Tweede Wereldoorlog

Na de film is er nu ook een boek over de helden van ‘De Overval’

Piet Oberman (midden, met hoed) en Chris Hofing (rechts, politieuniform) op een foto uit 1945, kort na de bevrijding.

De overvallers van het Leeuwarder Huis van Bewaring kregen een heldenstatus door ‘De Overval’, een van de grootste Nederlandse filmhits aller tijden. Hun levensverhalen zijn vastgelegd in een boek.

De Overval in Leeuwarden, op 8 december 75 jaar geleden, was een huzarenstukje. Zonder een schot te lossen wisten Friese verzetslieden vijftig gevangenen uit het Leeuwarder Huis van Bewaring te bevrijden. Toch was deze ‘kraak’ niet uniek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden meer gewapende overvallen op gevangenissen plaats, zoals in Assen en Rotterdam, waarbij geen slachtoffers vielen. In oktober 1944 bijvoorbeeld werden zeventien ter dood veroordeelde verzetsmensen bevrijd uit de strafgevangenis in Rotterdam door als SS’ers verklede verzetslieden. Maar geen overval werd zo bekend als de spectaculaire bevrijdingsactie in Leeuwarden.

Dat heeft volgens schrijver en onderzoeker Hessel de Walle uit Eelde alles te maken met de speelfilm ‘De Overval’ uit 1962. Die kon mede­­ worden gemaakt omdat er van de Friese overval een vrij gedetailleerd herdenkingsboek bestond. Iedere overvaller werd nadien gevraagd zijn ervaringen op te schrijven. De meesten deden dit, de een wat uitgebreider dan de ander. Het verhaal stond dus al op papier­­. Het boek diende als script voor de film, die bijna 1,5 miljoen bezoekers trok. Hij is daarmee een van de grootste Nederlandse filmhits aller tijden. De overvallers kregen dankzij de film een heldenstatus.

Een jeugdheld

De Walle liep al langer met het idee rond de levensverhalen van de overvallers op te schrijven. Hij was als kind al geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog. Zijn oom had in het verzet gezeten, maar belangrijker nog was dat Piet Oberman een plaatsgenoot uit Dokkum was. “Hij was voor mij, als leider van de overval, een jeugdheld. Hij overleed toen ik veertien was. In die tijd zag ik de speelfilm.”

In 1994 bezocht De Walle de herdenking van de actie in de Blokhuispoort in Leeuwaren. Twaalf jaar geleden sprak hij een paar uur met een van de overvallers, Goffe Hoogsteen. Toen ontstond het idee om van elk van de verzetsmensen het levensverhaal op te tekenen. “Het intrigeerde mij wat hen ertoe had gedreven om in het verzet te gaan en om deze overval uit te voeren. Wie doet nou zoiets, vroeg ik mij af. Drie van de vijf mensen die als eersten naar binnen gingen om de gevangenen te bevrijden, stonden bijvoorbeeld op het punt vader te worden.”

De Blokhuispoort in Leeuwarden, in 1944 het Huis van Bewaring dat werd overvallen om vijftig gevangenen van de Duitsers te bevrijden. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

De Walle sprak met kinderen van de overvallers en met twee echtgenotes. Een aantal overvallers bleek een persoonlijk archief te hebben bijgehouden dat hij kon inzien. Uit zijn tweejarig onderzoek blijkt dat de deelnemers aan de actie min of meer toevallig in het verzet verzeild raakten. “Er lagen geen ideologische redenen aan ten grondslag. Dat heeft me in zekere­­ zin wel verbaasd, ja. Het ging vaak via via. Een bekende of familielid vroeg hun mee te doen. Het waren geen avonturiers. De meesten van hen deden wel vol overtuiging mee aan de acties van het verzet en hadden een sterk rechtvaardigheidsgevoel.”

Wat hij ook ontdekte was dat veel van de 26 overvallers leden aan wat we tegenwoordig PTSS zouden noemen. Ze mochten dan dankzij of misschien wel vooral door de film roem hebben vergaard, in hun persoonlijke leven overheerste niet de heroïek, maar de tragiek. “Dat werd me gaandeweg duidelijk”, stelt De Walle. “Na de oorlog werden ze als helden gezien en werden er wel baantjes voor hen geregeld. Maar de oorlog kwamen ze niet ongeschonden door.”

Liquidaties

De liquidaties waarbij veel van hen betrokken waren of die ze zelf uitvoerden, lieten hun sporen na. De Walle: “Bedenk dat het jonge mensen waren die opdracht kregen iemand dood te schieten. Daar hebben velen hun hele leven last van gehad en ze hadden het gevoel dat ze daarvoor ook de rekening betaalden.”

Goffe Hoogsteen, bijvoorbeeld, moest in september 1944 in Surhuisterveen een dorsmachine in brand steken van een verrader. “Ernaast­­ stond een schuurtje met daarin een 19-jarige ondergedoken jongen. Die kwam daarbij om het leven. Hoogsteen heeft daar nooit meer over willen spreken.”

In het Leeuwarder Ryksargyf vond De Walle een verhaal van overvaller Alle Ytsma. Daarin beschrijft hij dat hij in de zomer van 1944 een verrader van negentien jaar oud liquideerde. Die man is in het riet gegooid en later ergens begraven. Onbekend is waar.

Worsteling

De Walle: “Hij heeft daar nooit meer over gesproken. Wel op papier gezet, gek genoeg. Een ander, Gerben Oppewal, moest in opdracht van het verzet in januari 1944 twee Joodse onderduikers liquideren. Na rijp beraad is dat gebeurd. Het Joodse echtpaar was onvoorzichtig en bracht anderen in gevaar. Pas in 1983 wordt onthuld dat Oppewal hen heeft doodgeschoten. Hij worstelde ermee.”

Dat de Duitsers uit een soort bewondering voor de geslaagde overval op het Huis van Bewaring geen represailles namen, klopt overigens niet. De Walle: “Er zijn kort na de overval honderdvijftig man uit de Leeuwarder gevangenis afgevoerd naar een Duits werkkamp. Ik weet niet of dit normaal ook gebeurde, maar feit is dat zij zelf het gevoel hadden dat dit een represaillemaatregel was. Een aantal van hen is in Duitsland omgekomen.”

Hessel de Walle, ‘De mannen van de Overval’. Uitgeverij Wijdemeer Louw Dijkstra, 416 pag., 26,90 euro. Verschijnt vrijdag 29 november.

Piet Oberman (1908-1972), leider van de overval, schuilnaam Piet Kramer, in de film gespeeld door Rob de Vries

Oberman stamt uit een gereformeerde, tamelijk welvarende familie uit Dokkum. Een avontuurlijke man met een tomeloze energie. In 1928 emigreert hij op 20-jarige leeftijd naar Canada­­, waar hij houthakker wordt. Drie jaar later keert hij terug naar Nederland. Oberman is geen verzetsman van het eerste uur. Als ondernemer heeft hij tijdens de oorlog een handel in houtblokjes voor houtgasgeneratoren in auto’s. Hij moet verplicht leveren aan de Wehrmacht. In 1942 koopt hij een oude reddingsboot die hij ombouwt tot zeiljacht. Later gebruikt hij dit bootje als onderduikadres. Na de overval duikt hij onder in Leeuwarden. “Soms voelde ik me moedeloos (...) dan ging ik voor het bovenraam staan en keek ik uit op de gevangenis. Als ik dan terugdacht aan onze overval, kreeg ik toch weer moed”, blikt hij in december 1962 in Trouw terug op deze periode.

Hoe succesvol hij is als leider van de overval, zo tragisch is wat er daarna gebeurt. In januari 1945 geeft Oberman het verzet opdracht om een aantal gevangenen te bevrijden, die per auto van Dokkum naar Leeuwarden worden vervoerd. De auto wordt bij het dorp De Valom beschoten: een Duitser wordt gedood, een ander raakt gewond. Als represaille worden op 22 januari 1945 twintig Dokkummers geëxecuteerd. De fusillade blijft Oberman zijn leven lang met zich meedragen.

In 1950 trouwt hij, op 42-jarige leeftijd met de 25-jarige Jantje Visser. Ze krijgen vier kinderen. Als er in 1965 onder oud-verzetslieden protesten ontstaan tegen het huwelijk van kroonprinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg, neemt Oberman het op voor de prinses. Dat vergeet de koninklijke familie niet: in 1967 is hij aanwezig bij de doop van prins Willem­­-Alexander. In die periode begint hij te kwakkelen met zijn gezondheid. Oberman overlijdt­­ in november 1972 op 64-jarige­­ leeftijd, vermoedelijk aan een hersenbloeding.

Chris Hofing, (1914-1998), verzetsnaam Arie/Riemer

Betaalde hij de rekening? Christiaan Hofing wordt in 1954 op de fiets geschept door een auto bij Menaldum. Hij loopt hoofdletsel op en raakt blind aan een oog. In juni 1969 verongelukt zijn 19-jarige, enige zoon met zijn brommer. Hierna wordt de oud-verzetsman nooit meer de oude. De gelovige Hofing meent dat hij het noodlot over zichzelf heeft afgeroepen. Dat hij moet boeten voor de overigens mislukte liquidatie van een landwachter in Winsum in 1944. Hofing­­ schiet deze man neer, als die op de fiets komt aanrijden met zijn kind voorop. De verrader overleeft de aanslag, maar raakt blind aan een oog en doof aan een oor.

Hofing groeit op in een gereformeerd arbeidersgezin in Rinsumageest. Na zijn diensttijd gaat hij bij de marechaussee, daarna bij de politie. Hij is een sportieve man, die drie keer de Elfstedentocht uitrijdt. Bij die van 22 januari 1942 moet er bij hem als gevolg van de vrieskou (-14 graden) een teen worden geamputeerd.

In 1944 begeleidt hij als agent een gevangenentransport van Alkmaar naar Amersfoort. Dit grijpt hem aan en hij duikt onder. In Burdaard komt hij in contact met de leiders van het Friese verzet. Hofing neemt aan veel sabotage-acties deel. Bij de overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden is hij een van de twee vermomde agenten die drie ‘zwarthandelaren’ moet afgeven bij de gevangenis. In een interview in Trouw in 1962 zegt hij hierover: “Ik voelde me heel rustig, terwijl we daar in het felle licht voor de gevangenis stonden te wachten. Ik was bij de marechaussee geweest en voelde me in uniform dus goed thuis. Ik had zelfs even het gevoel dat ik weer een bovengrondse kerel was.” Bang is hij niet geweest, zegt hij.

Na de oorlog werkt hij tot zijn 40ste als opperwachtmeester. Na het ongeval wordt hij afgekeurd en raakt gedeprimeerd; de politie was zijn lust en leven. Hofing overlijdt in februari 1998, 83 jaar oud, drie maanden na zijn vrouw Tinie Filmer.

Johannes Deinum, (1920-2003), verzetsnaam Hans

Hans Deinum groeit op in een hervormd gezin in Workum. De Duitse inval maakt diepe indruk op de zachtaardige jongen. Gedemoraliseerd ziet hij hoe het vliegveld bij Bergen wordt gebombardeerd. Zijn broer Andries is in 1938 naar New York vertrokken en werkt in de filmindustrie met Alfred Hitchcock en John Ford. Na de capitulatie wil Hans ook naar Amerika. Hij schrijft Andries: “Ik wil iets bereiken. Maar er is hier geen kans voor ons.” Hij belandt echter al snel in het verzet en helpt onderduikers, vervoert Amerikaanse piloten en vervalst bonkaarten. Later wordt hij lid van de knokploeg van Jan Lever in Sneek. Op diverse plekken in Friesland duikt hij onder.

Na de oorlog valt het hem niet mee het gewone leven weer op te pakken. Hij zou tegen zijn zoon Henk hebben gezegd: “Het leek wel of het voor ons moeilijker was werk te vinden omdat er een zekere afgunst was. We werden ook wel gezien als onverantwoordelijke avonturiers.” Deinum kan het in Nederland niet goed vinden. In oktober 1949 emigreert hij met zijn vrouw Nieke alsnog naar Amerika. Ze belanden in South Dakota bij familie, maar verhuizen later naar Los Angeles waar Hans doodgraver wordt. Daar treft hij mede-overvaller Eppie Bultsma, die daar ook is neergestreken met zijn gezin. Later verhuist hij naar Los Angeles en volgt een opleiding tot technisch tekenaar. Dankzij een aanbevelingsbrief van Eisenhower krijgt hij werk in een vliegtuigfabriek.

Maar Deinum krijgt heimwee. De heksenjacht op communisten en de rassenscheiding in Amerika staan hem ook tegen. Na vier jaar keert hij met Nieke terug naar Friesland. Er is woningnood en een baan vinden valt niet mee. Later wordt hij vertegenwoordiger in landbouwwerktuigen. In de jaren zeventig spelen oorlogstrauma’s op en gaat hij in therapie bij professor Bastiaans. Deinum sterft in 2003 op 83-jarige leeftijd in Heerenveen.

Lees ook:

Toen stond de Duitser weer voor de deur: ‘Ist dein Vater da?’

Het is 75 jaar geleden dat de Slag om de Schelde - op 8 november 1944 - voorbij was en Zuidwest Nederland bevrijd. Jakob Boersma (toen 14, nu 89 jaar oud) beklom ‘s avonds het dak van de pastorie in het dorp Kloetinge op Zuid-Beveland en volgde de strijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden