Tien Geboden Interview

Marian Donner: Verlangen naar zuiverheid is funest

Marian Donner. Beeld Mark Kohn

Marian Donner (Amsterdam, 1974) debuteerde in 2006 met de roman '8:30: opstand', in 2011 gevolgd door 'Lily'. Onlangs verscheen Donners 'Zelfverwoestingsboek' waarin ze uitlegt 'waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen'.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Soms denk ik dat ik op een dag nog heel gelovig ga worden. Een beetje op de Kierkegaard-manier – een sprong in het diepe – tegen de maakbaarheid in; een keuze waar mijn verstand niet aan te pas komt. Dan omarm ik het idee dat ik nooit alles zal kunnen begrijpen. Daar zit ook iets nederigs in wat ik heel mooi vind. Ik ben niets in mijn eentje; ik maak deel uit van een groter geheel. Waartoe die sprong gaat leiden? Nou... nergens toe, dat is precies mijn punt: er ís geen doel. Het gaat me om de sprong zelf, het moment van verlichting waarop ik eindelijk durf te zeggen: ik weet het niet, ik geef me over.”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“We willen allemaal goden zijn: zonder oneffenheden, zwaktes of rimpelingen. Wist je dat de nieuwste smartphones foto’s maken die automatisch geshopt worden? De huid is gladder, de ogen lijken nét iets groter. De lat ligt abnormaal hoog; we moeten de beste versie van onszelf worden, intellectueel en ­lichamelijk. We moeten er dertig jaar jaar jonger uit zien, op ons zeventigste nog de marathon hollen en onze grenzen verleggen.

Kijk maar naar Maarten van der Weijden. Een held! Een martelaar! Iemand die zijn lichaam trotseert – close-up van zijn verschrompelde voetzolen – en er nog miljoenen euro’s mee ­inzamelt ook. Ik denk steeds: zou hij dat geld niet hebben gekregen als hij er gewoon om had gevraagd? Maar nee, hij moet lijden. Zodat wij kunnen bewonderen. Zo hoort het: afzien, door de diepste dalen gaan, nóg een keer proberen. En als het je niet lukt en je daardoor in een depressie raakt, moet je ook van die depressie iets moois zien te ­maken. Alles moet altijd maar nut ­hebben. De arme mens.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Heeft mijn opa (Jan Donner, 1891 - 1981, voormalig Minister van Justitie voor de ARP, red.) godslastering strafbaar gesteld? Haha! Sorry. Gelukkig is dat artikel een paar jaar geleden weer uit het wetboek geschrapt. Waarom zou je je aangesproken voelen als een ander jouw God beledigt? Ik snap dat niet. Als je geloof sterk is, sta je daar toch boven? En wat de Donners betreft: dat was ooit een gereformeerde, steile, koningsgezinde dynastie, maar het is nu vooral een vrolijke, gezellige familie met wie je heel goed feest kan vieren.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Ik ben lui. Echt heel lui. Ik verdoe mijn tijd met een beetje hangen, spelletjes spelen, vooruit nog één drankje in het café... lekker niksen, heerlijk. Het zou geen slecht idee zijn om de zondagsrust weer in te voeren. Niet vanuit een christelijk idee, maar om bij de mensen die naar een winkel gaan een shock ­teweeg te brengen: huh, dicht? Ja, dicht. Wacht maar iets langer. Doe maar even niets.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder was de wet thuis – ‘Ik waarschuw maar één keer’ – maar ze liet me in de buitenwereld vrij, keurde mijn keuze voor een vaag schrijverschap in de marge niet af terwijl ze wel grotere dromen over mijn toekomst had gehad. Zelf was ze rechter, een fulltimebaan, die ze ook nog moest combineren met mijn opvoeding omdat mijn vader (Hein Donner, 1927 - 1988, schaakgrootmeester en schrijver, red.) ernstig ziek werd toen ik negen was en vijf jaar later zou overlijden.

Hij was 46 toen ik werd geboren. Ik was de tweede leg, hij zat al in een rustige fase van zijn leven en stortte zich helemaal op het vaderschap. In mijn herinnering gingen we als gelijkwaardigen met elkaar om; het was alsof hij een groot kind was. We maakten ruzie over wie er voorin de auto mocht zitten of over het televisieprogramma dat we zouden kijken: Sesamstraat of het Journaal. Mijn vader was totaal onautoritair, een grote teddybeer, heel liefdevol, er altijd op gericht om mij over dingen te laten nadenken. Als ik ‘s nachts niet kon slapen, ging ik naar zijn kamer waar hij, in een wolk van sigarettenrook, zat te werken. Ik zie het weer voor me: hij, achter zijn bureau, en ik liggend op de bank. Ik weet nog precies hoe fijn, hoe veilig ik me voelde.

Ik was erbij toen hij de laatste hersenbloeding kreeg, hij bleek al eerder kleintjes te hebben gehad, maar deze velde hem. Het gebeurde ‘s avonds. In mijn herinnering is alles samengebald tot één beeld, een soort foto, van mijn vader op de bank – die bank waar ik ‘s nachts op lag – onveranderd, maar toch de oude niet meer... Ik heb mijn moeder gebeld, de ambulance kwam hem halen – ik weet er niets meer van.

Mijn ­vader werd opgenomen in een verpleeg­huis waar hij zich eigenlijk ­alleen nog maar bezighield met het schrijven van stukjes voor de krant. Ik heb hem in die tijd niet vaak ­bezocht. Ik herinner me wel dat ik een keer langsging om mijn nieuwe schoenen te laten zien, maar daar had hij, ­begrijpelijk, niet zoveel belangstelling voor. Hij heeft me één keer, kort voor zijn dood, verteld over de dag waarop ik ­geboren werd. Dat vond ik achteraf heel mooi, maar toen in die tijd – ik was een ­puber – drong het niet zo tot me door.

Toen hij stierf, werd ik op school ineens één van de betere leerlingen. Geen zesjes meer maar negens en tienen. Het was alsof ik onbewust al mijn energie op iets anders wilde richten dan op dat gemis.

Twee jaar later volgde er een soort tegenreactie: ik ging spijbelen, blowen, tafelvoetballen, creëerde een soort fantasiewereld met mijn twee ­beste vriendinnen. We waren onafscheidelijk en ik voelde me door hen enorm gesteund, maar ik kon niet echt praten over mijn verdriet. Het was alsof er een gat in mijn ziel was geslagen. Een diep, zwart gat met een soort aanzuigende werking. Ik was altijd bezig er omheen te laveren; alles draaide letterlijk om dat gat, om het gemis. In de loop der jaren ben ik die leegte gaan vullen met vriendschappen, met liefde, met het ­leven zelf... ik geloof dat ik inmiddels wel kan zeggen dat ik over mijn verdriet heen ben, dat ik er vrede mee heb.

Je zou er alleen nog iets van kunnen merken in de manier waarop ik me tot afwezigheid verhoud; ik kan makkelijk met afstand overweg. Ik zou er geen moeite mee hebben om mijn vriendinnen een half jaar niet te zien ­– dat ­gebeurt niet omdat ik tegelijkertijd ­extreem trouw ben. Het duurt erg lang voordat ik me aan iemand bind, maar als we eenmaal vrienden zijn dan laat ik je niet meer los. Tegelijkertijd weet ik – daar komt mijn antimaakbaarheids­denken waarschijnlijk ook deels vandaan – dat we weinig zelf in de hand hebben. Ik verloor mijn vader op mijn veertiende. Dat is me overkomen. Ik kon er niets aan doen.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Mag je jezelf verwoesten? Dat is een interessante vraag... eigenlijk niet hè? Of toch wel? Dit is mijn lichaam, ik mag het tatoeëren, ik mag er piercings in doen en ik mag net zoveel roken en drinken als ik wil. Toen mijn vader ­overleed, ben ik eerst een tijdje boos ­geweest. Had je niet iets beter je best kunnen doen om te blijven leven, voor mij? Het was natuurlijk niet de bedoeling – aan die hersenbloeding kon hij ook niets doen – maar zijn levensstijl was zeker ongezond.

Toch heb ik mijn manier van leven sinds ik moeder ben ook niet aangepast. Een vriendin van mij gelooft dat ze als moeder super­gezond en zo lang mogelijk moet blijven leven, maar ik denk vooral aan een goed leven; aan een ­goede moeder zijn. Als ik voortaan elke dag naar de sportschool ga, leef ik ­misschien wel langer, maar de kans is groot dat die gewonnen tijd precies overeenkomt met de tijd die ik in de sportschool heb doorgebracht. Of er valt een steen op mijn hoofd.

Of ik heb de genen van mijn oma en word, zonder daar mijn best voor te doen, ver in de tachtig. Wie zal het zeggen? Leven is toch een soort langzaam doodgaan – daar komt het in de meeste gevallen wel op neer.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Verliefdheid is volgens mij een truc van de natuur; het is een overweldigend gevoel dat onder allerlei troep en afval terecht kan komen, maar toch altijd, sluimerend, blijft bestaan. Ik heb van die momenten, dan weet ik het weer precies: ja, dáárom werd ik zo verliefd op hem. Hij was alles wat ik wilde: wild, woest en onaangepast. We zijn nu al eenentwintig jaar samen, we hebben een zoon van bijna vier jaar oud; de keuze voor elkaar is onvoorwaardelijk.

Ik geloof niet dat je je per se aan dit ­gebod zou moeten houden – en nee, op de vraag of ik altijd trouw ben, kan ik natuurlijk niet in gaan. Dit is toch geen openbare biecht?

Ik ga je op een filosofische manier een argument leveren: volgens mij is het goed om geheimen voor elkaar te bewaren. Waarom zou ­alles in ons leven transparant, schoon en opgeruimd moeten zijn? Je hoeft niet alles van ­elkaar te weten, je hoeft elkaar ook niet volledig te begrijpen, sterker nog: je kúnt elkaar nooit helemaal begrijpen. Verlangen naar zuiverheid is funest, domweg omdat het niet haalbaar is. Stel ­– ik zeg stel – dat ik toch met een ander naar bed zou gaan, waarom zou ik dat dan aan mijn vriend vertellen? Ik hoef zoiets ook niet van hem te horen. Liever niet. Omdat het me pijn zou doen, tuurlijk, maar ook omdat ik het belangrijker vind om vast te houden aan het idee dat we niet elkaars bezit zijn. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat hij uiteindelijk toch het aller- allerliefst bij mij wil zijn. Dat is het enige wat telt.”

VIII Gij zult niet stelen

“Op mijn derde begon ik al met stelen. Het eerste wat ik heb gejat was een potje nagellak, zo mooi roze, zo mooi glanzend; ik móest het gewoon hebben. Ik pikte ook koekjes uit de trommel, maar mijn moeder telde de koekjes dus ik werd keer op keer betrapt. Zij kwam ­altijd overal achter. Ze stuurde me ook terug naar winkels, om sorry te zeggen. Heel beschamend, maar ik ging er toch mee door. Later ook, met vriendinnen. Inmiddels ben ik een stuk minder hebberig geworden. Ik ben heel zen, met spullen, ik hoef niks te hebben. En je mág natuurlijk niet stelen, tenzij je honger hebt. Mijn gedrag past nu beter bij de ideeën die ik altijd al over eigendom en kapitalisme heb gehad.

Na mijn studie psychologie ging ik werken voor de Partij van de Arbeid, maar werd enorm teleurgesteld door het ­opportunisme en het gebrek aan een ­visie over wat voor samenleving je wilt creëren. Daarna kwam ik bij een hulporganisatie terecht en zag hoeveel geld er aan de strijkstok bleef hangen en hoe er om de beperkte middelen werd ­gevochten. Dat waren twee enorme ­decepties, maar ik ben er niet minder strijdbaar door geworden: ik zet me in voor een betere wereld. Het kapitalisme moet down!

Acht jaar geleden klonk er nog hoon­gelach op als je dat woord ­gebruikte maar het is nu bij veel mensen doorgedrongen dat er iets fundamenteel mis is met ons systeem. ­Minder hard werken, minder schulden, minder zorgen. Dat is niet een of andere utopische gedachte, maar een reële mogelijkheid, een noodzakelijkheid zelfs, want het kapitalisme, het neo­liberalisme, leidt maar tot één ding: de uitputting van mens, dier en aarde.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Weet je wat ik doe met herinneringen waarover ik me mogelijk zou kunnen schamen? Daar maak ik gewoon ándere verhalen van. Nee joh, ik heb helemaal niet over iemand heen gekotst die keer, ik was net op tijd bij de wc! Het was geen rare avond, het was juist heel erg leuk en gezellig. Als je zo’n nieuwe ­gedachte vaak genoeg herhaalt, ga je er vanzelf in geloven. Hoef je ook niet meer te schamen.

Er zijn ongetwijfeld veel dingen in mijn leven die niet kloppen – wat is dat ­eigenlijk: kloppen? ­– maar ik hoef niet alles wat me tegenhoudt op te lossen, ik hoef niet helemaal gezond en fris te zijn. Waarom zou ieder smetje op je ziel door een psychiater weggepoetst moeten worden? Ik houd juist van de schaduwen, de krochten en de rafelranden. Het leven is veel spannender als er nog iets verborgen blijft.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws ­naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“We zijn allemaal uitbaters van onze ­eigen toko’s geworden, we vergelijken onszelf voortdurend met elkaar – en met de beelden die via de media en de beeldcultuur tot ons komen – waardoor we ons, bijvoorbeeld, gaan afvragen waarom mensen zonder talent tóch zo succesvol kunnen zijn. Alsof geluk geen rol meer speelt.

Het is helemaal niet zo dat de beste ­altijd boven komt drijven of dat de rijkste mensen de slimsten zijn. Het is niet zo dat alles klopt als je het eenmaal hebt gemaakt. We leven niet dezelfde levens, we krijgen niet dezelfde kansen. Dus nee, begeer die ezel van je naaste alsjeblieft niet! Vermijd competitie, daar word je alleen maar ongelukkig van.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden