. Er werd bezuinigd op het project, en in plaats van de stenen huizen, de landerijen en het vee dat de nieuwkomers in het vooruitzicht was gesteld, wachtte hun een zompig moeras en schamele houten hutjes waar de ratten in en uit kropen. Tot overmaat van ramp brak er een epidemie uit. Hele gezinnen werden weggevaagd. “Vandaag lopen ze weer met kisten langs mijn huis”, tekende Van den Brandhof op in zijn memoires. Lopendebandwerk was het, een ­lopende band vol doden.

De arts kreeg gelijk: binnen een halfjaar was de helft van de kolonisten overleden. In het najaar van 1845 verhuisden de overlevenden naar het dorpje Groningen aan de overzijde van de rivier. Daar was de grond beter, maar het bleef sappelen. De kolonisten gingen groente verbouwen, maar tegen de tijd dat ze op de markt aankwamen, was alles verlept. Nu rijd je in een uurtje van Groningen naar Paramaribo, maar toen was het anderhalve dag varen onder de tropenzon.

Acht jaar later, in 1853, schoot gouverneur Van Raders de Nederlanders te hulp. Hij gaf stukken land te pacht, aan de rand van Paramaribo, een gebied dat Uitvlugt wordt genoemd. Daar gingen ze grond ontginnen, ­huizen bouwen en alsnog boeren.

Vaart der volkeren

Een jaar of honderd leefden hun nakomelingen in relatieve afzondering, vooral van handel in melk, die ze per ezelkar in de vroege ochtend naar de Centrale Markt vervoerden. Ze werden Boeroes genoemd, naar het Sranantongo woord voor boer. Maar, de vaart der volkeren, de stad breidde zich uit, er kwam onderwijs, wegen. Ouders stimuleerden hun kinderen om vooral een opleiding te volgen, om het beter te krijgen dan zijzelf. Niet meer dat bikkelharde boerenbestaan voor die paar rotcenten.

De kinderen trokken de wereld in, kwamen leeftijdsgenoten tegen uit andere bevolkingsgroepen. Kozen voor ander werk, voor partners buiten de eigen kring. En zo kwam langzaam een eind aan de boerenenclave op Uitvlugt én werd het einde van de bevolkingsgroep ingeluid. In de loop van de generaties zijn de Nederlanders van toen Surinamers geworden. Hoeveel Boeroes er nog zijn, is niet te zeggen. Wanneer ben je nog Boeroe? Bij een achtste deel Boeroebloed? Een vierentwintigste?

Of hij het jammer vond dat er steeds minder Boeroes waren, vroeg een journalist eens aan historicus André Loor. ‘‘Zo moet je dat niet zien’’, glimlachte hij. ‘‘Er komen er juist steeds meer bij. Alleen, je herkent ze niet meer.’’

Rick van Ravenswaay

Stamvader Anthonie van Ravenswaaij werd in 1814 geboren in Veenendaal. Rick is de vijfde generatie. Hij was minister van ontwikkelingssamenwerking in het tweede kabinet van president Ronald Venetiaan.

“Een slachting was het. Waar in godsnaam haalden onze voorouders de kracht vandaan om door te gaan? Des te trotser ben ik om te zien waar we nu staan. Als bevolkingsgroep hebben we onze stempel gedrukt op de Surinaamse samenleving. We hebben veel betekend voor de mechanisatie van de landbouw. Ook de grootste kippen- en varkensfokkerijen van het land zijn nu in handen van Boeroes. Zelf stond ik aan de wieg van een aantal slachterijen.

Mijn neef en ik waren eens voor zaken in Nederland. We zaten maar te wachten in de hal en op een gegeven moment liep ik toch maar naar de dame achter de balie. “We zitten op Surinamers te wachten”, zei zij. “Maar dat zijn wij!”, antwoordde ik. Veel Nederlanders weten niet dat je geen kleur hoeft te hebben om Surinamer te zijn. Doorzetten, de handen uit de mouwen steken. Niet zeuren, niet blijven hangen in het verleden, maar vooruitkijken. Zo ben ik ­opgevoed. Heb je weleens een Boeroe horen praten over herstelbetalingen of een schuldvraag? Daar zijn ze veel te trots voor.

Een man een man, een woord een woord. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Dat waren de normen en waarden uit mijn jeugd. Ondernemerschap werd aangemoedigd: wie voor een baas werkte, was toch een beetje een loser. Bij ondernemen hoort risico’s nemen en vooruitdenken. Zeker in de landbouw ben je afhankelijk van ziekten, plagen, weersomstandigheden, de markt. Als je ziek wordt, heb je geen inkomsten. Daarom moet je zorgen dat je gespaard hebt. Soms wordt dat gezien als Hollandse gierigheid. Ik heb het meegekregen in mijn bloed. Mijn grootvader van vaderskant liep op klompen, hij liet ze overkomen uit Nederland. Ik groeide op tussen Javanen en Hindostanen, en met Surinaamse gerechten zoals grit bana, pom en pastei, trie en cassave. Maar bij mijn grootouders moesten we soms stamppot eten. En rijst met mes en vork, terwijl elke Surinamer weet: rijst eet je met vork en lepel.

Na mijn opleiding in de Verenigde Staten ben ik teruggekeerd naar Suriname. Ik werd voor gek verklaard, het ging in die tijd heel slecht. Maar toch, die binding die je hebt, het blijft je land. Ik hoop dat die glorietijd van vroeger nog eens terugkomt.’’

Peter van Dijk

Stamvader Gijsbert van Dijk werd in 1803 geboren in Ravenswaaij. Peter is de zevende generatie. Hij is directeur van Sranan Fowru, Suriname’s grootste kippenslachterij.

‘‘Voor zo’n kleine bevolkingsgroep is onze bijdrage aan de economie van Suriname enorm. Veel van de grootste bedrijven zijn in handen van Boeroes. Vooral op het gebied van veeteelt, de vleessector. Vroeger was de melkindustrie het grootste wapenfeit, maar die is door verschillende regeringen de nek omgedraaid.

Ik denk dat ondernemen, aanpakken, ons in het bloed zit. Dat werd er ook echt in gestampt: hard werken, niet klagen. De generatie van onze ouders en grootouders heeft het zwaar gehad, hard werken op het platteland, geen stroom. Het was sappelen en daarom hebben zij hun kinderen gestimuleerd te studeren. Ik had echt niet hoeven proberen met school te stoppen. En het heeft vruchten afgeworpen, want veel van ons zijn aardig terechtgekomen.

Eens een boer, altijd een boer. Ook Boeroes in andere sectoren hebben vaak dieren. Mijn vader was accountant maar hield toch wat dieren, voor de hobby. Zelf melk ik ook. Ik moet er geld op toeleggen, maar ik houd ervan, het is bijna iets sentimenteels. Boerenbloed.

Ik heb vliegtuigbouwkunde gestudeerd in de Verenigde Staten. Daarna heb ik er gewerkt en gespaard om terug te keren naar Suriname en te investeren in een eigen bedrijf. Binnen tien jaar waren we de grootste. We hadden de eerste iso-certificering van het land, de eerste geautomatiseerde slachtlijn en meer mijlpalen. Sinds kort mogen we kip leveren aan McDonald’s en KFC; we zijn de enige in Suriname die aan al hun strenge eisen voldoet. Het heeft me jaren gekost dit te bereiken en het blijft investeren.

Als bevolkingsgroep hebben we een goede reputatie. We zijn met vrij weinig en gaan steeds meer op in de andere groepen. Maar je ziet sowieso weinig Boeroes op de voorgrond treden. Boeroes doen zelden aan politiek, Rick van Ravenswaaij was een uitzondering. Ook duiken we niet op in schandalen, criminaliteit, drugs, dubieuze connecties. We hebben een schoon verleden en dat kan niet iedereen in Suriname zeggen.

Bij het zakendoen merk ik vaak dat Boeroes geliefd zijn, worden gezien als betrouwbaar. Meer dan Bakra’s (wat negatieve term voor Nederlanders, KS). Als ik ergens kom voor zaken, maak ik meteen duidelijk: ik ben een Surinamer en géén Bakra. Weet je, veel Surinamers die in Nederland wonen, zijn heel negatief over Suriname. En ja, het land heeft hier en daar zijn gebreken. Maar ik zou nergens anders willen ­wonen dan hier.’’

Hanna Gummels-Loor

Stamvader Gart Jan Loor werd in 1810 geboren in Doetinchem. Hanna is de vijfde generatie. Zij was van 2009 tot 2015 voorzitter van de stichting Sranan Boeroe.

“Toen ik klein was, hoorde ik mijn moeder weleens vertellen over onze voorouders. Dat die zo gepinaard hebben en zo hard moesten werken. Och vrouwtje, hou toch op met die verhalen, dacht ik dan. Later kreeg ik spijt dat ik haar niet veel meer had gevraagd.

Ik was nooit erg met de Boeroes bezig, maar in 2009 werd op voordracht van oom André (historicus André Loor, KS), de stichting Sranan Boeroe opgericht. Hij vroeg me als voorzitter en toen ben ik me er meer in gaan verdiepen.

Verdorie, dacht ik, toen ik een beeld kreeg van de omstandigheden waaronder die mensen hebben moeten zien te overleven. Nu zouden we het een opoffering noemen, maar ik weet niet of zij het zo zagen, ze ­déden het gewoon. Het was een kwestie van overleven, zonder tijd om erbij stil te staan. Me dit te realiseren heeft me totaal veranderd. Ik begrijp nu veel beter wat ze hebben doorstaan. Dankzij hen heb ik hier kunnen opgroeien en daar ben ik ze heel dankbaar voor. Sinds ik de geschiedenis ken, ben ik echt mijn voorouders gaan eren, ­gedenken. Soms als ik met mijn kleinkin­deren praat, dwaal ik af naar mijn eigen grootouders, en ónze voorouders. Veel mensen denken dat we afstammen van slaveneigenaren. Ik vind het belangrijk om dat recht te zetten en vertel er daarom veel over. Onze voorouders werkten juist schouder aan schouder met de tot slaaf gemaakten, nog tijdens de slavernij. Want de huisjes waar ze woonden op Groningen hebben ze samen gebouwd. Daar en toen is hun integratie begonnen.

Het doel van de stichting was louter om de geschiedenis vast te leggen. Oom André zei bij de oprichting: “Het zal je niet lukken om de Boeroes bij elkaar te krijgen, daarvoor zijn ze te veel Surinamers geworden”. Dat herken ik wel. Ik ben Surinamer en daarnaast ben ik trots op mijn Boeroe-afkomst. In die volgorde. Ik zou niet weten waar ter wereld ik een plek zou moeten vinden waar ik me meer thuis zou voelen dan hier. Soms probeer ik mijn kinderen en kleinkinderen te vertellen over hun Boeroe-wortels, maar ze kunnen er weinig mee. ‘We zijn Surinamers hoor’, zeggen ze. Aan de ene kant vind ik dat jammer, aan de andere kant ben ik blij dat ze zich hier thuis voelen en het goed hebben. Tine van Ravenswaay heeft een gedicht geschreven over de komst van de kolonisten. Ze eindigt met de zin: “Dank u Suriname, u bent ook óns land”. En zo is het.”

Lees ook: ‘Het verhaal van de Boeroes is onbekend, ook in Suriname’

“Het heeft best een tijd geduurd voor ik dit verhaal op ging schrijven: je eigen geschiedenis vind je nu eenmaal vaak niet zo interessant. Het is in stapjes gegaan. Bevriende schrijvers zeiden me, los van elkaar, dat ik hier écht een boek over moest maken. In 2011 heb ik een aantal artikelen geschreven voor Dagblad van het Noorden, over het dorpje Groningen in Suriname. Een van de eerste emigranten daar bleek mijn betbetovergrootvader Henderijkus Tammenga te zijn, en die had nota bene vlakbij mijn huis hier in het Nederlandse Groningen gewoond. Toen raakte ik toch echt nieuwsgierig. Dat werd de basis voor dit boek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden