EssayCoronacratie

Hoe het politieke debat verdween in de coronacratie

Beeld Tom Janssen

Nu Nederland getroffen wordt door de tweede golf van de coronacrisis, is het raadzaam om terug te blikken op het politieke debat tijdens de eerste golf. Met de parlementaire controle was het niet best gesteld, concludeert Lex Oomkes.

De pleit­bezorger van meer dualisme in de Nederlandse politiek kreeg dit voorjaar door de uitbraak van de coronapandemie waar hij om al jaren om vroeg: een kabinet dat regeerde en de controle aan de Tweede Kamer liet. Geen maandagse overleggen tussen de premier, de vicepremiers en de fractievoorzitters van de coalitiepartijen waar de politieke week werd dichtgetimmerd. Op het ministerie van volksgezondheid ging het over heel andere zaken dan over het sluiten van moeizame compromissen.

Er was op het hoogtepunt van de crisis slechts één probleem: de regering regeerde wel, maar het parlement controleerde niet of nauwelijks. Tijdens de wekelijkse debatten over de ontwikkelingen in de crisis en de door het kabinet daarop genomen maatregelen werd vooral veel gescholden, en er werden stellingen betrokken die het naar inschatting van de heren en dames politici goed zouden doen. De coronadebatten werden zo gebruikt om over het hoofd van de premier heen de achterban te bedienen.

De pandemie en de crisis die daardoor veroorzaakt werd, in de zorg en in de economie, legde nog maar eens in schrille contrasten de huidige crisis in de Nederlandse politiek bloot. Politiek is verworden tot een permanente campagne om de gunst van de kiezer. De eigenlijke taak is het geïnstitutionaliseerde, vreedzame gevecht om de toedeling van principieel schaarse middelen (deze vrij geïnterpreteerde definitie van politiek is van de Canadees-Amerikaanse politicoloog David Easton). En die verdwijnt naar de achtergrond, zo niet helemaal in de coulissen.

Criticasters

Als de pandemie voor de eerste druk op de intensive care van de ziekenhuizen zorgt, komt Geert Wilders met het pleidooi Nederland volledig op slot te doen. De totale lockdown is volgens hem het enige alternatief voor het ‘bewust door het kabinet laten sterven van mensen’. Er is op dat moment in de samenleving, zeker in Brabant, dat zich in totale chaos bevindt, veel begrip voor maatregelen die de samenleving zo niet tot een halt, dan toch in een heel wat lagere versnelling brengen. Draagvlak genoeg voor een totale lockdown, moet Wilders gedacht hebben.

Het is daarom vooral zaak om als Kamerlid het kabinet te verwijten niet ver genoeg te gaan en daarmee de indruk te wekken dat er nodeloos wordt getwijfeld. Forumleider Thierry Baudet komt met Singapore als voorbeeld van een stad waar de totale lockdown werd afgeroepen (bij de verspreiding van het Sars-virus) en ook in Zuid-Korea waren korte, krachtige maatregelen succesvol.

De beide criticasters zagen er geen been in hun kritiek op het kabinet 180 graden om te draaien toen het aantal besmettingen wel degelijk afnam zonder dat de ziekenhuizen bij wijze van spreken de patiënten op de gangen moesten leggen. Bovendien wilden peilingen maar niet aangeven dat de burger geen vertrouwen had in het kabinet. Vanaf dat moment was het kabinet niet langer niet streng genoeg, vanaf dat moment waren Rutte en de zijnen te streng. Het kabinet hielp willens en wetens de economie om zeep, dan wel vestigde het een anderhalve­meterdictatuur (Wilders).

Scheldcultuur

De grote dilemma’s in het beleid bleven met dergelijk vertoon van spierballen vrijwel onbesproken. Het publieke debat benoemde die dilemma’s veel nadrukkelijker, al ging die discussie er niet al te zachtzinnig aan toe. Waren maatregelen, die de economie zo veel schade toe zouden brengen wel nodig? Volgens de journalist Jort Kelder niet. Zeker niet als daarmee een paar ouderen, die na al die jaren roken te vatbaar waren voor het virus en de levensbedreigende gevolgen, nog een aantal ­levensjaren moest worden gegund.

Kelder en anderen met soortgelijke vragen kregen Nederland over zich heen. De wijze waarop hij een van de belangrijke dilemma’s, veroorzaakt door de coronapandemie, agendeerde, zal de prijs voor de elegantste bijdrage aan een discussie niet krijgen. De verdienste ligt wel in het feit dat hij duidelijk maakte dat er een politieke keuze aan het beleid ten grondslag lag. Een politieke keuze, die aan het Binnenhof, en zeker ook door premier Mark Rutte, werd gedepolitiseerd. Economie en gezondheid zijn twee kanten van ­dezelfde medaille, aldus Rutte. Een keuze was met andere woorden niet mogelijk, ja, niet nodig.

Het is een reflex in de politiek, die wellicht typisch Nederlands genoemd mag worden. In een crisis staan we als één man achter de beleidsmakers en worden mogelijke andere keuzes zo veel mogelijk onbesproken gelaten.

Eenheid voor alles.

Het speeltje van minister De Jonge

Geen woord werd er in eerste debatten bijvoorbeeld gewijd aan de keuze van het kabinet in maart en april – toen de intensieve zorg in de ziekenhuizen gedwongen was op de toppen van haar kunnen te presteren – alle veiligheidsmiddelen, de gezichtsmaskers en de handschoenen te reserveren voor het personeel in de eerstelijnszorg. De thuiszorg, het personeel in de verzorgingshuizen en andere zorgverleners kregen minder prioriteit in de toedeling van schaarse middelen.

Rond veiligheidsmiddelen bleven de debatten steken in harde verwijten en verdachtmakingen. Minister Hugo de Jonge was liever bezig met zijn speeltje, een corona-app, dan ­ervoor te zorgen dat personeel in verzorgingshuizen voldoende beschermd werd. Dat stelde althans SP-fractievoorzitter Lilian Marijnissen. Haar opmerking was de reden voor die zeldzame keer dat premier Mark Rutte uit zijn rol viel en voor een ­ieder hoorbaar verzuchtte tegen zo veel populisme niet op te kunnen.

Het optreden van de Kamer in de coronacrisis van volgens politiek ­redacteur van NRC en columnist Tom-Jan Meeus zorgelijk zwak. De scheldcultuur is in de Kamer volgens hem wellicht met Wilders begonnen, maar het kwaad zit dieper. Het ‘ik zeg wat ik denk’, de noodzaak ‘problemen bij de naam te noemen’ heeft een groot deel van het parlement dusdanig in haar greep dat het echte debat – over de keuzes en de dilemma’s – naar de achtergrond verdween. Zijn conclusie lijkt nog iets te voorzichtig. Mocht het kloppen dat partijen voor hun inbreng in het debat met meer dan een schuin oog kijken naar wat de stemming in het land zo ongeveer is, dan zijn we ver weg van het rationele debat over de aanwending van schaarse middelen.

Steunpakket zonder weerga

De coronacrisis zorgde er ondertussen voor dat voor de politiek wezenlijke vragen in een ander daglicht kwamen te staan. Zowel in het denken over de rol van de overheid in samenleving en economie als rond een meer expansief begrotingsbeleid zijn betekenisvolle en, zal later wellicht geconstateerd moeten worden, beslissende stappen gezet. Bedrijven moesten van de ene op de andere dag met (financiële) stutten overeind ­gehouden worden, de gehele horeca­sector dreigde van de ene op de ander dag de deuren te moeten sluiten en de vogels van de blauwe nationale trots stonden werkloos op de taxi­banen van Schiphol.

Het neoliberalisme, dat zijn ­hoogtepunt kende in het laatste, Paarse decennium van de vorige eeuw, is al een tijdje in het defensief. Vooral door toedoen van populistisch rechts dat de overtuiging van een maakbare samenleving overnam van de linkse beweging in de jaren zeventig. In het beleid was daar tot de kredietcrisis van 2008 nog maar mondjesmaat iets van te merken. Een terughoudende overheid was plotseling niet meer gerechtvaardigd.

De VVD, de partij die maar moeilijk los wil komen van het idee dat individuele behoeftebevrediging tot de ideale samenleving leidt, gaf na de kredietcrisis schoorvoetend terrein prijs. De overheid moest wel een bepaalde sterkte hebben, heette het in liberale kring. Daar waar markten faalden, moest de overheid pal staan.

Dat de gehele markt zou falen, simpelweg door het volledig wegvallen van de consumptieve vraag, zullen ook niet-liberalen nog niet in hun stoutste dromen hebben kunnen voorzien. In een paar dagen lag een steunpakket voor het bedrijfs­leven op tafel dat in de Nederlandse politieke geschiedenis zijn weerga niet kent.

Hier is de overheid niet meer de marktmeester die op imperfecte markten arbitreert, hier is de overheid een voorname handelende actor op de markt. Het kan niet anders of dit is de tweede zet in een beslissende verandering over het denken over de overheid.

Blijvende schade

Na jaren van restrictief beleid is expansief begrotingsbeleid bovendien niet langer een taboebegrip. Geen politicus waarschuwt nog voor de wissel die op volgende generaties getrokken wordt.

Mark Rutte en Wopke Hoekstra dachten aanvankelijk nog dat er voorwaarden gesteld konden worden aan geld uitgeven, maar het klimaat was al fundamenteel veranderd. Extra geld voor Zuid-Europa hoefde niet meer aan klassieke voorwaarden te worden verbonden. De twee ministers overschatten de kracht van logica. Als acute hulp geboden is, moet je niet te veel hameren op strikt genomen terechte bedenkingen. Zij verrekenden zich grandioos in hun inschatting van de effecten van de pandemie.

Fundamentele veranderingen in denken, edoch geen haan die er in het parlement naar kraait. Debatten over de aan de overheid in de eco­nomie toe te bedelen rol, dan wel over een herwaardering van de publieke sector werden zorgvuldig gemeden.

Het verband tussen haperende voorzieningen en een veertig jaar verwaarloosde en ondergewaardeerde publieke sector werd nauwelijks gelegd. Die discussie werd teruggebracht tot louter en alleen de simpele vraag of de loonsverhoging voor het personeel in de zorg beperkt kon worden tot een eenmalige bonus dan wel of de beloning structureel beter moest worden. Geen onbelangrijke, maar wel erg beperkte discussie.

Al enkele weken nadat de Tweede Kamer stillag, staken er hier en daar bezorgde geluiden op over de vraag of de vertegenwoordigende democratie zo geen blijvende schade leed. Kamervoorzitter Khadija Arib ­maakte zich begin april, een maand na het begin van de uitbraak, in een vraaggesprek met Trouw boos over een brief van het kabinet met daarin kabinetsvoorstellen die het parlement nog voor de zomer diende goed te keuren. Misbruik van de situatie wilde de voorzitter het nog net niet noemen, al werd de minister-president beleefd maar gedecideerd duidelijk ­gemaakt dat het zo niet kon.

Arib sprak over het min of meer normale Kamerwerk. De dagelijkse routine, zeg maar. Deskundigen, mensen uit de wetenschap, vooral juristen, hadden en hebben echter heel andere zorgen als het om democratische legitimatie en verantwoording gaat. De Raad voor het Openbaar ­Bestuur kwam half juni met een reader, waarin een uitgelezen groep haar zorgen uitte. De rode lijn: met de voorzitters van de veiligheids­regio’s, centrale figuren in het handhaven van de door het kabinet in overleg met het Outbreak Management Team genomen maatregelen, dreigde een soort nieuwe bestuurslaag te ontstaan. De voorzitter, de burgemeester van de grootste gemeente in een veiligheidsregio, nam immers vergaande besluiten, die diep ingrepen in het private leven van burgers.

Het debat in de Tweede Kamer over de rol en vooral de democratische verantwoording door en de controle van de voorzitters van de veiligheidsregio’s kwam er voor de zomer niet.

Op het moment dat het virus minder snel om zich heen greep en minder slachtoffers maakte, kwamen heel nieuwe politieke vragen op. Wat was nog proportioneel in de de vrijheid van handelen van burgers beperkende maatregelen? Is de ­anderhalve meter afstand niet ­sowieso onzin en welke legitimatie ligt aan die maatregel ten grondslag? Maatschappelijk woedde dat debat in alle hevigheid. Demonstreren en opzettelijk negeren van voorschriften namen snel toe, naarmate het aantal nieuwe besmettingen daalde.

Voor het vasthouden van maatschappelijk draagvlak van maatregelen die diep ingrijpen in private levens, maar ook in de publieke ruimte, is debat nodig. Ook politiek debat. De media kweten zich zeer grondig van hun taak in deze.

Over de rol van de politiek kunnen helaas nog immer twijfels bestaan. Hoe zorgelijk die conclusie vanuit democratisch oogpunt ook moge zijn.

Dit artikel verscheen eerder, in uitgebreide vorm, in het veertiende deel van de Montesquieu-reeks, een uitgave van het Montesquieu-instituut in Den Haag. In deze bundel, getiteld ‘Coronacratie', gaan auteurs in op de vraag in hoeverre de rechtsstaat en de democratie onder druk kwamen te staan door de eerste golf van de crisis. Lex Oomkes is voormalig politiek commentator van Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden