Station Depok op West-Java.

Tentoonstelling Depok

Hoe slaafgemaakten op West-Java landheer werden dankzij een VOC-koopman

Station Depok op West-Java.

Een VOC-koopman laat zijn landgoed na aan de tot slaaf gemaakten die voor hem werken. Dit is in 1714 het begin van de Depok-gemeenschap. Een unieke geschiedenis volgt.

Ver voor in Nederlands-­Indië de slavernij wordt afgeschaft, gebeurt er in de huidige stad Depok op West-Java iets uitzonderlijks. In 1714 laat de ­Nederlandse VOC-koopman Cornelis Chastelein zijn landgoed na aan de 150 tot slaaf gemaakten die voor hem werken. Hij heeft een doel voor ogen: een landbouwkolonie op christelijke grondslag, gevormd door vrije boeren die het zelf besturen.

Het is het begin van de uitzonderlijke ­geschiedenis van de Depok-gemeenschap. In het Westfries Museum werd gisteren een tentoonstelling over deze geschiedenis geopend, ­‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein’. Niet toevallig, want vandaag is het keti koti en wordt de afschaffing van de slavernij in Suriname en op de Nederlandse Antillen herdacht en gevierd. Die slavernij werd precies 156 jaar ­geleden afgeschaft. Maar niet alleen daar, in het westen,  is het Nederlandse slavernijverleden omvangrijk. Ook in het oosten tekent slavernij de Nederlandse geschiedenis. Zo ook in voormalig Nederlands-Indië.

Twee eeuwen voordat de slavernij daar wordt afgeschaft, is de stap van Chastelein in 1714 om zijn landgoed na te laten aan de tot slaaf gemaakten zeer uitzonderlijk. In de eeuwen die volgen op zijn beslissing, gebeurt er veel met de voormalig tot slaaf gemaakten en hun nakomelingen. Deze ‘Depokkers’ lopen meteen aan tegen weerstand. De VOC en later de Nederlands-Indische overheid vinden Chasteleins idee maar niks en houden het zelfbestuur van de Depok-gemeenschap lang tegen. Pas in 1850 wordt de gemeenschap formeel ­eigenaar van de grond.

Ongedateerde foto van de Depok-gemeenschap op West-Java.

Stijgen op de sociale koloniale ladder

Hoewel er sprake is van armoede en verval, leven de nakomelingen de christelijke leefregels van Chastelein na, zo blijkt uit verslagen van dominees die Depok bezoeken. Zo schrijft een dominee in 1847: ‘Alles wat ik zag en hoorde, was Hollandsch, net en zindelijk, terwijl de Christelijke huisorde, die er werd in acht genomen, mij goed deed aan het hart.’

In de tweede helft van de negentiende eeuw hebben de nakomelingen van de tot slaaf gemaakte Depokkers aan wie Chastelein zijn landgoed naliet een unieke positie in de koloniale samenleving. Ze zijn de landheren ­geworden van Depok, waar inmiddels ook een grote groep moslims woont. De Depokkers ­laten hen verplicht zwaar werk doen voor de gemeenschap.

In 1873 raakt Depok uit zijn isolement dankzij de aanleg van een spoorlijn. Door de goede verbinding en het aangename klimaat verhuizen steeds meer Europeanen naar ­Depok. Er wordt een school gesticht waar ­zowel Europeanen als de nazaten van de oorspronkelijke Depokkers naartoe gaan. De voertaal is er Nederlands. De Depokkers lijken steeds meer op de Europeanen. Ze hebben ­vaker werk buiten Depok en stijgen op de ­koloniale sociale ladder.

In de twintigste eeuw maken veel Depok-families gebruik van hun Hollandse opleiding en status als landeigenaar om een verzoek in te dienen om ‘gelijkgesteld’ te worden – als gelijke aan een Europeaan geregistreerd te worden. De kloof tussen hen en de grote groep islamitische bewoners van Depok groeit.

De lokale bevolking in Depok op West-Java. Beeld rv

Japanse bezetter

Tijdens de Japanse verovering van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog verandert ­alles voor de nazaten van de oorspronkelijke Depokkers. Ze worden door de Japanse bezetter beschouwd als medewerkers van de Nederlanders en worden vijandig behandeld. Na de capitulatie van Japan wordt hun situatie nog penibeler.

In 1945 breekt de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd uit. Nationalisten die strijden voor een onafhankelijk Indonesië willen af van koloniale machthebber Nederland. Radicale nationalistische bendes veroorzaken daarbij een golf van geweld, die nu bekend staat als de bersiap. Tijdens deze periode krijgen ook de nakomelingen van de oorspronkelijke Depokkers veel geweld voor hun kiezen. De nationalistische bendes zien de Depokkers namelijk als Nederlandse collaborateurs. Het geweld laat diepe sporen achter in de Depok-gemeenschap.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 voelen veel Depokkers zich niet meer veilig. Naast de Verenigde Staten emigreren veel van hen naar Nederland. Daar wacht ze niet het onthaal dat ze hadden verwacht. Ze zijn bekend met de Nederlandse gebruiken en taal en voelen zich Nederlands, maar worden tot hun verbazing in Nederland niet zo gezien.

Ondertussen is de oorspronkelijke Depok-gemeenschap in Indonesië in verval. In 1952 heft de Indonesische regering de zelfstandige gemeenschap Depok op en nationaliseert zij de landgoederen.

Tegenwoordig wonen er zo’n miljoen mensen in de stad Depok, die deel uitmaakt van hoofdstad Jakarta op het eiland Java. Depok is veranderd, maar het oorspronkelijke christelijke karakter van Depok is terug te zien in het dorp Oud-Depok. Daar zijn drie christelijke scholen, een christelijk ziekenhuis, een protestante kerk, een gemeenschapshuis en een monument voor Chastelein.

De meeste Depokkers wonen tegenwoordig in Indonesië, Nederland en de Verenigde Staten. Velen hebben onderling contact.

Depok: de droom van Cornelis Chastelein

De tentoonstelling is een project van fotograaf Geert Snoeijer en historicus en antropologe Nonja Peters. Voor de tentoonstelling zijn zo’n dertig nakomelingen van de Depokkers uit Nederland en Indonesië geïnterviewd. Deze interviews zijn samen met de geschiedenis van Depok aansluitend op de tentoonstelling ook gebundeld in een boek en een korte film. Peggy Vermunt-Loen, Benno Gabriël en Maud de Bruin, hiernaast geïnterviewd, deden ook mee aan het project. De tentoonstelling ‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein’ is tot en met 6 oktober te zien in het Westfries Museum in Hoorn.

De onafhankelijke Depokkers, gewend aan hun vrijheid in Indonesië, kregen tijdens de gewelddadige bersiaptijd na de Tweede Wereldoorlog veel geweld voor hun kiezen. De inmiddels volwassen kinderen van deze naar Nederland geëmigreerde Depokkers herinneren zich het leed dat de bersiap met zich meebracht.

Peggy Vermunt-Loen. Beeld Geert Snoeijer

Peggy Vermunt-Loen (65)

Gepensioneerd, had een reisbureau aan huis

Mijn ouders hebben tijdens de gewelddadige bersiaptijd na WOII heel angstige momenten doorstaan in Depok. Mijn moeder zat een week opgesloten in het gemeentehuis, dat in brand zou worden gestoken. Dat is net voorkomen. Daar vertelde mijn moeder vroeger wel over. Ze toonde geen verdriet, maar wilde het verhaal wel kwijt.

Mijn vader moest toezien hoe een kind werd onthoofd. Aan zijn gedrag merkte ik dat hij getraumatiseerd was. Hij was afstandelijk, het omhelzen van de kinderen was er niet bij. Hulp om traumatische ervaringen een plaats te geven heeft hij nooit gehad.

Dat de Indonesiërs ons zo hebben behandeld, dat steekt. Ik heb een band met veel Indonesiërs, maar als ik er aan terugdenk dat ze mijn moeder bijna hebben vermoord… Dat blijft wel in mijn achterhoofd hangen.

In Indonesië worden Depokkers beschouwd als Europeanen en ook hier in Nederland zijn we anders, horen we qua uiterlijk niet thuis. Op mijn tiende kwam ik naar Nederland. In het prille begin riepen kinderen: “Hee zwartje, wat doe je hier?” en zeiden volwassenen “die is lelijk, die komt mijn huis niet in”. Ik ben daar nooit boos over geweest. Ik kan me hun reacties van destijds voorstellen, alles was nieuw. We wilden integreren, deden ons best om als Nederlanders geaccepteerd te worden. In de loop van de jaren merkte ik dat er meer interesse kwam voor onze geschiedenis en dat ik geaccepteerd werd. Mijn moeder zei altijd: “Je komt uit twee culturen, doe ze beiden goed.”

Benno Gabriël. Beeld Geert Snoeijer

Benno Gabriël (65)

Gepensioneerd, werkte als bedrijfsleider in de logistiek

In 2011 lag mijn moeder op haar sterfbed. Ik vroeg haar: “Wat is mijn doel op de wereld?” Ze zei dat ik moest oppakken wat ik leuk vond. Toen ben ik Indische avonden gaan organiseren, met muziek en eten. We hebben het daar over vroeger, ik zie dat zelfs indo’s die er vroeger niet mee bezig waren op zoek gaan naar hun roots. De opbrengst gaat, zoals ik mijn moeder heb beloofd, naar een gezin in Depok.

Mijn moeder vertelde niet zoveel over wat ze als 19-jarige had meegemaakt tijdens de bersiap. Dat is indo eigen, de geschiedenis zit in het vergetelhoekje. Die mensen zaten met zo veel emoties en verdriet, er is veel ellende waar ze liever niet over praten. Ze zei wel eens iets in de trant van “Je moet niet zeuren, wij hebben ergere dingen meegemaakt”. Op zo’n zelfde manier zei ze dat ze een onthoofding had meegemaakt. Als kind kun je je die dingen niet voorstellen. Ik vond het zo bizar dat ik het niet kon geloven. Mijn vader haalde als hoofdcommissaris van de politie in Jakarta mensen van de lijkenstapel die bijna dood waren.

Over een paar generaties weten mensen niet meer wat een indo is. Met de Indische avonden die ik organiseer hoop ik ook een beetje onze gemeenschap bij elkaar te houden. Ik wil onze geschiedenis op een toegankelijke manier vertellen. Want hoe gruwelijk het ook is, het is toch gebeurd.

Maud de Bruin. Beeld Geert Snoeijer

Maud de Bruin (83)

Gepensioneerd, werkte in de kinderopvang

Tijdens de bersiap in 1945 is mijn vader vermoord, ik kreeg zelf een kapmes in mijn rug. Ik was tien jaar oud, ik herinner het me als de dag van gisteren. Ik heb er wel eens nachtmerries over. Vooral in oktober, de maand waarin het is gebeurd. Dan droom ik dat ik moet vluchten, dat ik wordt achtervolgd. Vroeger was het erger. Ook het donker vind ik onprettig.

Nu ik ouder ben sta ik er meer bij stil, ik heb meer tijd om er aan te denken. Maar ik probeer altijd het verleden het verleden te laten. Het heeft geen zin om terug te blikken, je moet vooruit blijven gaan.

1945 was voor mij een rampjaar. Een paar maanden voor de bersiaptijd overleden mijn moeder en twee anderen die dicht bij me stonden. Ik ben er nooit boos over geweest. Ik kwam al vroeg tot de conclusie: het zijn de mensen die het je aandoen, het is niet de wil van God. En het was oorlog.

Ik ben er trots op dat ik uit Depok kom. Het zijn zoveel culturen. In Indonesië zat ik op een Nederlandse school en werd ik gewoon opgevoed zoals het in Nederland hoort. Nederland was mij dus niet vreemd toen ik hier op mijn twintigste kwam. Ik wist dat het er slecht weer zou zijn, maar dan dacht ik aan dat kinderliedje, waar het gaat over “een mooie dag in september”. Ook in september zijn er dus mooie dagen in Nederland, bedacht ik me dan.

Correctie: In dit artikel is het jaartal van onafhankelijkheid van Indonesië aangepast. Er stond 1947, het moet 1949 zijn.

Lees ook:

Nationaal museum voor Indië raakt open zenuw

Nationaal Museum Sophiahof is geopend. Het laat de Indisch-Nederlandse geschiedenis zien. Dat gaat niet zonder wrok of pijn.

Het onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië veroorzaakt al sinds de start onrust

Wie zijn daders, wie slachtoffers? Het grote onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië is pas eind 2021 klaar, maar uit verschillende hoeken wordt al kritiek geuit. Wat is er aan de hand?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden