null

EssayTrots zijn

Mijn ongemak bij het opgestoken duimpje: Je hoort trots te zijn op je kinderen, maar ik voel het niet

Beeld Sjoerd van Leeuwen

Terwijl ze iedereen achteloos ‘trots-op-jou’-tjes ziet uitdelen op sociale media, vindt Jacqueline Kuijpers het al lastig om tegen haar kinderen te zeggen dat ze trots op ze is. Waar komt dat ongemak vandaan?

‘Die komt er wel”, zei meneer Jan, de onderwijzer van wat toen nog de zesde klas heette, tegen mijn ouders. Ze hadden het over mij, over mijn Cito-toets, waarmee ik naar het gymnasium zou kunnen. “Die komt er wel.” Toen mijn ouders mij vertelden wat meneer Jan hen had verteld, keek ik daar van op. Ik vond mezelf bepaald geen uitblinker. Integendeel. Mijn wangen kleurden dieprood als ik een fout maakte of als ik terugdacht aan fouten die ik eerder had gemaakt. Zoals toen ik tijdens een proefwerk bij de vraag ‘Hoe heet het jong van een hert?’ in mijn nette meisjeshandschrift had opgeschreven ‘een bambi’ en meneer Jan dit ’s anderendaags hardop in de klas had voorgelezen met een lach in zijn stem die mij geheel ontging. “Hahaha, een bambi”, lachte de klas met hem mee. Lachte de klas mij uit, voelde ik. Het bloed steeg mij naar de wangen en ik had er al mijn spaargeld voor gegeven als op dat moment de linoleumvloer van ons klaslokaal precies onder mijn voeten in tweeën was gespleten en ik geruisloos in de grond had kunnen zakken.

“Die komt er wel.” Nog jarenlang herhaalden mijn ouders dit compliment als ze over mij spraken met familie en vrienden. “Die komt er wel.” Ik hoorde het zo vaak dat ik er zelf in ging geloven. Ik had wat in mijn mars. Ik zou er wel komen. Waar ‘er’ lag wist ik niet, noch hoe ik ‘er’ zou bereiken, maar vaststond dát ik daar zou komen. De meester had het immers gezegd, en die had zoveel kinderen gezien, die wist waar hij het over had.

Rasechte Zeeuwse

Het geleende compliment van meneer Jan is één van de weinige die ik van mijn ouders kreeg. Als rasechte Zeeuwse was mijn moeder ook op dat vlak zuinig. Misschien ligt daar wel de wortel van mijn ongemak. Als je ouders niet laten zien dat ze trots zijn op jou, op je capaciteiten, op je prestaties, wat doet dat dan met je? Terugzoekend in mijn herinneringen zie ik mijn ouders niet tijdens de uitreiking van mijn middelbare schooldiploma. Ze moeten er zijn geweest, lijkt me, maar bewijslast ontbreekt. Het cadeau dat ik voor dat diploma kreeg, moest ik zelf gaan kopen in de stad.

Maar als ik terugkijk naar de foto’s van mijn trouwdag zie ik daar wel mijn moeder gelijk een vorstin komen aanlopen over de oprijlaan van het kasteeltje waar we trouwden: opgedoft, wuivend naar de verzamelde menigte en, ja, trots. Alleen vraag ik mij nu af op wie of wat zij trots was. Op mij, haar dochter, die ging trouwen? Op de chique locatie van ons huwelijk, die ook op haar afstraalde? Of op zichzelf, de stralende moeder-van-de-bruid, flirtend met de camera?

Je hoort trots te zijn op je kinderen, maar ik voel het niet

Trots. Of, zoals ze in Zeeland zeggen, ‘groôs’. Ik voel het niet, van binnen. Ik zeg het wel hoor, schrijf het ook op, op LinkedIn, op Facebook: ‘Super-trots op mijn dochter’. Maar eigenlijk doe ik dat vooral omdat ik denk dat het zo hoort. Je hoort trots te zijn op de prestaties van je kinderen.

Als mijn dochters vroeger iets voor publiek moesten doen, zingen, een paardrijwedstrijd rijden, dan voelde ik twee dingen: opluchting als het goed ging (de lastige hoge noot gehaald, het paard een beheerst rondje laten draven) en daarmee een teleurstelling was voorkomen. En ik voelde blijdschap als ik het stralende gezicht van mijn kind zag. Ontroering ook. Maar trots voelde ik niet. Ik wist niet waar het zat.

Ik denk aan schrijfster Nilgün Yerli. In het portret dat zij schetst van haar jeugd in een gastarbeidersgezin met Turkse wortels beschrijft ze ook de wijze lessen die ze van haar moeder leerde. Eén ervan is dat je ieder compliment dat je krijgt als een cadeau moet uitpakken. Dus als iemand zegt: ‘leuke outfit’, zeg dan niet: “oh ik heb maar gewoon wat aangetrokken vanmorgen”, maar pak het compliment uit als een cadeautje: “Dank je wel! Ik heb er veel zorg aan besteed om dit zo bij elkaar uit te zoeken.” Met andere woorden: durf trots te zijn op je prestaties.

Viering van Internationale Kinderdag in Peking, China. Het fundament voor zelfvertrouwen wordt in de kindertijd gelegd. Beeld AFP
Viering van Internationale Kinderdag in Peking, China. Het fundament voor zelfvertrouwen wordt in de kindertijd gelegd.Beeld AFP

Trots zijn op je prestaties. In de literatuur wordt dit authentieke trots genoemd. Het fundament hiervoor wordt in de kindertijd gelegd. “Kijk mama, kijk!” Je kind vraagt aandacht voor iets wat het doet en jij complimenteert hem of haar: “Wow, goed gedaan!” Zo leer je als kind je goed te voelen over je eigen prestaties. Authentieke trots is dus een waardevolle emotie; het is een belangrijke bouwsteen voor je eigenwaarde en je zelfvertrouwen.

De juiste balans

Maar net als bij veel dingen in het leven draait het bij trots ook om het vinden van de juiste balans. Een gezonde dosis trots is goed, maar wie té trots is op zijn prestaties ondervindt daar negatieve gevolgen van. Dan word je arrogant gevonden bijvoorbeeld, en dat kost je vrienden. Dat geldt al helemaal als je laat merken dat je jezelf gewoon fántástisch vindt, of je nu wel of niet iets gepresteerd hebt. Deze vorm van trots wordt ‘hybris’ genoemd of ‘hoogmoedige trots’. Narcisten hebben hier nogal last van.

Authentieke trots reikt overigens verder dan je eigen prestaties alleen. Ook op je kinderen kun je authentiek trots zijn, je broers en zussen, je ouders. Eigenlijk op iedereen met wie je je verbonden voelt, je roedel zeg maar, inclusief je huisdieren. Dat laat Kees van Kooten zien in zijn verhaal ‘Willem’, dat in de bundel Veertig verscheen. “Willem was een niet helemaal zuivere, langharige herder, een beetje aan de lage kant”, schrijft Van Kooten. Hij verhaalt over de vele tochten die ze samen ondernamen, de stokken die hij eindeloos in het water gooide waarna Willem ze trouw terugbracht. Hoe Willem zich een rood-wit supporterspetje liet opzetten bij Europacup-wedstrijden. Hoeveel hij van de kinderen hield, en van bezoek. “Bij verjaardagen gingen de beide opa’s om beurten met Willem wandelen. Willem was een hond waarmee je gezien kon worden: een hond die iedereen stond.”

Kees van Kooten, die in hetzelfde verhaal beschrijft hoe zijn timmerprojecten nogal eens verzanden in wankele werkstukken, slaagt er hier in met twee zinnen het ultieme beeld van een liefdevolle, trotse hondenbezitter te figuurzagen. Ultiem, omdat als je het beeld omdraait de achterzijde niets dan liefde laat zien. Een januskop met twee mooie gezichten, als het ware, en dat is zeldzaam. Vaak heeft de medaille van trots immers een minder fraaie achterkant.

Volgens Van Dale heeft het bijvoeglijk naamwoord ‘trots’ zes betekenissen, te beginnen met ‘vervuld en blijk ge­vend van een ge­voel van meerderheid boven ande­ren’ en ‘vervuld van een groot gevoel van eigenwaarde.’ Pas de laatste betekenis van het woord is positief: ‘tevreden, voldaan over wat je bezit, bereikt hebt of tot stand hebt ge­bracht’. Geen wonder dat ik me niet helemaal gemakkelijk voel als ik zeg dat ik trots ben. Wie trots is gaat boven een ander staan. Mijn kind is slimmer dan het jouwe. Mijn baan is hoger dan de jouwe. Mijn land is beter dan het jouwe.

Dat is precies wat trots tot een complexe emotie maakt, zegt Agneta Fischer, hoogleraar emoties en affectieve processen aan de Universiteit van Amsterdam. “Bij trots speelt, anders dan bij bijvoorbeeld blijdschap, altijd een sociale vergelijking.” Altijd. Daardoor kan het badinerend overkomen als iemand zegt trots op jou te zijn. Je weet niet met wie of wat hij je vergelijkt. Een baas die zegt: “ik ben trots op hoe jij deze memo hebt geschreven”, die bedoelt misschien: “dat had ik niet van je verwacht”, of : “ik had het zelf beter gekund”.

IJdelheid

Ik wil voorkomen dat anderen van mij denken dat ik boven ze ga staan. En van de weeromstuit ga ik mijzelf kleineren. Mijn prestaties. En die van mijn kinderen. Mijn oudste dochter deed drie wetenschappelijke studies tegelijk en haalde alle drie de bachelors in drie jaar tijd. Cum laude ook nog. Maar als ik over haar vertelde zette ik in dezelfde zin direct een verontschuldiging achter haar prestatie. “Ja, maar ze weet van zichzelf dat ze het druk moet hebben om goed te presteren.” Of ik zei lachend dat ik het ook niet begreep. Ik kon haar niet zonder een ‘ja-maartje’ laten shinen. Oftewel: ik schaamde me.

De Schotse filosoof David Hume beschreef de paradox van trots: Datgene waar je trots op mag zijn bestaat uit goede deugden, maar de trots zelf wordt als een ondeugd beschouwd. Beeld
De Schotse filosoof David Hume beschreef de paradox van trots: Datgene waar je trots op mag zijn bestaat uit goede deugden, maar de trots zelf wordt als een ondeugd beschouwd.

Voor mijn Zeeuwse moeder was ‘trots’ vooral gekoppeld aan ijdelheid. Hoogmoed komt immers voor de val. Vaak citeerde ze mijn Bijbelvaste grootvader, die op zijn beurt háár weer om haar oren had geslagen met de tekst van Prediker: “IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid”. Kennelijk heb ik dat van haar geërfd, want met iets andere woorden is dat precies wat ik tegen mijn echtgenoot zeg als hij tijdens een etentje met vrienden weer eens zit op te scheppen over onze kinderen: “Zo kan ie wel weer.” IJdelheid der ijdelheden. “Ach”, zei een goede vriend toen eens vergoelijkend, “over je eigen kinderen mag je best opscheppen”. Filosoof David Hume beschreef het als de paradox van trots: datgene waar je trots op mag zijn bestaat uit goede deugden, maar de trots zelf wordt als een ondeugd beschouwd.

Wellicht is het uit empathie met de ander die niet zo’n ‘bijzonder’ kind heeft, dat ik er moeite mee heb. En misschien is mijn opscheppende echtgenoot een minder empathisch mens dan ik. Eerlijk gezegd weet ik zeker van niet. Als er iemand huilt bij films over zielige kinderen en hondjes is hij het. Wellicht speelt hier wel het gender-effect een rol. Mannen kennen overwegend minder schroom om hoog over zichzelf – en hun roedel – op te geven dan vrouwen. Een voorbeeld uit intern onderzoek van Hewlett-Packard, een paar jaar geleden: waar mannen al op een managementbaan solliciteerden als zij zich in 60 procent van de functie-eisen herkenden (bluf!), zetten vrouwen deze stap pas als ze meenden er voor de volle 100 procent aan te voldoen. Vrouwen die succesvol zijn, schrijven dit vaker aan toeval en geluk toe, dan aan hun eigen capaciteiten. Gebrek aan zelfvertrouwen dus. Niet trots (durven) zijn op je prestaties.

‘Je niet durven ontplooien is juist een vrouwelijke zonde’

Predikant Gertine Blom zei hierover in het Friesch Dagblad: “Zonde wordt vaak omschreven als trots, als God willen zijn. Maar feministische theologen zetten daar in de jaren zeventig een andere invalshoek tegenover. Zij beargumenteerden dat jezelf klein houden en je niet durven ontplooien misschien wel juist vrouwelijke zondes zijn.”

Een pleidooi om trots te zijn, uit kerkelijke bron nog wel: zo had ik er nog niet naar gekeken. Bij mijn Bijbelvaste grootvader lag het in de mond bestorven te zeggen dat zijn dochter ‘maar’ een meisje was en ze, ómdat ze een meisje was, geen andere ambities hoorde te hebben dan haar man te dienen.

Pak ieder compliment uit als een cadeautje. Ofwel: durf trots te zijn op je prestaties. Amerikanen zijn hier goed in. Het frappante is dat in de Oxford Dictionary ‘proud’ als eerste een gunstige betekenis heeft: pleased. Met als uitleg: ‘feeling pleased and satisfied about something you own or have done or are connected with’. Pas daarna volgt de betekenis die bij ons bovenaan staat ‘feeling too important’. Trots heeft in het Engels dus letterlijk minder nare bijklanken dan bij ons. Je krijgt de taal die bij je past.

In dat licht is het aardig om te vermelden dat Van Dale al in 2015 opmerkte dat de betekenis van het woord ‘trots’ aan het veranderen was: “Vroeger kon je alleen ergens trots op zijn als je er zelf een zeker aandeel in had. Je kon trots zijn op iets wat je had bereikt in je werk, of op een bijzondere sportprestatie die je had neergezet. Toegegeven, ook op je kinderen kon je trots zijn, maar aan de totstandkoming daarvan had je natuurlijk ook het nodige bijgedragen door ze te baren dan wel te verwekken. Verder kon je nog trots zijn op je land, als dat een voetbaltoernooi won of de grootste haven ter wereld bezat. Maar dat was het dan ook wel zo’n beetje. Tegenwoordig zijn veel mensen trots zonder dat ze zelf iets hebben gepresteerd. Zo hoor je vaak mensen zeggen dat ze trots zijn op iemand die zich niet neerlegt bij een ziekte (…).” Van Dale schrijft dat dit gebruik van trots wellicht is overgewaaid uit Amerika ‘waar men sowieso veel trotser is dan bij ons’.

Glimmen van trots

Als het woordenboek de spiegel van de tijd is zien we hier een reflectie van een bijzonder beeld. Want talig gezien kun je ‘glimmen’ van trots. Glinsteren, hoorde ik laatst iemand zeggen, ook mooi. Je borst kan opzwellen van trots. En op diezelfde borst kun je dan ook weer slaan als je trots bent op wat je bereikt hebt. Als we de nieuwe betekenis van trots in ogenschouw nemen ga je dus zelf ook glimmen als je buurman een nieuwe baan heeft: Trots op jou! Zwelt je borst op als je conducteur bent en je ziet dat iemand is ingecheckt: Trots op jou! Sla je je op de borst als de bezorger van de super op tijd jouw boodschappen aflevert: Trots op jou!

Oké, zo letterlijk tonen we die trots waarschijnlijk niet, maar in wezen is het wel wat we op sociale media laten zien. We geven vage kennissen, Facebook-vrienden en celebs een applaus (emoji van klappende handjes), laten onze virtuele biceps zien en steken onze duim op: Knap! Sterk! Trots op jou! Van Dale duidt dit verschijnsel als een verandering van betekenis, maar ik zie het eerder als een verbreding. Want naast trots op onze eigen prestaties kunnen we nu ook trots zijn op de prestaties van vreemden. In de psychologie bestaat hier een term voor: ‘basking in reflected glory’.

Met hetzelfde gemak als waarmee we op sociale media ‘trots op jou’ zeggen als we willen meedelen in iemands glorie, roepen we ‘weg met jou’ als diezelfde persoon een fout maakt. Want we willen natuurlijk niet dat die fout ook op ons afstraalt. Het is dus een vorm van opportunistische trots die we hier zien.

Meedelen in iemands eer en glorie, zonder dat je er iets voor hebt hoeven doen: het is een makkelijke vorm van trots, achteloos bijna en daarmee gratuit. Een vorm van trots die het gevaar in zich heeft dat het de oorspronkelijke betekenis van trots uitholt. Want als je op iedereen en alles trots bent, wat is dan nog de waarde ervan?

Jacqueline Kuijpers werkt als freelance journalist en schrijver. Ze is de (trotse) moeder van vier dochters.

Lees ook:

Trots op je lijf, je huisdier of je eigen zaak: ‘Ik mag mezelf best een schouderklopje geven’

Hoe kan trots eruitzien? Boźena Leszczyńska is trots op haar rashonden, Samuel van Keeken op zijn lichaam en Karin Looijesteijn op haar werk als bloemist. Fotograaf Martijn Gijsbertsen legde hun trots vast.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden