Interview Sophia Kramer

Horen is meer dan alleen luisteren: er komen cognitieve functies bij kijken

Hoogleraar Sophia Kramer met twee medewerkers in de test- en onderzoeksruimte, waar pupilmetingen worden gedaan bij slechthorenden. Kramer: ‘We moeten alert zijn op de toegankelijkheid van voorzieningen voor slechthorenden.’ Beeld Jean-Pierre Jans

Je moet niet alleen testen hoe goed (of slecht) iemand kan horen, maar ook onderzoeken hoeveel moeite hij daarvoor moet doen, zegt neuropsycholoog Sophia Kramer. Als horen hard werken wordt, kunnen de gevolgen ernstig zijn.

 Met de stijgende levensverwachting neemt ook het aantal slechthorenden in de maatschappij toe. Al vanaf je vijftigste neemt het gehoor aantoonbaar af. Boven de tachtig jaar heeft een op de twee ouderen gehoorproblemen. De gevolgen voor de slechthorenden zelf en voor de Nederlandse samenleving zijn enorm. Slechts 10 procent van de volwassen slechthorenden is medisch te behandelen. Dan gaat het om ingrepen als een operatie aan het trommelvlies of het middenoor. De overige 90 procent lijdt aan zogenoemd perspectief gehoorverlies. Bij die grote groep is sprake van aangeboren of opgelopen gehoorschade of slijtage door ouderdom. Voor hen is een gehoorapparaat het belangrijkste hulpmiddel.

Bredere kijk

Neuropsycholoog Sophia Kramer, hoogleraar auditief functioneren aan het Amsterdam UMC, schetst een bredere kijk op slechthorendheid. Hoewel we luisteren met onze oren, is het brein essentieel bij de informatieverwerking. Daarvoor gebruiken we de cognitieve functies als werkgeheugen, aandacht en taalvaardigheid. Vooral bij veel omgevingsgeluid, dient een deel van die hersencapaciteit om informatie die je niet goed verstaat aan te vullen. “Iemand die minder goed hoort, doet er alles aan om dat verlies te compenseren. Bijvoorbeeld door heel geconcentreerd te luisteren”, zegt Kramer.

Daarom is vermoeidheid een veelgehoorde klacht bij slechthorenden. Het kost inspanning om steeds met volle aandacht een gesprek te moeten voeren. En dan nog weet iemand nooit helemaal zeker of hij alles goed heeft gehoord. Door die onzekerheid staan veel slechthorenden permanent onder spanning. Dit aspect was voor Kramer de aanleiding haar onderzoek te richten op het kwantificeren daarvan. Wat maakt luisteren zo inspannend? En is dat meetbaar?

Oogpupilonderzoek 

Kramer nam oogpupilonderzoek voor mentale inspanning mee naar audiologie. Die discipline was toe aan nieuwe inzichten. “De afgelopen vijftig jaar zijn tests voor het gehoor verbeterd en is de effectiviteit van hoortoestellen geperfectioneerd. Maar een gehoortest is gericht op tonen of spraak verstaan. Iemand die uitstekend hoort, scoort 100 procent in zo’n test. De luisterprestatie kan niet beter. Wat die gehoortests niet kunnen meten, is de inspanning tijdens het luisteren. Een pupilmeting kan dat wel. Daarbij meten we de verwijding of vernauwing van de pupil tijdens een luistertest. Hoe groter de inspanning, hoe wijder de pupil.”

De patiënt krijgt woorden of zinnen te horen in verschillende situaties: van extreem veel achtergrondlawaai tot een volledig stille omgeving. Bij veel lawaai kan iemand geen spraak onderscheiden en doet daarom ook geen moeite. De inspanning neemt toe als de stem beter verstaanbaar wordt, en wordt weer minder in een stille omgeving. 

Als je de bijbehorende pupilreactie uitzet in een grafiek, wordt dat een curve die de vorm heeft van een omgekeerde U: geen inspanning aan de uiteinden (bij veel lawaai of juist een stille achtergrond), veel inspanning daar tussenin. En die curve is significant anders dan bij goedhorenden die dezelfde test doen. Bij slechthorenden is de curve afgevlakt bij veel geluid, en hoger bij spraak in stilte. Mogelijk heeft dat te maken met een chronisch gevoel van stress bij slechthorenden. Dat betekent dat zelfs onder makkelijke omstandigheden, in een stille omgeving met goed geluid, slechthorenden zich toch meer moeten inspannen.

Link met dementie

Kramer: “De afgelopen vijf jaar hebben we op dit terrein ongelooflijk veel geleerd. Pupilmeting is de nieuwe maat, wereldwijd omarmd door onderzoekers en de industrie. Fabrikanten van hoortoestellen waren vooral bezig met gehoorverbetering bij veel omgevingsgeluid. Naar die zogenaamd makkelijke situaties keken ze niet. En dat blijkt dus toch nodig”.

Het hooronderzoek van Kramer bestrijkt drie thema’s: het pupilonderzoek, een langjarig onderzoek onder groepen goed- en slechthorenden en onderzoek naar de verbetering van de zorg. “Want we moeten ook wat te bieden hebben, er moet meer aandacht komen voor de dagelijkse praktijk. Daarom gaat het in ons onderzoek niet alleen om beter horen. Kennis over de mentale inspanning is net zo belangrijk voor het welzijn van patiënten. Kan langdurende slechthorendheid bijvoorbeeld het stress-systeem permanent veranderen?”

In verschillende onderzoeken is een relatie aan het licht gebracht tussen minder goed horen en de kans op dementie. Slechthorenden zijn sociaal minder actief en vaker eenzaam. Mogelijk veroorzaakt dit gebrek aan sociale contacten en prikkels dementie, zegt Kramer. “We doen veel meer op de automatische piloot dan we denken. Als ik in de verte een vuilnisbak hoor rollen, dan weet ik dat ik mijn kliko buiten moet zetten. Dat rollende geluid is een prikkel om in actie te komen. Als je dat niet hoort, krijg je die informatie niet. Het ontbreken van prikkels heeft invloed op je functioneren. Niet alleen in menselijk contact, maar in alles. Al die mechanismen hebben effect op het brein en mogelijk het ontstaan van dementie. Daarom is het mijn droom om het effect van die dagelijkse geluiden op de luisterinspanning te onderzoeken. We onderschatten de invloed ervan.”

Experimenteren

Als we meer weten over het verband tussen slechthorendheid en dementie, betekent dat volgens de hoogleraar een enorme vooruitgang. “In het ideale geval helpen we het ontstaan van dementie terug te dringen. We kunnen ervoor zorgen dat mensen niet uitvallen en zich beter voelen. Ze zullen minder eenzaam zijn en beter kunnen participeren. Je kunt dan al winst behalen door eerder een hoortoestel te gebruiken.” 

Kramer experimenteert met verschillende situaties in het lab, ook om te onderzoeken hoe iemands motivatie van invloed is op de luisterinspanning. Deelnemers krijgen bijvoorbeeld een beloning. En dan blijkt dat iemand die bij een goed resultaat 5 euro ontvangt, een grotere pupilreactie heeft dan een patiënt die maar 20 cent krijgt. De luisterprestatie blijft hetzelfde, maar hij is meer bereid om het brein in te zetten. In een andere test krijgen deelnemers feedback van de onderzoeker, meestal een aansporing om het beter te doen. Ook hier blijkt dat feedback niet altijd invloed heeft op de luisterprestatie, maar wel op de luisterinspanning.

Rol van het brein

Die sociale factoren en de rol van het brein vindt Kramer het meest interessant. Die bepalen voor een groot deel hoe iemand luistert en de invloed op de luisterinspanning. Zij wil daarom het onderzoek uitbreiden naar het leven van alledag, bijvoorbeeld in een kantoortuin. Ook om meer te ontdekken over de relatie tussen goed luisteren en vermoeidheid. “Critici zeggen dat onderzoek daar moeilijk is, omdat je de omstandigheden niet kunt controleren. Dat is waar. Maar op dit moment zit er een groot gat tussen een labtest en het dagelijks leven.”

Mensen worden ouder en we moeten steeds langer doorwerken. Een logisch gevolg daarvan is dat het aantal slechthorenden op de arbeidsmarkt toeneemt. Een op de vijf mensen tussen de vijftig en de tachtig jaar heeft gehoorproblemen. “Als we willen dat die mensen goed blijven functioneren, moeten we nadenken over de inrichting van werkplekken. Een kantoortuin is voor slechthorenden funest door het vele lawaai. Hoe kun je dat oplossen: terug naar kleinere kantoren of moeten we zoeken naar betere akoestiek? De ontwerpbranche zou mensen daarvoor kunnen opleiden. En het is niet alleen een taak voor ontwerpers en beleidsmakers, maar voor de hele maatschappij. We moeten alert zijn op de toegankelijkheid van voorzieningen voor slechthorenden. Dat komt ten goede aan ieders welzijn.”

Volgens hoogleraar Kramer draait het om meer kennis en gedragsverandering. Als iemand een keer heeft gevraagd duidelijker te articuleren, dan moet je daar rekening mee houden. Een veel voorkomend misverstand is dat je moet schreeuwen. Bij oudere, slechthorende mensen is het soms effectiever om langzamer te praten. De verwerking van de informatie duurt namelijk langer. “Maar ik vind het verkeerd om die verantwoordelijkheid alleen bij de slechthorenden te leggen. Van een ander mogen we ook wat vragen. Alleen moet die kennis over hoe ermee om te gaan er dan wel zijn.”

Lees ook:

Het gehoorapparaat van morgen weet wie je wilt horen

Een gehoorapparaat dat in een volle kroeg alleen het geluid versterkt van degene die jij wilt horen. Lijkt onmogelijk, maar volgens Amerikaanse onderzoekers kan het.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden