Max Rodrigues Garcia, zoon van diamantslijper uit Amsterdam, en Auschwitz overlevende.

Tweede Wereldoorlog

‘Ik was dáár. Ik heb Auschwitz overleefd’

Max Rodrigues Garcia, zoon van diamantslijper uit Amsterdam, en Auschwitz overlevende.Beeld Martijn Gijsbertsen

Vlak voor de bevrijding van vernietigingskamp Auschwitz, maandag 75 jaar geleden, moesten tienduizend gevangenen het kamp verlaten van de Duitsers. Max Rodrigues Garcia (toen 20, nu 95), een Joodse jongen uit Amsterdam, was een van hen. ‘Ik heb Auschwitz geroken met mijn neus, gehoord met mijn oren.’

“Het eerste wat ik vertel als ik over de oorlog spreek is: ik ben in Amsterdam geboren. In 1924, op 28 juni. Mijn vader was diamantslijper, mijn moeder huisvrouw. We woonden in Oud-Zuid. Ik had een jongere zus, Sippora, roepnaam Sienie. Een gewoon Joods gezin.

Ik heb de nazitroepen Amsterdam zien binnenmarcheren. En in de loop van 1941 begonnen de Joden de discriminatie te voelen, het werd erger en erger. In november 1942 is Sienie bij een razzia opgepakt en afgevoerd, ze was net zestien jaar geworden. Verschrikkelijk nieuws voor mijn ouders en mij: mijn zusje Sienie was verdwenen. We misten haar zo erg. Later heb ik vernomen dat ze kort daarop al in Auschwitz is vergast.

Nu wilden mijn wanhopige ouders dat ik snel onderdook. Via een kennis van mijn vader kwam ik bij een gezin in de Indische buurt. In juni 1943 bezochten mijn ouders mij daar, op mijn negentiende verjaardag. Het was de laatste keer dat ik ze zou zien. Enkele dagen later zijn zij ook opgepakt bij een razzia. Later zijn ze vergast, in Sobibor.

‘Ik had nog nooit van gaskamers gehoord’

Uiteindelijk ben ik die zomer verraden. Na een week in Westerbork, vertrok ik eind augustus 1943 met de trein naar het oosten. Het was een benauwde, volgepropte wagon zonder ramen, we wisten niet wat ons te wachten stond, dagenlang reizen. En toen gingen heel vroeg in de ochtend die deuren open. Geschreeuw in het Duits, we verstonden het niet. Een SS’er aan het einde van de selectierij keek je aan en wees met zijn duim. Ik ging naar de goede kant, niet naar de gaskamer dus. Maar dat wist ik niet, ik had nog nooit van gaskamers gehoord. We waren in Auschwitz, hoorde ik. Ik kreeg een nummer op mijn linkeronderarm getatoeëerd, 139829. Dat was mijn nieuwe naam, leerde ik.

We werden kaalgeschoren, horloges af, onze kleren moesten uit, alleen mijn riem en schoenen mocht ik houden. Die schoenen sleten snel, later droeg ik klompen. Daarna de gestreepte kleding aan. Er volgde een ondervraging over welk werk je kon doen. Ik zei maar dat ik timmerman was. Ik had gelezen dat het voor architectuur handig was als je daar wat van wist. En ik wilde graag architect worden. Ik dacht: zo kan ik hier misschien nog wat leren. Diezelfde dag werd ik naar Buna gebracht, een bijkamp. We sliepen op stro in een grote tent. Ik moest stenen dragen, de hele dag.

Ik ben daar na een paar dagen totaal ingestort. Nu begreep ik de gaskamers en alle andere ellende, ik voelde mijn eenzaamheid. Ik huilde en huilde. Een jonge man kwam naar me toe. Ik wist niet wie hij was. Hij sprak een beetje Frans. Ik ook, want ik had met mijn ouders en mijn zus voor de oorlog enige tijd in Antwerpen gewoond.

‘Je hebt geen vader, geen moeder’

Hij zei me dit: ‘Wil je blijven leven? Luister dan naar mij. Om te beginnen moet je meteen dat nummer op je arm uit je hoofd leren in het Duits en in het Pools. Polen controleren de dagelijkse gang van zaken hier. Verder moet je alles vergeten wat achter je ligt. Je hebt geen vader, geen moeder. Je bent uit de lucht hier neergevallen. Er is alleen deze dag en jij moet voor jezelf zien te zorgen’.

Deze jonge man maakte mij duidelijk dat ik de slechte tijd waar ik in terechtgekomen was, recht in het gezicht moest kijken. Een wijze les. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Maar ik trok me voortaan terug uit gesprekken over vroeger. Ik ging goed opletten: hoe werkt het hier precies, hoe zorg ik voor mijzelf?

Na een paar weken in Buna kreeg ik een ontstoken vinger. Ik werd teruggestuurd naar het hoofdkamp Auschwitz, naar de kliniek. Toen het beter ging, kwam ik in een barak met Duitsers en Polen, ik leerde langzaam hun taal. Zowel die Polen als de Duitsers waren zeer antisemitisch. Ik dacht: als je met je vijand kunt converseren, zien ze je meer als mens en misschien krijg je dan meer voor jezelf gedaan. Dat klopte. Ik kreeg de opdracht thee en soep voor mijn barak te halen. Zo regelde ik ook wat extra thee en soep voor mezelf.

Daken repareren

Op een dag werd mijn nummer opgeroepen. Ik schrok. Maar tot mijn opluchting hoorde ik dat ik naar het Timmerman-Kommando ging. Dat werk was binnen. Zo kwam ik redelijk de winter door. In de lente kwam ik in het Dakdekker-Kommando. We repareerden daken. We zaten hoog, dat was een voordeel, want je zat een beetje uit het zicht en je kreeg niet zo gemakkelijk klappen of een andere straf.

Begin 1944 lag ik weer een tijdje op de ziekenbarak en daar leerde ik Lex van Weren kennen, een bekende Nederlandse trompettist. Een zeer belangrijk moment voor mij, want hij heeft in Auschwitz heel veel voor mij gedaan. Hij heeft mijn leven gered. Daarom wil ik zijn naam in elk interview duidelijk noemen, uit dankbaarheid.

Je moet weten dat de Duitsers elke dag bij het in- en uitmarcheren van het kamp muziek wilden horen. De musici van het orkest werden beter behandeld dan de rest. Er zaten geen Joden in. Maar toen de Russen oprukten, werden alle Polen uit het kamp weggestuurd, ook de musici. Er kwam een orkestauditie en Lex kwam erin. Lex kreeg als musicus een bijzondere positie in het kamp, hij werd een zogenoemde prominent. We werden tegelijk ontslagen uit de ziekenbarak. Ik ging terug naar de dakdekkers.

Medisch experiment

Op een bepaald moment kreeg ik ongelooflijke pijn in mijn buik. Verschillende dagen ging ik terug naar de kliniek, maar ze stuurden me weg, Joden werden niet geopereerd. Tot de Joodse dokter die daar werkte aan een SS-arts vertelde dat hij een Jonge jood had met een blindedarm op uitbarsten. Die SS’er zei: breng hem maar naar de operatiekamer. Ik kreeg een injectie in mijn rug ter verdoving, en moest rechtop zitten. Die dokter sneed me open voor de ogen van die SS’er. Die keek alleen maar. De Joodse dokter verwijderde mijn blindedarm. Pas later hoorde ik waarom die SS’er toegekeken had. Hij had tegen die Joodse arts gezegd dat hij als medicijnenstudent in Duitsland alleen zwart-witplaatjes in zijn lesboeken had. Hij wilde ook weleens een appendix in kleur zien op punt van uitbarsten.

Na de oorlog, toen ik al in San Francisco woonde, vertelde ik dit aan een vriend en die zei: ‘Max, dit was een medisch experiment, heb je daar ooit geld voor gekregen?’ Ik zei: nee. Dus we hebben iets ingediend en kregen 3000 dollar. Na die blindedarmtoestand herstelde ik en hoorde ik dat ik naar de Paketstelle was overgeplaatst. Dat had Lex voor me geregeld. Ik kon niet geloven hoeveel geluk ik had.

Die Paketstelle was namelijk een uitverkoren plek in dit kamp. Er werkten geen andere Joden. We hadden de leiding over pakjes die mensen stuurden naar hun geliefden in Auschwitz. En het Rode Kruis en andere organisaties zonden voedselpakketten. Veel van de geadresseerden waren dood. De inhoud mochten wij dan hebben. Dit gaf een ongelooflijke rijkdom. Boter, worst, noem maar op. Van alles om te ruilen. Ik regelde een nieuw pak voor mezelf en een winterjas, schoenen, sokken. We ruilden zelfs met de SS’ers. Na korte tijd kwam ik ook nog in een barak voor de prominenten, met een kleine eigen kamer, een eigen bed, kussens, alles. Toen ik die kamer te zien kreeg, dacht ik dat het een grap was, een pesterij. Maar niet dus. Dit was de krankzinnige wereld waar ik in zat.

Hoop op de bevrijding

Lex zei op een dag in de herfst van 1944: laten we een muziekgroep vormen en voor de gevangenen hier optreden op zondag. Het zou een soort cabaret worden. De Duitsers stelden wel voorwaarden, geen grappen over Hitler bijvoorbeeld. En Lex zei tegen mij: jij spreekt Duits, doe mee. Het werd een succes, ook de SS kwam kijken. Het is eigenlijk niet uit te leggen, hoe het werkelijk was in Auschwitz.

Eind van het jaar waren de Russen dichtbij. We werden het kamp uitgestuurd. Lex verloor ik uit het oog. Ik vertrok op 18 januari 1945, met de allerlaatste groep. Kort daarop is Auschwitz bevrijd. Maar onze groep niet. Wij liepen eerst dagenlang door de ijskou naar een station. We kwamen in een trein zonder dak. We wisten niet waar die heen ging, de reis duurde lang. Ik heb later gehoord dat 90 procent van dat transport het niet gehaald heeft. Ik had mijn warme jas en had eten in mijn zakken gepropt, dat heeft me gered. We eindigden in concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk.

We kwamen van de trein het concentratiekamp in, volledig murw en uitgeput. Een bewaker zag mijn jas en sloeg me keihard tegen de grond. Hier ben jij geen prominent meer, schreeuwde hij. Ik heb weinig herinneringen meer aan de tijd erna. Ik kwam eerst in een bijkamp, dat heette Melk. Ik vraag me soms af of ik een hersenschudding heb opgelopen van die klappen. Ik ben uiteindelijk in bijkamp Ebensee terechtgekomen, overbevolkt, heel weinig eten, we moesten in fabrieken in de bergen werken. Ik bleef alleen in leven door de hoop op de bevrijding. Die kwam eindelijk op 6 mei 1945.

‘Jullie zijn nu mijn familie’

Die dag herinner me ik nog goed, het was zo geweldig. De tanks met Amerikaanse soldaten kwamen aangereden richting de poort. Een sergeant stapte uit en stak een sigaret op. Ik riep: het is lang geleden dat ik een Lucky Strike heb gerookt. In het Engels. Ik weet niet waar ik dat opeens vandaan haalde. Mijn Engels was heel beperkt. Wie zegt dat?, vroeg die sergeant. Omdat ik Duits en een klein beetje Engels sprak, mocht ik met hem mee naar het stadje. Ik werd hun tolk.

In augustus liftte ik terug naar Amsterdam, maar ik had er niets meer te zoeken. Na enige tijd ging ik terug naar de Amerikaanse soldaten. Ze waren verbaasd: hé Max, wat doe jij hier? Ik legde uit: ik kan niet meer over de straten lopen waar ik met mijn moeder, mijn vader en mijn zusje Sienie liep. Iedereen is dood. Jullie zijn nu mijn familie.

Uiteindelijk ben ik naar Amerika gekomen. Ik leerde mijn vrouw Pat kennen. We trouwden in 1956, kregen drie kinderen en vijf kleinkinderen. Ik ben architect geworden. Ik heb Pat direct veel verteld over de oorlog. Zij schreef in de jaren zeventig een boek over mijn leven, ‘Auschwitz, Auschwitz... I cannot forget you. As long as I remain alive’. Mijn vrouw is overleden in 2002. U kunt in dat boek nog meer lezen over mijn ervaringen.

Meer dan een ooggetuige

Auschwitz heeft mij nooit verlaten. Ik heb na de oorlog erge nachtmerries gekregen. Pat hield me vast. ‘Het is nu voorbij’, zei ze dan. Mijn oudste dochter sliep vlak bij onze slaapkamer en droomde ook al op jonge leeftijd dat de SS haar kwam halen. Mijn kleinzoon heeft mijn nummer op zijn arm laten tatoeëren. Ik vind dat een eer. Mensen spreken hem erop aan, zo blijft de geschiedenis verteld worden.

Er is te weinig kennis over de Holocaust. In de geschiedenisboeken lees je alleen over statistieken. Maar daaruit weet je helemaal niet hoe het werkelijk was. Ik vertel erover, bijvoorbeeld op scholen. Ik ben meer dan een ooggetuige. Ik was dáár. Ik heb het gezien met mijn ogen, gehoord met mijn oren en geroken met mijn neus. Iemand anders kan een andere visie hebben, of andere ervaringen, dat is prima, maar dit is mijn waarheid.”

Auschwitz bevrijd op 27 januari 1945

Sovjetsoldaten bevrijdden op 27 januari 1945 het in Polen gelegen vernietigingskamp Auschwitz. Er zaten nog zo’n 8000 zeer verzwakte gevangenen. Tienduizenden anderen waren de weken ervoor door de SS verplicht het kamp te verlaten. Een deel van de gevangenen werd na vaak zeer barre tochten naar andere concentratiekampen in Duitsland en Oostenrijk gebracht. Een ander deel moest in zogenoemde ‘dodenmarsen’ te voet richting Duitsland lopen. Ook dat kostte velen het leven. Naar Auschwitz werden naar schatting 1,5 miljoen mensen gedeporteerd. Ruim een miljoen werden, voor het overgrote deel joden, direct na aankomst vermoord. Tweehonderdduizend andere gevangenen kwamen om door ziektes en honger of de bewakers stuurden ze alsnog naar de gaskamers

75 jaar bevrijding

Dit is de zevende aflevering van een serie interviews waarin Trouw mensen aan het woord laat die de bevrijding van de Duitse bezetters in 1944/1945 zelf meemaakten. Lees ze terug op trouw.nl/75jaarbevrijding.

Lees ook:

Selma van de Perre (97) doet nu pas haar verhaal over het concentratiekamp. ‘Ik gunde het de Duitsers niet dat ik doodging’

Het heeft lang geduurd voor ze kon vertellen over wat haar is overkomen in de oorlog. De inmiddels 97-jarige Selma van der Perre werd als Joodse verzetsvrouw opgepakt en belandde uiteindelijk in concentratiekamp Ravensbrück. Ze verloor in de Tweede Wereldoorlog haar ouders, haar zusje en talloze andere geliefden. Deze week verschijnen haar oorlogsherinneringen.

‘Toen zei Sef: ik ga me melden. Ik wil niet voor jullie ogen worden neergeschoten.’

Het is vandaag precies 75 jaar geleden dat in Roermond 3000 Nederlandse mannen uit de schuilkelders van deze stad naar buiten kwamen en werden weggevoerd door de Duitsers. Annie Parren-Cornelissen (97) woont nog altijd in het centrum van die stad. Zij moest 30 december 1944 afscheid nemen van haar verloofde Sef. ‘We wisten niet of we elkaar ooit nog terug zouden zien.’

‘Illegaal een pakje bezorgen? Och, dat doet ons Marie wel’

Het is zaterdag precies 75 jaar geleden dat het Brabantse Vught werd bevrijd. Daar bevond zich tijdens de oorlog een berucht concentratiekamp. Marie Verbraeken-Blommaart (toen 24, nu 98 jaar oud) zat er wegens haar verzetswerk in 1944 gevangen. Wat ze daar meemaakte, krijgt ze ook na driekwart eeuw niet van haar netvlies, vertelt ze.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden