ReportageKoloniën van Weldadigheid

Koloniën in eigen land, voor de armen en het uitschot. ‘Vroeger was je niet trots als je hier woonde, nu wel’

Jan Mensink voor het bestuurs-gebouw van de stichting Maatschappij van Weldadigheid. Beeld Herman Engbers
Jan Mensink voor het bestuurs-gebouw van de stichting Maatschappij van Weldadigheid.Beeld Herman Engbers

Verplicht onderwijs. Een eigen munteenheid. Een ziekenfonds. De Koloniën van Weldadigheid waren de verzorgingsstaat avant la lettre. Zondag horen ze of ze worden bijgeschreven op de Unesco-lijst voor werelderfgoed.

De straten van Frederiksoord zijn kaarsrecht, met exact om de tachtig meter een huis. Dat kan geen toeval zijn. Is het ook niet, zegt Jan Mensink, tijdens een wandeling door het dorp in het zuidwesten van Drenthe waar hij geboren is en dat dertig jaar van zijn werkende leven beheerste.

Tot 2018 was Mensink directeur van de Maatschappij van Weldadigheid. Een armoedebestrijdingsproject is dat allang niet meer; vandaag de dag behoudt, beheert en ontwikkelt die stichting het erf- en gedachtengoed van de Maatschappij van Weldadigheid. Daarnaast is ze eigenaar van de gronden.

Nee, toeval bestaat hier niet: elke steen die hier ligt, elke boom die hier staat is gepland en uitgedacht. Dat krijg je als een dorp niet van nature ontstaat, maar wordt ontworpen.

Even een stapje terug in de geschiedenis. Zo’n twee eeuwen her is de grond hier leeg. Huis Westerbeek staat er – een landhuis – en een logement, dat is alles. Het zijn de post-napoleontische jaren en het gaat niet best in Nederland. Mislukte oogsten en daaropvolgende armoede en hongersnood jagen duizenden mensen de straat op om te stelen en bedelen, vooral in de grote steden. Een derde van de bevolking leeft van liefdadigheid, de staatskas zucht en steunt.

Dat moet toch anders kunnen, denkt generaal Johannes van den Bosch. Hij zoekt medestanders, mensen die er warmpjes bij zitten en een aardige duit ervoor over hebben om een einde te maken aan de landloperij en andere overlast. Van den Bosch richt, in 1818, de Maatschappij van Weldadigheid op, benoemt zichzelf tot directeur en koopt circa vijfhonderd hectare grond aan voor zijn sociale experiment.

Verplicht naar school

Later volgt uitbreiding, zeven ‘koloniën’ komen er uiteindelijk, vijf in Nederland en twee in België. De eerste noemt hij Frederiksoord, naar prins Frederik, de beschermheer van het experiment.

De kolonisten krijgen een huisje, drie morgen grond (zoveel als op een morgen bezaaid kan worden, circa twee derde hectare) en worden opgeleid tot boer. In het eerste jaar verhuizen 52 gezinnen naar de proefkolonie, die uitgroeit tot een staatje in een land: tussen de boerderijen en de ambtenarenwoningen staan ook kerken en winkels en de kolonie heeft een eigen munteenheid. De kinderen gaan verplicht naar school en er wordt een vast bedrag ingehouden voor de ziektekostenverzekering. Het regime is streng, tucht en orde, tegenspraak wordt niet geduld. Twintig jaar krijgen de kolonisten om huis en land terug te betalen.

De visie van de generaal? “Om deze onze Natuurgenoten, en hunne kinderen, uit de diepte hunner ellende en verbastering allengskens opteheffen”, omdat langdurige armoede leidt tot een ‘ontzenuwd en verbasterd Menschengeslacht’. Kort en goed: ze moeten leren voor zichzelf te zorgen.

Het terrein van de historische Koloniën van Weldadigheid. Links de oude boomgaard. Beeld Herman Engbers
Het terrein van de historische Koloniën van Weldadigheid. Links de oude boomgaard.Beeld Herman Engbers

Nee, geeft Jan Mensink toe, tijdens een wandeling langs het erfgoed in zijn dorp. Toen hij midden jaren tachtig solliciteerde als administrateur van de Maatschappij wist hij bar weinig van de geschiedenis. Hij wist dat hij zelf afstamde van kolonisten: geboren op de grens van Frederiksoord en Wilhelminaoord en daar altijd gewoond. Maar verder? ‘‘Het was niet zo dat er veel over gesproken werd. Maar vroeger werd er natuurlijk sowieso veel minder gesproken.’’

Doorspekt met schaamte

Daarbij was een kolonistenafkomst doorgaans doorspekt met schaamte. De mensen kwamen hier nu niet bepaald wonen vanwege de mooie vergezichten, de rust of ruimte. Het was een armenkolonie en dat was algemeen bekend. Als je hier woonde had er net zo goed ‘armoedzaaier’ op je voorhoofd kunnen staan.

Heel strikt genomen waren Mensinks voorouders geen kolonisten. Zijn overgrootvader kwam in 1859 naar Frederiksoord als koehoeder van de pastoor. “Maar ik vóel me wel kolonist.” Mooi gezegd, maar wat betekent dat dan? Een korte stilte. “Nou gewoon, trots op dit gebied. Verbonden.”

Mensink werd aangenomen en dook in de archieven. Hoe meer hij ontdekte, hoe meer de verhalen hem grepen. De verhalen van ‘door slecht voedsel of ziekte verzwakte mannen’. Van vrouwen die wanhopig hun zuigelingen te vondeling legden omdat ze die niet konden voeden.

Vakantieparken waren de koloniën beslist niet. “Het onderhoud dat de armen verschaft wordt, zal alleen gegeven worden in vergelding tot arbeid, en nimmer zal men trachten dit oogmerk door liefdegiften te bereiken”, luidde artikel 10 uit het reglement. Wie met verlof wilde, moest een speciale pas aanvragen, en echtgenoten mochten nooit tegelijk weg. Mensink: ‘‘Door er maar één tegelijk verlof te geven, wisten ze zeker dat die ook weer terugkeerde.’’

Rode en roze geraniums

Johannes van den Bosch nam zelf zijn intrek in het landhuis Huis Westerbeek, waar ook vandaag de dag de Maatschappij van Weldadigheid haar kantoor heeft. Buiten zijn bakken met rode en roze geraniums, een gluurkleuter staat voor het raam.

Binnen zitten nu mensen te werken voor computerschermen, maar het is niet moeilijk je de kolonistenbaas van weleer voor te stellen, aan een zware houten tafel. Zijn portret hangt boven de schouw: donkere krullen, de borst behangen met insignes. Wat zou hij ervan vinden dat zijn idee nu vermoedelijk Werelderfgoed wordt? ‘‘Wel heel mooi, denk ik’’, vermoedt Mensink.

De wandeling gaat verder, langs de doorgaande weg, de oude tuinbouwschool, het logement. De directeur die Van den Bosch opvolgde, woonde in het huis naast dat logement. ‘‘Zo kon hij goed in de gaten houden of de kolonisten niet stiekem een borrel dronken’’, lacht Mensink. ‘‘Dat hij er zelf ook wel eentje lustte, vertelde hij er natuurlijk niet bij.’’

Een stuk verderop, aan de overkant, staan een paar ambtenarenwoningen, voor de mensen die geen kolonist waren, maar in dienst van de Maatschappij werkten. Witte panden met rieten daken. Mensink: ‘‘Je ziet dat ze vrij dicht op elkaar staan, dat kan omdat de ambtenaren geen land hadden om te bewerken. Deze huizen zijn ook een stuk groter dan die van de kolonisten.’’

Ze zijn nu bewoond, zegt hij, van binnen zijn het volwaardige woningen, die perfect voldoen aan de eisen van de eenentwintigste eeuw. Het gebied is beschermd dorpsgezicht. Dat heeft Frederiksoord sinds 2009, het was een voorwaarde voor Unesco: er moet voldoende gedaan worden om de panden te behouden.

‘De koning zal niet omzien’

Hier in Frederiksoord zijn de panden helemaal wit geschilderd, maar in het iets verderop gelegen Wilhelminaoord slechts een deel ervan, zegt Mensink. Het gerucht gaat dat dit gebeurde toen in 1873 koning Willem III de koloniën bezocht, de boel moest er natuurlijk wel puik uitzien. ‘‘Maar in het programma voor Wilhelminaoord stond: ‘De koning zal niet omzien’, en dus hebben ze daar alleen de kant geschilderd die in zijn blikveld viel. Geen idee of het waar is hoor, maar het is een mooi verhaal.”

Hier in Frederiksoord zijn de panden helemaal wit geschilderd, maar in het iets verderop gelegen Wilhelminaoord slechts een deel ervan, zegt Mensink. Het gerucht gaat dat dit gebeurde toen in 1873 koning Willem III de koloniën bezocht. Beeld Herman Engbers
Hier in Frederiksoord zijn de panden helemaal wit geschilderd, maar in het iets verderop gelegen Wilhelminaoord slechts een deel ervan, zegt Mensink. Het gerucht gaat dat dit gebeurde toen in 1873 koning Willem III de koloniën bezocht.Beeld Herman Engbers

Toen Van den Bosch overleed, in 1844, kwam de klad in de koloniën, vertelt Mensink. Toch bestrijdt hij dat het project is mislukt, zoals vaak wordt gezegd. Het is veranderd, meegebogen met de veranderende behoeften van de wereld. In de twintigste eeuw gingen de steden zelf meer aan armoedebestrijding doen en verschoof de focus in de koloniën naar land- en bosbouw.

Het dorp Frederiksoord is een bijzondere mix van heden en verleden. De panden worden bewaard en behouden en de meeste zijn in gebruik. De gaarkeuken is een woonhuis, in de bakkerij waar tot 1860 brood voor de kolonisten werd gebakken, kan gelogeerd worden. Er zijn wandel- en fietsroutes langs al het erfgoed, een museum. Van alle kolonistenwoningen die er nog over zijn, is er de laatste jaren eentje gerestaureerd, dat is nu een tiny house. Verder proberen ze, zegt de directeur, zoveel mogelijk van het oude gedachtegoed te bewaren, en dus worden in het Kiemhuis nu geen pootaardappelen meer opgeslagen, maar jongeren opgevangen met een afstand tot de arbeidsmarkt, en wordt de mandenmakerij zodanig verbouwd dat jongeren met autistischespectrumstoornissen (ASS) er onder begeleiding kunnen wonen. ‘‘Toch nog die sociale gedachte.’’

Nieuwe kolonisten

Ook worden sinds 2011 nieuwe huisjes gebouwd op de plek waar oude gesloopt zijn. ‘De nieuwe kolonisten’ worden de bewoners daarvan genoemd in het dorp, met een knipoog. Met de opbrengst van die huizen kunnen de oude panden worden opgeknapt en gerestaureerd. In eerste instantie liep het geen storm, vertelt Mensink, maar nu is het een gekkenhuis. Op een dag stond hij in de tuin te werken toen een vrouw van haar fiets afstapte om hem te bedanken. “Want dankzij u kon ik zo’n mooi huisje kopen”, glunderde ze. ‘‘Die vrouw had in alle brievenbussen briefjes gestopt: ‘Mocht u willen verkopen, bel mij’. En dat was nu gelukt.’’

Soms zijn het geschiedenisfreaks, soms ook ‘gewone’ mensen die van de plek houden, het is van alles wat. Maar hij merkt wel dat de geschiedenis in de mode is, dat veel mensen in hun eigen verhaal gaan spitten. Samen met anderen is hij de laatste jaren bezig de locaties van alle huisjes in kaart te brengen. En die man die zeker meende te weten dat hij niet afstamde van kolonisten zal hij niet licht vergeten. ‘‘Ik tikte zijn naam in en: ja hoor.” Een paar jaar later dook de man weer op in Frederiksoord. ‘‘Hij smeet een boekwerkje op mijn bureau: had hij zijn hele voorgeschiedenis uitgezocht. ‘En dat is jouw schuld’, zei hij semiverontwaardigd.’’

Noblesse oblige

Niet iedereen was blij met de ideeën van Johannes van den Bosch. Met name conservatieve christenen vonden dat het niet aan de mens was om in te grijpen in een ordening die door God beschikt was. Anderen vonden dat armoede er nu eenmaal bij hoorde en dus niet bestreden diende te worden. Ook werden vraagtekens gezet bij het niet-godsdienstige karakter van de koloniën. Feit blijft, zegt Mensink, dat de generaal een pionier was, zijn project uniek. ‘‘Armoedebestrijding werd destijds gedaan op religieuze grondslag. Dat een particulier zich aan zoiets waagde, dat was echt bijzonder.’’

De wandeling eindigt bij zijn eigen huis, een voormalige kolonistenwoning, een huis eraan vastgebouwd, verbonden met een glazen doorgang. Noblesse oblige. ‘‘Vroeger was je niet trots als je hier woonde. Nu wel.’’

De citaten van de generaal en uit het reglement zijn afkomstig uit het boek De Proefkolonie van Wil Schackmann.

Vrij en onvrij

Zeven koloniën waren er, vier vrije en drie onvrije. De vrije waren de landbouwkoloniën waar armelui min of meer vrijwillig heen gingen. Maar gemeenten meldden ook gezinnen aan die ze liever kwijt dan rijk waren. De onvrije koloniën – Veenhuizen en Ommerschans in Nederland en Merksplas in België – waren feitelijk gevangenissen, bedoeld voor de bedelaars en de landlopers. Ook bewoners van de vrije koloniën die zich misdroegen, konden hier terechtkomen.

De tijd vooruit

Met een onderwijsplicht (75 jaar voordat die landelijk inging), een pensioen, ziektekostenverzekering en lieden van alle kerkelijke gezindten in een dorp was Van den Bosch zijn tijd ver vooruit. Menig gemeentebestuur kijkt nu met schuine ogen naar hoe de generaal het destijds geregeld had. Zo kwam twee jaar geleden het stadsbestuur van Rotterdam op werkbezoek.

Werelderfgoed

Al sinds 2012 wordt geprobeerd De Koloniën van Weldadigheid op de Werelderfgoedlijst te krijgen. Eerder vingen de koloniën bot, maar nu ziet het er goed uit: Icomos, het adviesorgaan van Unesco, gaf eerder dit jaar groen licht. ‘‘De vlag kan nog niet uit, maar hij staat wel alvast klaar’’, zei de Drentse gedeputeerde Cees Bijl op dit nieuws. De nominatie geldt alleen voor de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen en het Belgische Wortel; de staat van de andere drie is niet goed genoeg bevonden. De bekendmaking vindt plaats in het Chinese Fuzhou en is komende zondagavond live te volgen op een groot scherm voor Huis Westerbeek in Frederiksoord.

Lees ook:

Nog altijd fascinerend: heropvoedingskolonie Veenhuizen

Om en nabij een miljoen Nederlanders hebben voorouders die een deel van hun leven in de Drentse Koloniën van Weldadigheid doorbrachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden