Joost Prinsen.

Tien GebodenJoost Prinsen

Joost Prinsen: Een nieuwe relatie kun je eng noemen, maar ik zeg liever, spannend!

Joost Prinsen.Beeld Mark Kohn

Joost Prinsen (Vught, 1942) is acteur, presentator, zanger, columnist en schrijver. Onlangs verscheen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar zijn boek Na Emma, een verslag van de eerste twaalf maanden na de dood van zijn echtgenote Emma Wildeman.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“In de maand na de dood van mijn vrouw kon ik slecht slapen. En dan kwamen er midden in de nacht een paar mails van Kees (Kees Torn, cabaretier, AV), die mij er weer een beetje bovenop hielpen. In Na Emma noem ik hem ‘mijn God de Heer’ , maar er waren veel meer goden en godinnen in die tijd. Mijn dochters, Ireen en Fleur, mijn zus, Ansybil, die uit Zwitserland was overgekomen om me een paar weken te helpen.

“In die andere God geloof ik al héél lang niet meer. Ik heb zes jaar op een katholieke kostschool gezeten, een onwaarschijnlijk lange tijd op mijn knieën in de kerk doorgebracht: alle dagen, ’s ochtends vroeg om zeven uur en tijdens het lof, van half vijf tot vijf, nóg een keer… Langzaam maar zeker begon het tot me door te dringen dat er helemaal niets van klopte; dat het geloof in een alleenheersende God, ergens boven in de hemel, in strijd was met alle wetten van het gezond verstand. Er zou nooit een Dag des Oordeels komen – het moment waarop de bokken van de schapen gescheiden worden – en er mankeerde niks aan andersgelovigen die ik toch lange tijd héél zonderling had gevonden. Ik was een jaar of veertien, vijftien en besloot dat het allemaal onzin was. Mijn moeder, zelf toch heel gelovig, zei op een dag tegen me: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Als je dát nou maar onthoudt, jongen, dan mag je die tien geboden van mij verder wel vergeten.’”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium. Et in unum Dominum, Iesum Christum, Filium Dei unigenitum, et ex Patre natum ante omnia saecula… zal ik maar ophouden? Ik kan die hele geloofsbelijdenis ook zingen, als je wil? Nee, ik drijf er de spot niet mee, waarom zou ik? Het interesseert me gewoon geen ene fluit meer. Al blijft het natuurlijk wel jammer dat er zoveel tijd in die godsdienstige opvoeding is geïnvesteerd; als ze me in die jaren Spaans en Italiaans hadden geleerd, zou ik die twee talen nu vloeiend gesproken hebben.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“De dag des Heren heiligen? Schei toch uit, man. Ik heb me mijn hele leven te barsten gewerkt. Het is een verslaving. Bewijsdrang? Kan. Ik kan van alles bedenken, bijvoorbeeld dat ik in mijn jeugd geen flikker heb gedaan en dat ik na het eindexamen op de Toneelschool tegen mezelf zei: genoeg geluierd! Maar ja, ‘niet hard genoeg je best gedaan op school’: dat is best een onnozel motief, laten we eerlijk zijn. Dus nee, zoek daar verder niks achter alsjeblieft. Gewoon: altijd te barsten gewerkt. En nog. Na Emma is net uit, ik ben bezig met het samenstellen van een bundel met het serieuzere werk van Godfried Bomans, ik schrijf drie columns per week en doe nog regelmatig dingetjes voor film, radio en televisie. Ik kan je dus ook geen antwoord geven op de vraag of ik onrustig word als ik niks te doen heb, want ik héb nooit niks te doen.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader stierf toen ik negen jaar was en werd daarna door mijn moeder heilig verklaard. Je hebt God, de Vader van ons allemaal, maar één treetje hoger stond die van mij: Claudius Prinsen. Burgemeester, belangrijk man, geweldenaar… Volgens mijn broer en oudere zussen – ik ben de vijfde van zes – ging vroeger altijd alle aandacht al naar hem. Mijn broer vertelde dat hij, als hij in de grote vakantie thuiskwam uit kostschool, naar een tuinder in het Westland werd gestuurd om daar te helpen bollen rapen of zo. Mijn moeder deed er alles aan om vader even voor zichzelf alleen te hebben. Daar had ik niet zo veel van meegekregen; onze band is altijd goed geweest. Toen ze tachtig was, heb ik nog een radioprogramma met haar gemaakt (Het zout in de pap, Vara-radio, 1982, AV) waarin we samen haar huwelijksreis naar de kathedraal van Chartres nog eens over hebben gedaan. Ze heeft me toen veel over zichzelf, over haar ouders en het huwelijk met mijn vader verteld. Ik weet nog dat we midden in de kathedraal stonden en dat ze ineens tegen me zei: ‘Moet je kijken, Claudius, wat mooi…’

“Ik denk dat ze niet heeft geweten hoe desolaat ik me als kind heb gevoeld, hoezeer ik in die jaren mijn vader heb gemist. Toen had ik dat natuurlijk niet zo in de gaten, maar zo rond mijn vijfentwintigste begreep ik ineens dat ik steeds het gezelschap had gezocht van mannen, ouder dan ik, die zich op een of andere manier een beetje om mij bekommerden: mijn zeven jaar oudere broer, m’n oom Sjef, een kapitein tijdens mijn militaire dienst maar ook Ton Lutz, mijn docent op de Toneelschool. En toen was ’t klaar... Jij denkt dat het nooit ophoudt? God, dat is een aparte gedachte zeg... Misschien heb je gewoon gelijk en ben ik in feite altijd blijven zoeken. Dat zou best eens kunnen, ja, zou best eens kunnen. Dat ik nog steeds goedkeuring wil hebben, of wijze raad. De consequentie van die gedachte is dat ik onder ogen moet zien dat ik moeilijk op eigen benen kan staan. Die is in de roos, meneer. Al moet je het natuurlijk niet zo letterlijk nemen – ik zie de kop boven het artikel al: Joost Prinsen: ‘Ik kan het niet ­alleen!’ – maar dat onderliggende gevoel klopt wel degelijk. Het werkt altijd, op een of andere manier, door. Dit is er een prachtig voorbeeld van. Zoals wij nu zitten te praten, denk ik: jij zou mijn vader kunnen zijn. Volgens mij ben jij zo iemand die voor je klaarstaat, altijd een wijs woord paraat heeft. Heb je al kinderen? Drie. Mooi. Dan heb je er nu een zoon van 79 bij.”

Joost Prinsen. Beeld Mark Kohn
Joost Prinsen.Beeld Mark Kohn

V Gij zult niet doden

“In het ziekenhuis proberen ze mensen beter te maken, dus ik begrijp wel waarom chirurgen er niet zomaar in meegaan als je vraagt of er een einde aan iemands lijden gemaakt kan worden. Emma verbleef in niemandsland, dat ligt ergens tussen leven en dood in. Ze was volgens de artsen nog ‘te goed’ voor euthanasie. Ik heb iemand letterlijk horen zeggen dat ‘de ademnood van mevrouw helaas nog niet groot genoeg was’. Emma had al eerder, in een hospice, een mildere dood kunnen sterven, maar ze wilde niet meer weg uit het ziekenhuis, dus bleven we er bij het verplegend personeel op aandringen dat ze de artsen zouden vragen ons te helpen.

“‘Wat wilt u dat we doen,’ zei een van hen, twee dagen voor haar dood, ‘dat we een kussen op haar hoofd drukken?’ Ze heeft later nog haar excuses gemaakt voor die opmerking – en ik weet heus wel: constateren dat dingen anders moeten is makkelijker dan er een oplossing voor aandragen, maar ik merk nu, alweer, dat ik mijn woede over die laatste dagen moet onderdrukken. Als ik het gevoel zou toelaten, zou ik dat hele ziekenhuis alsnog in de fik steken… Je moet het me maar niet kwalijk nemen, ik krijg het nog regelmatig te kwaad als ik over Emma praat. Het was een secreet van een vrouw, maar ik kuste de grond waarop ze liep. Ze was larger than life, daar had ik heimelijk een grote bewondering voor. En geestig, ze was zo verschrikkelijk geestig. Ik was tegen de dertig, zat na een voorstelling in Carré aan de bar van een klein café met Pleuni Touw en Femke Boersma – toen ook nog beiden vrijgezel – iets te drinken. Ineens kwam er een mij totaal onbekende vrouw bij ons staan. ‘Hoe zit het? Gaan we nog naar huis of blijf je weer plakken vanavond?’ Dat was Emma. Ik ben met haar meegegaan. En we zijn vijftig jaar samen geweest.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“We sliepen in chambrettes, met van die gordijntjes. Tientallen jongens op een zaal. Iedere avond als we naar bed gingen en het licht werd uitgedaan, kwam er een priester langs – gordijntje open, gordijntje dicht – om even te kijken of we niet masturbeerden of zo. Want dat was zondig. Je kreeg er ruggenmergtering van en ik weet niet wat nog meer. Ik herinner me nog goed dat er jongens van school werden gestuurd omdat ze iets met elkaar hadden gedaan in zo’n chambrette en dat er dan werd gezegd dat ze postzegels hadden gestolen. De eerste keer geloofde ik het nog wel, maar in mijn derde jaar dacht ik: huh, zijn er nu alwéér postzegels gestolen? Nu vind ik het stelen van postzegels nog wel een aardige reden om iemand van school te sturen, maar wat is er mis mee als je elkaar een keer aftrekt? Wat een onzin allemaal. Willem Wilmink zei ooit: ‘De paus móet wel over die tien geboden praten want daar wordt-ie voor betaald, maar dat betekent natuurlijk niet dat wij ons eraan hoeven te houden’.”

VII Gij zult niet stelen

“Kijk, in werkelijkheid ben ik natuurlijk een keurige jongen, altijd de rechte weg bewandeld, nooit iets gestolen… dus je kunt hier invullen dat ik in de Albert Heijn zelfs een keer weer helemaal achteraan in de rij ben aangesloten omdat ik er bij de uitgang achter kwam dat ik vergeten was om één rood pepertje af te rekenen.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

Na Emma is het mooiste wat ik ooit heb gemaakt. Ik heb tachtig toneelpremières gedaan, onnoemelijk veel rolletjes voor de televisie gespeeld, boeken geschreven over bridgen en wielrennen, afijn… best een hele loopbaan, maar dit is iets waar ik – ook al zou het nauwelijks verkopen – het meest trots op ben.

“En ik zal je vertellen waarom: het is waarachtig. Zo heb ik, bijvoorbeeld, na de dood van Emma een rampzalige week met mijn dochters beleefd. Na het uitstrooien van haar as – een magisch moment – bleek onz’ Ireen, de oudste, nog een appeltje met haar overleden moeder te schillen te hebben. Dat was moeilijk, pijnlijk, maar heel gek, terwijl het gebeurde wist ik meteen: dit kan een kernhoofdstuk van mijn boek ­worden. Fascinerend. Ik heb het hele verhaal gebruikt, met mailwisseling en al, en ik heb het nergens opgesmukt, taalfouten niet gecorrigeerd, m’n verdriet en mijn ergernis laten zien. Het kan alleen op die manier, vind ik, anders moet je zo’n soort boek niet schrijven. Daar komt bij dat ik privacy een overschat geheel vind. Ik heb in Na Emma ook over de nieuwe liefde in mijn leven geschreven: mevrouw N. Een tijdje geleden kwam Privé met de ‘onthulling’ dat het hier over Noraly Beyer gaat. Dat had ik meteen wel willen vertellen, maar Noraly hield het liever geheim. Ze was oprecht ontdaan toen we op de cover van dat blaadje stonden, terwijl ik denk: wat kan het je schelen? Niet dat ik overal maling aan heb of zo, maar ik vind het wel belangrijk om mezelf niet al te serieus te nemen.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Ik werd wel eens verliefd op een ander, maar Emma en ik hebben nooit een zogenaamde open relatie gehad. Dat ik nu een nieuwe vriendin heb, betekent niet dat ik Emma ontrouw ben of zo… Het was wel raar, verwarrend ook, om na vijftig jaar weer te gaan denken aan seks met een andere vrouw. Ineens was ik weer een vrije jongen, maar ik wist niet goed wat ik met dat gevoel aan moest. Het was mijn jongste dochter, Fleur, die op een dag zei dat ik weer moest gaan daten.

“Na een tijdje kwam ik Noraly op het spoor. We hadden jaren eerder al eens samen op het toneel gestaan. Het klikte meteen weer, we hebben het leuk samen, maar er is wel één groot verschil: ik ben eigenlijk nooit alleen geweest, terwijl Noraly het al dertig jaar in haar eentje rooit. Soms wil ik iets met z’n tweeën doen, terwijl zij liever eerst zelf nog even zus of zo doet, met andere woorden: jij bent nog niet aan de beurt, Prins. Dat vind ik wel eens lastig. Als je allebei twintig bent, ga je vaak nog van dezelfde dingen uit, terwijl op onze leeftijd, na zoveel jaren, de uitgangspunten zo verschillend zijn. Maar goed, ik ben nu eenmaal een jongen die z’n armen opengooit – ik moet nu ineens denken aan Amerikaanse theaterdocent die bij ons op school langskwam en aan een van mijn onzekere mede-leerlingen vroeg: wat zit je dwars? Mijn uiterlijk, zei ze, hoe ik eruitzie. Daar zou ik maar blij mee zijn, antwoordde die man, want je moet er nog een leven lang mee door. Die paar zinnen heb ik ook in mijn oren geknoopt. Ik was – en ben nog steeds – een vrij lelijke jongen, heb ook heel lang een hang-up met mijn uiterlijk gehad, maar op dat moment besloot ik: nu schuif ik het terzijde. Nooit meer over nagedacht. Dit ben ik, met m’n dikke buik en m’n wallen, doe het er maar mee. Dus, hup eropaf. Een nieuwe relatie, voor het eerst sinds vijftig jaar. Dat kan je eng noemen, maar ik zeg liever: spannend!”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Van jaloezie heb ik geen last. Ik ben zelfs zo hovaardig te denken dat andere mensen best wel eens jaloers op míj zouden kunnen zijn… alhoewel, nee, dat klopt natuurlijk ook niet, want ik heb altijd m’n best gedaan, het mooie gezocht, niets is me zomaar komen aanwaaien. Ik kan me wel vinden in de woorden van een of andere voetbaltrainer – ben even vergeten wie – die, gevraagd naar zijn definitie van geluk, antwoordde: ’s ochtends met plezier naar je werk en ’s avonds weer met plezier naar huis. En nu moeten we ermee stoppen, want ik word een beetje moe. O, wacht, ik heb nog een stuk taart voor je! Ja, wat een verwennerij, hè? Maar ’t is toch ook niet niks als je vader na zeventig jaar weer eens op bezoek komt. Lang niet gezien, pa. Waar was je al die tijd?”

Lees ook:

Joost Prinsen: ‘Mijn tranen zitten losser dan vroeger’

Voordragen kan acteur en presentator Joost Prinsen als geen ander - vroeger won hij elke declamatiewedstrijd - en hij kent hele passages Nescio uit zijn hoofd. In zijn nieuwe voorstelling ‘Uurtje literatuurtje’ vertelt Prinsen over zijn leven aan de hand van fragmenten uit de literatuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden