Gezicht op de Oudegracht in 1774.

InterviewSlavernij-onderzoek

Ook Utrecht verdiende aan de slavernij. ‘Historici hebben dit onderdeel van de geschiedenis overgeslagen’

Gezicht op de Oudegracht in 1774.Beeld Het Utrechts Archief

Op het moment dat de afschaffing van de slavernij herdacht wordt, presenteert de gemeente Utrecht een boek over de slavernijgeschiedenis. “Dit is een beginpunt, geen eindpunt.”

Het was eigenlijk best een haastklus. In 2019 werd de motie aangenomen waarin de Utrechtse gemeenteraad vroeg om een onderzoek naar het slavernijverleden van de stad. Het was een wens van de gemeente om het met Keti Koti 2021 klaar te hebben. En ziedaar: sinds woensdag heeft Utrecht, in navolging van Amsterdam en Rotterdam, een rijk geïllustreerd en leesbaar boekwerk over de slavernijgeschiedenis van de stad.

Maar, legt cultuurhistoricus en redacteur van de bundel ‘Slavernij en Utrecht in de Oost’ Nancy Jouwe uit: veel, heel veel moet nog nader onderzocht worden. “Dit is een beginpunt, geen eindpunt, hopelijk kunnen anderen hierop doorgaan.”

De onderzoekers moesten van praktisch nul beginnen. Over de stad Amsterdam, dat vorig jaar zijn onderzoek naar het slavernijverleden had afgerond, was al vrij veel onderzoek naar het slavernijverleden bekend. Over het Utrechtse slavernijverleden was heel weinig gepubliceerd. Jouwe: “Er zijn heel veel historici die dol zijn op de Utrechtse stadsgeschiedenis, maar dit onderdeel hebben ze overgeslagen. Wij moesten heel veel primair bronnenonderzoek doen, zoals in notarisakten, en dat vergt veel tijd.”

Onderzoekers Nancy Jouwe (M), Matthijs Kuipers (R) en Remco Raben. Beeld Tom van Huisstede
Onderzoekers Nancy Jouwe (M), Matthijs Kuipers (R) en Remco Raben.Beeld Tom van Huisstede

Utrecht was anders

De onderzoekers durven geen harde uitspraak te doen over de exacte omvang van de aan slavernij gerelateerde handel, en hoe belangrijk die precies was voor de totale economie van Utrecht. Hierin verschilde Utrecht wel van de havensteden Amsterdam en Rotterdam: “Daar hingen grote delen van de economie samen met de scheepvaart: Amsterdam kende veel etablissementen waar matrozen een bed huurden voordat ze aanmonsterden, en ambachtslieden, van touwslagers tot kuipers, hadden profijt van de koloniale handel. Dat is in Utrecht veel minder het geval.”

Maar wel is vast komen te staan dat in het stadsbestuur (het vroedschap) tal van mensen directe belangen hadden in de slavenhandel en aan aan slavernij geproduceerde goederen. Dat gold voor zo’n 40 procent van hen, aldus de onderzoekers.

Het boek beschrijft enkele voorbeelden. Hendrick van Asch van Wijck (1707-1785) was plantagehouder én burgemeester én bewindhebber van de West Indische Compagnie WIC, de handelsmaatschappij die op grote schaal Afrikaanse slaafgemaakten naar Zuid-Amerika vervoerde. Daniël Cornelis de Leeuw (1747-1834) was vroedschapslid en eigenaar van verschillende plantages in de Nederlandse kolonies in Demerara en Essequibo (in het huidige Guyana, naast Suriname). Gerard Bydenbergh (1712-1766) was vroedschapslid en mede-eigenaar van een koffieplantage in Suriname.

Burgemeester Sharon Dijksma, Nancy Jouwe en wethouder Linda Voortman tijdens de presentatie van het boek Slavernij en de stad Utrecht.  Beeld ANP
Burgemeester Sharon Dijksma, Nancy Jouwe en wethouder Linda Voortman tijdens de presentatie van het boek Slavernij en de stad Utrecht.Beeld ANP

Niet voor eigen schatkist

Anders dan Amsterdam of Rotterdam had de stad geen eigen ‘kamer’ in koloniale ondernemingen zoals VOC en WIC. Wel benoemde het provinciebestuur, de Staten van Utrecht dat aan het Janskerkhof zetelde, een eigen bewindhebber in de kamer Amsterdam van de VOC en een in de kamer van de Rotterdam van de WIC. Maar Utrecht heeft nooit voor zijn eigen schatkist deelgenomen aan koloniale ondernemingen, anders dan de stad die mede-eigenaar was van Suriname.

Evenals in Rotterdam en Amsterdam bestond er dus een grote verwevenheid van de zakelijke en bestuurlijke elite met slavernij. Maar verschillen zijn er ook. Jouwe: “Utrecht was om te beginnen veel kleiner. Terwijl Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw als een paddenstoel uit de grond schoot, naar 200.000 inwoners, bleef Utrecht in die twee eeuwen steken op 30.000. Amsterdam en Rotterdam herbergden vluchtelingen zoals Portugese Joden en handelaren uit Antwerpen. Die namen hun handel, hun kennis en hun connecties mee, wat belangrijk was voor de ontwikkeling van Amsterdam en Rotterdam als internationale handelsknooppunten.

“Dat gold veel minder voor Utrecht. Het werd Joden niet toegestaan zich in de stad te vestigen. In Utrecht zat wel veel adel, die ook wel internationale connecties hadden, wat voornamelijk een belangrijk effect op de universiteit heeft gehad. Ook opvallend: veel mensen die goed hadden geboerd, vaak in VOC-kolonies, kwamen in Utrecht rentenieren.”

Het boek noemt als voorbeeld George Beens. Hij was in het midden van de achttiende eeuw resident van een afdeling in Zuid-Sulawesi, en maakte fortuin met particuliere slavenhandel tussen Makassar en Batavia. Na zijn terugkeer in Utrecht kocht hij voor zijn zoon het stadspaleis Klein Blankenburg aan de Oudegracht, zelf ging hij op de Nieuwegracht wonen.

De Utrechts Compagnie

Een intrigerende geschiedenis in het boek gaat over de zogeheten Utrechtse Compagnie. Dat was een investeringsmaatschappij die geplaagd werd door wanbeheer, corruptie en fiasco’s, zoals het plan om Utrecht met de Zuiderzee te verbinden. Utrechtse stadsbestuurders waren aandeelhouders in de Compagnie, die onder meer eigenaar was van een koffieplantage in Suriname - heel toepasselijk Utrecht geheten. Ook investeerde de Compagnie in slavenschepen, en voerde het de directie over een suikerraffinage op het Lucasbolwerk.

De onderneming leverde haar aandeelhouders niet altijd de voorgespiegelde winsten op, maar dat laat onverlet dat de geschiedenis van deze Compagnie aantoont dat de Utrechtse elite hard geprobeerd heeft om te profiteren van slavenhandel en in slavernij geproduceerde goederen, concludeert het boek.

Sommige Utrechters konden heel rijk worden van de koloniën zonder daar één stap te zetten. Neem notaris Dirk Wernard Van Vloten, die tal van ‘negotiaties’ afsloot: hypothecaire leningen met plantages als onderpand. Voorwaarde was dat de plantagehouder al zijn aan- en verkopen moest laten lopen via Van Vloten, die daarover een percentage opstreek. De plantagehouders boerden slecht, om over de slaafgemaakten die er werkten nog maar te zwijgen, maar Van Vloten ging het voor de wind

Hoeveel Utrechtse notarissen verdienden aan deze negotiaties hebben de onderzoekers nog niet precies kunnen achterhalen. Jouwe: “Hopelijk gaan daar nu meer historici onderzoek naar doen. Er zijn wel andere namen van notarissen opgedoken, waar we niet heel erg op in zijn gegaan. Maar Van Vloten was wel duidelijk een belangrijke spil, bij het doorspitten van alle notariële akten stuitten we constant op zijn naam.”

De onderzoekers turfden dat die akten in de periode 1600-1800 bijna vijfduizend keer te maken hadden met de VOC. De WIC leverde ruim zeshonderd treffers op. In 335 akten ging het over plantages. Ook de koloniën doken tegen de tweeduizend keer op, bijvoorbeeld in akten die de verkoop van aandelen in een van de compagnieën betroffen of over dividenden.

Grote werkgever

Niet alleen de elite profiteerde. De VOC was een belangrijke werkgever in Utrecht. Jouwe: “Bij de VOC hebben 2800 Utrechters in de achttiende eeuw dienst genomen. Daarmee was ze een grote werkgever, de stad had maar 30.000 inwoners.”

De betrokkenheid van Utrecht bij slavernij kan exemplarisch zijn voor veel middelgrote Nederlandse gemeenten, vermoedt Jouwe. “Ik denk dat er ook interessante studies over dit thema zijn te maken over Delft, Leiden, Groningen en Arnhem. Maar ook buiten de grote steden is een hoop te vinden, kijk maar naar de buitenhuizen op de Utrechtse heuvelrug.”

Wel weer typisch aan Utrecht is de invloed van de religie, met name dankzij de theologische faculteit van de Utrechtse Universiteit. Onderdeel van de bundel is een studie door theologe Janneke Stegeman over de theoloog, tevens rector magnificus van de Utrechtse universiteit, Gisbertus Voetius (1589-1676), van wie aan het Domplein een plaquette hangt. Voetius is bekend als verdediger van het orthodoxe calvinisme op de Dordtse synode (1618-19), die in het voordeel van de orthodoxen uitpakte.

Het thema slavernij speelde een ondergeschikte rol bij Voetius, al was hij er geen voorstander van. Maar zijn idee (voortgezet door zijn leerling Johannes Hoornbeeck) dat de Republiek een uitverkoren natie was met een superieure calvinistische beschaving, gaf voedsel aan het idee dat het kolonialisme een gerechtvaardigd religieus doel diende: namelijk de verspreiding van de enig ware godsdienst.

Anderzijds was Utrecht ook een centrum van - vaak religieus geïnspireerde - pleitbezorgers van afschaffing van de slavernij. Het boek noemt voorbeelden als Petronella Moens en Nicolaas Beets. Jouwe: “Dat Nicolaas Beets een abolitionist (pleitbezorger van afschaffing) was, is nauwelijks beschreven.”

Jouwe schrijft in haar bijdrage over een van de eerst bekende zwarte inwoners van de stad, de uit Angola afkomstige Eduard van Akaboa. Jouwe: “De maatschappij was niet exclusief wit, en dat is zowel voor zwarte als witte Nederlanders anno nu heel belangrijk om te weten: wij waren hier al heel lang. De Nederlandse identiteit is niet puur wit, om het maar plat te zeggen.”

De onbekendheid daarmee laat zich niet uitsluitend verklaren door gebrekkige bronnen, aldus Jouwe, maar ook met onze manier van kijken. “Rembrandt heeft minstens 24 tekeningen en schilderijen gemaakt waarop zwarte mensen staan. Op het schutterstuk van Bartholomeus van der Helst van de compagnie van kapitein Roelof Bicker dat naast de Nachtwacht hangt, hebben getrainde kunsthistorische ogen altijd finaal heengekeken over het zwarte jongetje met zijn rode cape, op het midden van het schilderij. Dat zegt ook iets over hoe we terugkijken naar onze geschiedenis.”

Nancy Jouwe, Matthijs Kuipers, Remco Raben (Redactie): Slavernij en de stad Utrecht Walburg Pers € 24,99; 328 blz.

Gideon Boudaen. c.1722-1724  Beeld prive collectie-rkd
Gideon Boudaen. c.1722-1724Beeld prive collectie-rkd

Gideon Boudaen Courten (1686-1744)

Deze zoon van een VOC-bewindhebber werd na zijn rechtenstudie in Utrecht uitgezonden naar diverse VOC-posten. In Surat, Noordwest-India, mocht hij in 1711 de corruptie onder VOC’ers bestrijden. In 1714 verhuisde hij naar Batavia (Jakarta), maar ook hier verbleef hij kort, tot 1717. Hoewel hij in Azië de corruptie moest aanpakken, lijkt Boudaen Courten het in de Oost beter gedaan te hebben dan je op grond van zijn salaris kunt verwachten. Hij kocht een huis aan de Mariaplaats, en een landgoed in het zuidoosten van de provincie.

Hij bekleedde namens de Staten van Utrecht (het provinciebestuur), diverse VOC-bestuursfuncties, en was daarnaast lid van het vroedschap en schepen van Utrecht.

Belle van Zuylen Beeld Het Utrechtse archief
Belle van ZuylenBeeld Het Utrechtse archief

Belle van Zuylen (1740-1805)

Isabelle de Charrière, geboren Van Tuyll van Serooskerken, beter bekend als als de verlichte, proto-feministische schrijver Belle van Zuylen, werd in 2004 uitgeroepen tot ‘Grootste Utrechter’ aller tijden’. Langs de koloniale meetlat krimpt haar progressieve postuur nogal. Ze had veel belegd in VOC- en WIC-aandelen, en in Surinaamse plantages. Nooit heeft ze laten blijken dat ze moeite had met slavernij. Ze beschreef op berustende toon over zwarte personages. Zoals wanneer in ‘Caliste’ een ‘arme neger’ sterft als huisslaaf in Londen: ‘Of men in zijn land of ergens anders doodgaat, of men wat meer of wat minder verdriet of plezier heeft gehad, er komt een ogenblik waarop dat geen enkel verschil maakt: de koning van Frankrijk zal eens zijn als deze neger.’

Petronella Moens Beeld Het Utrechts Archief
Petronella MoensBeeld Het Utrechts Archief

Petronella Moens (1762-1843)

Deze halfblinde schrijver en voorvechter van afschaffing van de slavernij was haar tijd ver vooruit. Al in 1791 schreef ze gedichten en protesten tegen de slavenhandel:

“De winzucht wenkt den handelaar;
Hij durft, voor ’t Godgewijd altaar,
Der Christnen menschlijk recht verpletten”

In haar utopistische roman Aardenburg (1817) schetste ze een ‘multiculturele’ samenleving waarin de rechtschapen plantage-eigenaren de slaafgemaakten vrijmaken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden