Jeroen Dijsselbloem: ‘Blijf hoge eisen stellen in het onderwijs’.

InterviewNieuw boek

Jeroen Dijsselbloem over zijn onderwijsfamilie: ‘Mijn oom knapte af’

Jeroen Dijsselbloem: ‘Blijf hoge eisen stellen in het onderwijs’.Beeld Werry Crone

Jeroen Dijsselbloem was als voorzitter van zijn parlementaire onderzoekscommissie al kritisch op Nederlandse onderwijsvernieuwingen, en dat blijft hij. ‘Er is groot onderhoud nodig, maar steek de energie wel in de juiste dingen.’

Laura van Baars

‘Ga nooit het onderwijs in’, waarschuwden Em en Joop Dijsselbloem-Visser hun drie kinderen, onder wie de latere minister van financiën Jeroen. Vader Em was zelf op zijn negentiende voor de klas gaan staan, toen hij naar eigen zeggen maar met een ooglid had hoeven knipperen om zijn leerlingen stil te krijgen. Toen hij op zijn 54ste volledig overspannen thuis kwam te zitten, was dat mede te wijten aan zijn problemen met orde houden. De statuur, het salaris, de verdwenen hiërarchische verhoudingen in de klas: alles was veranderd in zijn onderwijscarrière tussen 1949 en 1984. “Het was gewoon te veel voor hem”, zegt Jeroen Dijsselbloem.

Em Dijsselbloem, leraar Engels en vader van Jeroen Dijsselbloem, in zijn klas op het Eindhovense Sint-Joriscollege in 1972.  Beeld Privéarchief Jeroen Dijsselbloem
Em Dijsselbloem, leraar Engels en vader van Jeroen Dijsselbloem, in zijn klas op het Eindhovense Sint-Joriscollege in 1972.Beeld Privéarchief Jeroen Dijsselbloem

Moeder Joop, eveneens gedesillusioneerd als onderwijzeres door structurele onderbetaling als vrouw, maakte dan ook geen bezwaar toen jongste zoon Jeroen koos voor een studie landbouweconomie in Wageningen, die uitmondde in een Tweede Kamerlidschap voor de PvdA, waarin Dijsselbloem zich vooral bezighield met integratiebeleid. Toen hem in 2007 gevraagd werd om een parlementaire enquêtecommissie te leiden naar onderwijsvernieuwingen, maakte dat in de Brabantse familie de tongen nauwelijks los. “Ik wilde het onderzoek niet door mijn eigen familieverhalen laten beïnvloeden, en zij hielden zich ook op de vlakte”, zegt Dijsselbloem. Opmerkelijk, want als je het boek leest dat Dijsselbloem vrijdag uitbracht, dan blijkt dat binnen de hele familie Dijsselbloem-Visser de afgelopen honderd jaar bijna veertig familieleden in het onderwijs werkten. Niet voor niks luidt de titel: De onderwijsfamilie.

Het werk van de commissie-Dijsselbloem kwam bij anderen in het onderwijsveld wel hard aan in 2008. Het rapport oordeelde zeer streng over de politieke greep op onderwijs waardoor vernieuwingen als de tweede fase en het studiehuis mislukten. Zodra er een politiek besluit viel, moest dat steeds te snel en met te weinig draagvlak onder leraren worden ingevoerd. De politiek zou zo van het rapport zijn geschrokken, dat die er volgens velen door verlamd is geraakt. “Het rapport werd door velen uitgelegd als: ‘politiek, handen af van het onderwijs’. Maar de conclusie was: politiek, wees helder en streng op de kerntaak, bewaak de kwaliteit van het onderwijs. Dat vergt geen grote stelselherzieningen.”

“Er leeft nu veel onvrede over het onderwijs, dat zie ik ook”, zegt Dijsselbloem, die momenteel werkt als voorzitter voor de Onderzoeksraad voor veiligheid. “Toch klopt het beeld niet dat er sinds het rapport een verlamming is opgetreden. Het is alleen de vraag of er wel assertief en actief genoeg bestuurd is. Misschien is door velen de verkeerde conclusie getrokken dat de overheid zich helemaal niet meer met onderwijs mag bemoeien. Een van de initiatieven in de jaren daarna was het lerarenregister (een databank waarin alle leraren en hun bijscholing worden vastgelegd, red.), om zo de kwaliteit en het aanzien van de beroepsgroep veilig te stellen. Maar het verzandde in een strijd tussen bestuurders. Een gemiste kans. Ook bij de invoering van een nieuw curriculum mis je een daadkrachtig ministerie. Het is heel breed aangepakt, maar daardoor helaas ook vastgelopen.”

Het zijn de leeftijden van zijn moeder en ooms als André (leraar geschiedenis aan een Rotterdamse mavo) en François (leraar wis- en natuurkunde en conrector aan een Nijmeegs lyceum) geweest die hem dreven tot dit boek, naast de huidige onderwijscrisis, zegt Dijsselbloem. Sinds het het parlementair onderzoek kan hij nooit nalaten zijn mening te geven. “Ook later, als minister van financiën bleef ik dat doen. Ik dook diep in die stukken. Als je het gevoel hebt ergens wat vanaf te weten, wil je dat gebruiken.” Het boek sluit dan ook af met Dijsselbloems visie op het noodzakelijke achterstallige onderhoud aan het Nederlandse onderwijs.

Onderwijs was een belangrijk verkiezingsthema omdat velen het gevoel hebben dat er veel moet veranderen. VVD en D66 vinden dat artikel 23 van de Grondwet, over onderwijsvrijheid, herzien moet worden om streng religieuze scholen te kunnen aanpakken. Bent u net zo vernieuwingsgezind?

“Modernisering van artikel 23 van de Grondwet over de vrijheid van onderwijs gaat een eindeloos gedoe opleveren, vooral leuk voor onderwijsjuristen. Ik zou een nieuw kabinet adviseren om de energie in te zetten op de juiste onderwerpen. Een minister moet wel brutaal zijn, en vooral zijn verantwoordelijkheid durven nemen voor het stelsel.”

Wat bedoelt u daar precies mee, ‘verantwoordelijkheid voor het stelsel’?

“Wat mij nu de meeste zorgen baart, is dat scholen te makkelijk omgaan met hun einddoelen. Ze verlagen de ambities omdat de leerlingen zoveel complexe problemen hebben of omdat er onvoldoende goede leraren zijn. Dat de resultaten dan omlaag gaan, nemen ze op de koop toe. Wat je vervolgens krijgt, is dat vervolgonderwijs in de problemen komt. Middelbare scholen stellen extra eisen bij de toelating van basisscholieren omdat ze niet kunnen varen op de kwaliteit van het primair onderwijs, havo’s nemen niet zomaar meer vmbo’ers op en mbo’s en hoger onderwijs gaan ook selecteren aan de poort. Mijn achterneef, leraar economische vakken op het mbo, moet heel veel tijd besteden aan taalachterstanden voor hij aan boekhouden toekomt. Als de basiskennis niet op orde is, wordt het stapelen van onderwijs, zoals het ooit in de Mammoetwet van 1968 bedoeld is, veel te moeilijk gemaakt.”

Een nieuwe minister zou dus eigenlijk alleen maar de beginselen van de Mammoetwet er weer bij moeten pakken en de bestaande overgangen moeten oliën?

“Oliën klinkt me veel te soft. Strak trekken, zou ik liever willen zeggen. Breng er weer kwaliteit en ambitie in. Juist aan de leerlingen met complexe uitgangsposities moeten we hoge eisen blijven stellen. Nu denken we ze te helpen door makkelijk een diploma te geven. Ouders en leraren menen het daarmee vaak goed, maar zo ontstaat er in het onderwijs een druk naar beneden.”

1972. Oom André tussen zijn leerlingen aan de Bergse Plas-mavo in Rotterdam  Beeld Privéarchief Jeroen Dijsselbloem
1972. Oom André tussen zijn leerlingen aan de Bergse Plas-mavo in RotterdamBeeld Privéarchief Jeroen Dijsselbloem

Uw oom André was zo'n leraar op een Rotterdamse mavo die in de jaren zeventig ineens te maken kreeg met de problematiek van migrantenleerlingen, beschrijft u in uw boek. Hij wilde geen concessies doen aan zijn manier van lesgeven en de kwaliteitseisen. Is dat houdbaar?

“Van kennisoverdracht verschoof zijn werk naar het aanleren van sociale vaardigheden. Van frontaal lesgeven, moest hij individueel gaan begeleiden. Dat is voor een geschiedenisleraar heel moeilijk, je kunt dat ouderwets noemen. Hij verzette zich ertegen dat een meisje dat al een paar keer was blijven zitten werd toegelaten tot de eindexamenklas. Hij haalde bakzeil, en het meisje haalde een lijst met tweeën. Een vernedering die je haar liever bespaard had. Ondertussen was hij een heel betrokken docent die leerlingen thuis opzocht en met zijn humor en persoonlijkheid een heel warme band met hen wist op te bouwen. Wat werkt, hangt uiteindelijk af van de persoonlijkheid van de leraar, het vak dat hij geeft en de leerlingen. Maar dat oom André ondanks alle maatschappelijke druk vasthield aan de kwaliteitseisen van zijn vak, dat steun ik inderdaad.”

Het is wel makkelijk gezegd als scholen gewoonweg niet voor alle vakken een goede leraar kunnen vinden...

“Dat klopt. Mijn oom Jacques was leraar schei- en natuurkunde, maar gaf uiteindelijk ook Nederlands en muziek. Het gevolg was dat hij afknapte. Ik denk dat als je het vak weer glans wilt geven, je moet beginnen aan de basis, bij de lerarenopleiding. In de commissie-Dijsselbloem adviseerden wij al om die te verbeteren, maar de lerarenopleiding is tot op de dag van vandaag heel versnipperd met honderden opleidingen om leraar te kunnen worden. Ook de kwaliteitsverschillen zijn heel groot. Als je die zou verbeteren, dan kunnen we ook hogere eisen stellen aan onze leraren. Daar moet vervolgens ook een beter salaris bij. Niet alleen dat onverklaarbare verschil tussen primair en voortgezet onderwijs opheffen.”

Waarom vindt u die salarissen zo belangrijk?

“Ik heb gezien welke perverse prikkel uitging van de verlaging van de lerarensalarissen door minister Deetman in het begin van de jaren tachtig. Mijn vaders vader was een postbeambte die het niet breed had en zijn ouders waren in de jaren veertig ontzettend trots dat ze vier zoons in het onderwijs hadden. Het goede salaris bracht voor mijn vader en zijn broers een heel sterke lerende houding met zich mee. Hij haalde in de avonduren allerlei extra aktes, waarmee hij zijn salaris kon verbeteren. Een goedbetaalde baan vroeg ook om een ambitieuze houding. Maar toen de salarissen verlaagd werden, werd de generatie van mijn vader er stelselmatig uitgewerkt voor goedkopere, jongere krachten. Die waren er ook, want de werkloosheid was begin jaren tachtig heel hoog. De leraar viel van zijn voetstuk, en het leidde tot een kaalslag. Mijn vader was bij zijn vertrek op zijn 54ste ongeveer de oudste leraar die nog op het Sint Joriscollege in Eindhoven werkte.”

Dus een nieuwe minister moet wat u betreft vooral de kwaliteit van de einddoelen strakker controleren en de lerarenopleidingen en de -salarissen verbeteren?

“Wat ik ook zie als een groot probleem dat het stelsel bedreigt, is de concurrentie tussen scholen. Een school kan het ene jaar een hype zijn, en het andere jaar een plek waar je niet moet zijn. Het is allemaal afhankelijk van verhalen die de ronde doen tussen ouders, terwijl het natuurlijk nooit zo kan zijn dat de kwaliteit van het ene op het andere jaar keldert. Het vervelende voor scholen is dat ze helemaal afhankelijk zijn van de financiering per leerling, ze moeten zich dus steeds profileren. Dat doen ze op de gekste manieren: de ene zet palmbomen op de open dag, de andere biedt onderscheidende projecten of thema's aan die leuk klinken, maar niet per se goed zijn voor het onderwijs. De overheid zou scholen veel meer in bescherming moeten nemen tegen deze hypes.”

Maar die concurrentie is ook het gevolg van artikel 23, dat onderwijsvrijheid geeft. Moet de Grondwet dan toch niet aangepast?

“Begin daar nou niet aan. Artikel 23 is een heel lastig artikel omdat niemand precies weet wat er staat. Keuzevrijheid voor ouders blijft goed, en de diversiteit aan scholen is ook prachtig in Nederland. Maar de overheid zou de gevolgen van dat modieuze keuzegedrag iets moeten dempen. Heeft een school een paar jaar minder leerlingen, kort haar dan niet meteen op de financiering maar zet er wat steun tegenover. In plaats daarvan zie je dat de overheid nu vaak de populaire school accommodeert met een nieuw gebouw, terwijl de kwijnende school moet sluiten.”

De 8,5 miljard die door dit kabinet voor het onderwijs is uitgetrokken moet u als voormalig minister van financiën toch wat ongemak bezorgd hebben, klopt dat?

“Het is inderdaad een ongekend, enorm bedrag. Bijna niet te bevatten. Ik heb als minister 600 miljoen voor onderwijs vrijgemaakt, dat was toen een heel groot bedrag. Het probleem is dat het nauwelijks duidelijk is waar het geld precies aan wordt uitgegeven, al wordt daar druppelsgewijs wel iets meer duidelijkheid over gegeven. Ik denk ook niet dat zoveel geld nodig is. Vasthouden aan ambities en leerdoelen in het onderwijs, de kwaliteit niet laten verslappen, kan heel veel opleveren en hoeft weinig te kosten. ”

Jeroen Dijsselbloem, De Onderwijsfamilie, Prometheus; 201 blz. € 19,99

Lees ook:

Zolang artikel 23 geldt, wordt onderwijs geen grote gelijkmaker

Hoe leg je als minister aan vrijgevochten scholen en betrokken ouders brede maatschappelijke doelstellingen op?, vraagt Laura van Baars zich af. Reken maar dat uit het bijzonder onderwijs verzet komt tegen een driejarige brugklas.

Zorg dat kinderen beter gaan leren lezen, schrijven en rekenen, waarschuwt de onderwijsinspectie

In ‘De staat van het onderwijs’ roept de Onderwijsinspectie opnieuw op tot structurele verbetering van de vakken taal en rekenen. De problemen zijn dit coronajaar alleen maar groter geworden, de kansenongelijkheid is gegroeid.

Merel van Vroonhoven: ‘Het is oorverdovend stil rond het lerarentekort’

Lerarentekort oplossen en achterstanden wegwerken, meer hoeft een nieuw kabinet in het onderwijs even niet te doen, vindt leerkracht en voormalig topvrouw Merel van Vroonhoven.

Colum: Leraar zwijgt (te) vaak bij onderwijsvernieuwingen

Leraar Erix Ex over de curriculumherziening.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden