Grondrechten

Het discriminatieverbod wint aan invloed

Beeld ANP, bewerking: Fadi Nadrous

Wat steekt er achter de ophef over identiteitsverklaringen op reformatorische scholen? Over botsende grondrechten en de spanning tussen vrijheid en gelijkheid, waarbij Artikel 1 van de Grondwet aan invloed wint.

Op zonnige dagen zitten er mensen hun koffie-to-go te drinken of een milkshake van McDonald’s: de grondwetbank op het pleintje voor de Tweede Kamer, aan het Buitenhof. Op het lange marmeren kunstwerk staat Artikel 1 van de Grondwet geschreven: “Allen die zich in Nederland ­bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

Een tekst die haast vanzelfsprekend is, in een moderne rechtsstaat. Iedereen is gelijk, discrimineren mag niet, daar komt het in de kern op neer. Maar soms botst het, met andere artikelen in de Nederlandse Grondwet, zoals de godsdienstvrijheid of de vrijheid van onderwijs. Een botsing die onlangs ­bijna pijnlijk zichtbaar was in de gelaats­uitdrukking van minister Arie Slob van ­onderwijs. Hij werd teruggefloten door zijn collega’s in het kabinet en moest alsnog ­toelatingsverklaringen van reformatorische scholen, waarin homoseksualiteit wordt ­afgewezen, veroordelen. Eerder had hij deze identiteitsverklaringen verdedigd met artikel 23 van de Grondwet in de hand – het recht op vrijheid van onderwijs.

Discriminatieverbod wint aan invloed

Die botsing zit in de aard van de Grondwet ingebakken. Officieel is er geen hiërarchie tussen grondrechten. Spanning ontstaat vooral tussen de rechten van burgers of instanties, zoals scholen, onderling. De wetgever of rechter moet dan beslissen welk belang het zwaarst weegt.

Desondanks zien experts een verschuiving in het voordeel van Artikel 1, al ligt het vaak genuanceerd. Het gelijkheidsbeginsel wint aan invloed ten opzichte van de vrijheid van onderwijs en van godsdienst. Het recht op privéleven van individuen krijgt in uitspraken van rechters meer nadruk ten koste van vrijheden die vaker voor groepen gelden, zoals de vrijheid van onderwijs.

“In die zin zijn rechters niet blind voor veranderende waarden in de samenleving”, zegt Sophie van Bijsterveld. Zij is hoogleraar religie, recht en samenleving aan de Radboud Universiteit Nijmegen en oud-senator voor het CDA. “Ideaal gezien gaan vrijheid en ­gelijkheid samen op, maar in praktijk neigt men er nu meer naar om de rechten van mensen te beschermen via het recht op ­gelijke behandeling.”

De scherpte van de discussie ziet Van Bijsterveld ook toenemen. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat steeds minder mensen bekend zijn met het christelijk geloof, maar ook met de zorgen rond de islam. “De wens om radicalisering tegen te gaan, de vrees voor verlies van westerse waarden in bijvoorbeeld man-vrouwverhouding of op het gebied van seksualiteit maken dat de sympathie van de meerderheid in politiek en samenleving verschoven is naar gelijkheid boven vrijheid.”

Op politiek gebied is het vooral de SGP die hierdoor in een spagaat is beland. In hun achterban bevinden zich de reformatorische scholen wier rechten zij verdedigen, tegelijkertijd is de orthodox-christelijke partij fel gekant tegen meer invloed van de islam in Nederland.

Meer botsingen tussen grondrechten door secularisering en liberalisering

Niels Rijke promoveerde vorig jaar op het proefschrift ‘Een voortdurende schoolstrijd’, waarin hij het identiteitsgebonden benoemingsbeleid bij orthodox-protestantse scholen onderzocht. Daarbij spelen de eisen die sommige van deze scholen op grond van hun overtuiging kunnen stellen aan hun ­leraren een grote rol. Bijvoorbeeld wat ­betreft kerkgang, kleding (geen broek voor dames), internetgebruik of het afwijzen van een homoseksuele relatie.

Rijke kwam deze identiteitsverklaringen tegen bij een groot deel van de in totaal ongeveer 500 orthodox-protestantse scholen (zo’n 7 procent van de basisscholen en 5 pro­cent van de middelbare scholen). De ongeveer 150 reformatorische scholen in deze groep hebben in hun identiteitsverklaring een passage over seksualiteit, die volgens de Bijbelse grondslag van deze scholen plaatsvindt in een huwelijk tussen man en vrouw. Twee derde van deze reformatorische scholen laat uitsluitend leerlingen toe wier ­ouders de identiteitsverklaring hebben ­getekend, de rest gaat uit van respect voor de grondslag.

Net als Van Bijsterveld signaleert Rijke in de samenleving een groeiende nadruk op het gelijkheidsbeginsel. “Ik zie die botsingen als een gevolg van vergaande secularisering en liberalisering, plus het feit dat de Nederlandse Grondwet bijzondere scholen zeer veel vrijheid geeft en dit onderwijs ook ­financiert.” Internationaal gezien is dat ­laatste een uitzondering.

De financiering van bijzonder onderwijs – geregeld in grondwetsartikel 23 – maakt de discussie over botsende grondrechten in Nederland bijzonder, stelt Jeroen Temperman. En anders dan in landen waar bijvoorbeeld al het publiek gefinancierd onderwijs openbaar is, zoals Frankrijk. Temperman is hoogleraar internationaal recht en religie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en vergeleek vele rechtszaken waarin sprake is van botsende grondrechten.

“Wanneer iemand de toegang tot onderwijs van zijn keuze wordt ontzegd vanwege zijn geaardheid, dan schaadt dat de gelijkheidsrechten van het individu. Maar er treedt nog andere schade op, die aan de waardigheid van het individu, als het de staat is die het instituut subsidieert.” Uit Europese jurisprudentie blijkt dat religieuze instituties mét overheidsfinanciering minder strenge eisen kunnen stellen aan de levensbeschouwing van hun personeel dan religieuze instanties die geen belastinggeld ontvangen.

Orthodox-protestantse minderheid verzette zich

De invloed van het Europese recht zorgde daarmee ook voor een grotere nadruk op gelijke behandeling en tegengaan van dis­criminatie. Een voorbeeld is de invoering van de Algemene Wet Gelijke Behandeling in 1994, een markant moment in de geschiedenis van de botsende grondrechten. De wet verbiedt allerlei vormen van dis­criminatie bij overheidsinstanties en ­maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld scholen. Maar net als nu kreeg discriminatie op basis van homoseksualiteit veel aandacht in de media.

De orthodox-protestantse minderheid in Nederland kwam fel in verzet tegen deze wet, die een compromis was tussen CDA en PvdA. Toenmalig minister van justitie Ernst Hirsch Ballin (CDA) had de ‘enkele feit-­constructie’ bedacht: een school mocht een leraar – of een leerling, maar dat speelde nauwelijks – niet de deur wijzen om het ­‘enkele feit’ dat iemand homoseksueel is en dat ook zo uit, maar wel bij ‘bijkomende omstandigheden’. Ook toen al werd er flink over gedebatteerd, aldus Rijke. “Het kabinet legde uit dat je niemand mag weigeren of ontslaan vanwege een homoseksuele relatie, maar dat iemand wel geloofwaardig moet zijn binnen de school. De scholen in kwestie zagen geen ‘enkel feit’ in homo­seksualiteit, maar legden de link dat homoseksuele docenten hiermee afstand deden van de grondslag van de school.”

Sinds de invoering van de wet worden ­orthodoxe scholen strenger getoetst op hun beleid, door rechters en het College voor de Rechten van de Mens (voorheen de Commissie Gelijke Behandeling). “Politiek en ­samenleving vragen ook om verantwoording van standpunten die afwijken van de seculier-liberale meerderheid”, zegt Rijke. Hij constateerde in zijn onderzoek tegelijkertijd dat individualisering en modernisering ook doorwerken in orthodox-protestantse kring. Dat leidde er volgens hem toe dat deze scholen hun identiteit meer gingen verankeren in statuten en documenten dan daarvoor. “De identiteitsverklaringen zijn er pas sinds een jaar of twintig. Daarvoor waren de opvattingen eenduidiger, ook in eigen kring.”

Onderscheid op grond van homoseksuele relatie verboden

Het gebruik van identiteitsverklaringen nam dus toe door druk van buitenaf én door druk van verschuivende opvattingen in de religieuze gemeenschappen zelf. Zo gingen sommige scholen minder specifieke eisen stellen op het gebied van kerkgang of stonden (oogluikend) een homoseksuele relatie van docenten toe. Druk vanuit de politiek kwam in de loop der tijd onder meer van ­minister Plasterk van onderwijs. Die ging het gesprek met de scholen aan en bleef ­uitleggen dat onderscheid op grond van een homoseksuele relatie verboden is. In 2015 sneuvelde de ‘enkele feit-constructie’ mede onder druk van Europese wetgeving. Daaraan was één rechtszaak voorafgegaan van een leraar op een vrijgemaakt-gereformeerde school in Oegstgeest, die zijn ontslag vanwege zijn homoseksuele relatie met ­succes had aangevochten.

Anno 2020 lijkt het geduld in de samenleving met de reformatorische scholen op. Een meerderheid van de Tweede Kamer is voor een acceptatieplicht in het bijzonder onderwijs, al zal dat pas na de verkiezingen weer ter sprake komen. PvdA-leider Lodewijk Asscher diende onlangs een voorstel in om artikel 23 te moderniseren en de rechten van het kind beter te waarborgen.

Van Bijsterveld waarschuwt echter – ­tegen de stroom in – voor ongeduld om alles wettelijk te willen regelen. “Binnen geloofsgemeenschappen en in het orthodox-christelijk onderwijs zie ik veel discussie en ik pleit ervoor die de tijd te geven.” Tegelijkertijd erkent ze dat de spanning met het verbod op discriminatie daarmee niet weg te nemen valt. De SGP is tenslotte op het ­gebied van verkiesbaarheid van vrouwen door de rechter gecorrigeerd.

‘Voor eens en altijd Artikel 23 Grondwet aanpakken’

Temperman ziet in het opleggen van een acceptatieplicht een oplossing, maar nog geen volledige. “Met gelijke toegang zijn er nog geen gelijke rechten, dat zou te kort door de bocht zijn. De crux is in mijn ogen dat als de overheid instanties subsidieert, zij ook moet zorgdragen dat daarin geen discriminatie plaatsvindt, aan de deur of achter de deur. Want als er dan toch discriminatie plaatsvindt, dan voelt dat uiteindelijk als het deksel op de neus van staatswege.”

Volgens Temperman is zo’n verandering mogelijk zonder dat de vrijheid van godsdienst of onderwijs van ouders wordt beknot. “De uitoefening van die vrijheden is ook niet absoluut.” Een andere, drastischer ­oplossing ziet Temperman in het “voor eens en voor altijd aanpakken van artikel 23 van de Grondwet – de verworvenheden dan wel complicaties uit de Schoolstrijd.”

Rijke vindt het een lastige vraag of druk van buitenaf of van de rechter verandering in ­orthodox-protestantse kring kan afdwingen. Feit is dat die druk groeit. “Je ziet het twee kanten opgaan. Er komen zaken aan het licht waarvan de rechter oordeelt dat het discriminatie is, zoals bij het ontslag van de leraar in Oegstgeest in 2011.
Dat kan een voorbeeldfunctie krijgen en de positie van leraren versterken, net als aanscherping van wetgeving.”

Volgens Rijke heeft dat echter alleen het gewenste effect als zich op dat vlak al ver­anderingen voordoen binnen de school. Opmerkelijk is dat nog geen ouder of belangenorganisatie het verplicht ondertekenen van identiteitsverklaringen bij de rechter of het College voor de Rechten van de Mens heeft aangekaart.

De rechtszaak van de homoseksuele ­leraar zorgde er volgens Rijke voor dat men huivert om met soortgelijke kwesties naar de rechter te stappen, alles ligt dan immers op straat. “Terwijl ik in mijn onderzoek heb vastgesteld dat het nog steeds voorkomt dat homoseksuele leraren moeten vertrekken. Angst voor publiciteit kan er dan voor zorgen dat men onderling tot een vertrekovereenkomst komt.” Tot slot kan volgens hem meer druk van buiten ervoor zorgen dat posities zich verharden, scholen zich ingraven en de betwiste opvatting juist tot hét onderscheidende punt maken. Rijke: “Verandering van binnenuit, bijvoorbeeld gestimuleerd door christelijke lhbt-organisaties, is in de praktijk vaak het effectiefst.”

Lees ook: 

Het is een worstelwedstrijd met grondrechten voor Arie Slob

Minister Slob vond het makkelijker om moslims aan te spreken op tolerantie voor cartoons, dan refo’s op tolerantie voor homo’s. Dat schuurt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden