Toenmalig minister Dries van Agt tijdens het CDA-congres in 1976.

EssayCrisis in het CDA

Het CDA moet terug naar de maat der dingen, anders zal het midden het niet houden

Toenmalig minister Dries van Agt tijdens het CDA-congres in 1976.Beeld Nationaal Archief

Wat blijft er over van het CDA na de breuk met Pieter Omtzigt? Politiek columnist Hans Goslinga analyseert.

De voorspelling dat de fusiepartij van KVP, ARP en CHU geen lang leven zou zijn beschoren, achtervolgt Joop van den Berg, de grijze eminentie onder de politieke waarnemers, al zijn hele werkzame leven. ‘Het wordt op zijn best sterven in elkaars armen’, schreven hij en zijn compaan Henk Molleman in hun boek Crisis in de Nederlandse politiek, dat in 1974 uitkwam.

Bij het 25-jarig bestaan van het CDA herinnerde deze krant hem aan zijn voorspelling. Hoe zat het daar nu mee? Met meer dan veertig zetels in de Tweede Kamer regeerde het CDA onder leiding van de kwieke Jan Peter Balkenende weer als vanouds vanuit het midden. Van den Berg erkende dat hij zich had verkeken op de veerkracht van de christendemocraten. Maar dat betekende niet, zei hij, dat zijn voorspelling definitief onjuist was gebleken.

Hooguit duurde het stervensproces langer dan hij had verwacht. ‘De ontkerkelijking gaat door, dus het CDA zal het meer van andere kwaliteiten dan zijn aantrekkingskracht op gelovigen moeten hebben. Anders komt onherroepelijk het moment dat de laatste CDA’er door een grafsteen wordt bedekt’. Is dat moment dan toch dichtbij, nu de partij na de breuk met de populaire Pieter Omtzigt in de zwaarste crisis van haar bestaan verkeert?

Toenmalig premier Jan Peter Balkenende bij de Algemene Beschouwingen in 2006.  Beeld Werry Crone
Toenmalig premier Jan Peter Balkenende bij de Algemene Beschouwingen in 2006.Beeld Werry Crone

Wie veronderstelt dat de sociaaldemocraat Van den Berg nu handenwrijvend zit te wachten op de ondergang die hij voorspelde, vergist zich. Ook in 1974 was de wens niet de vader van zijn gedachte. Hij maakte zich destijds zorgen over de snelle afbrokkeling van het christelijke midden. Dit proces zou immers het hart van ons politieke bestel raken. Dat bestel paste zo perfect bij de verzuiling, maar het was niet geschikt voor een ontzuild Nederland. Dat is nog maar de vraag, hoewel de crisis in het bestel zich nu zorgwekkender laat aanzien dan een halve eeuw geleden, omdat in alle geledingen rot is gekropen.

Fase van schijndood

De geschiedenis dwingt hoe dan ook tot behoedzaamheid. Vrijwel alle partijen die na de oorlog de staat droegen, hebben een fase van schijndood meegemaakt, gevolgd door een wonderbaarlijke wederopstanding. Vaak zit het geheim van dit Lazarus-effect in de persoon van een politicus, de juiste man of vrouw, op het juiste moment op de juiste plaats. De rooms-katholieke Dries van Agt, naar eigen zeggen geboren in ‘de oorschelp van de Heer’, was dat als eerste lijsttrekker van het CDA. Hij gaf de gelovige kiezers, onder het progressieve tij in het defensief gedrongen, weer moed met zijn Ethisch reveil en het CDA-in-wording zelfbewustzijn als partij in het midden: ‘We buigen niet naar links, we buigen niet naar rechts’.

De persoon van de leider is altijd belangrijk geweest in de Nederlandse politiek, van Kuyper, Cort van der Linden en Colijn voor de oorlog tot Drees, Lubbers en Rutte na de oorlog. Verdwijnt een leider van het toneel, zoals Lubbers in 1994 en Kok in 2002, dan is een electorale klap verzekerd. Dat heeft met het verlies van bindingskracht van partijen, waarop Van den Berg en Molleman hun voorspelling baseerden, niet zoveel te maken. Het geheim van het latente krediet zit in mijn ogen dan ook in het fenomeen partij zelf. De partij is als drager van haar eigen geschiedenis, haar cultuur en sfeer en haar structuur de bindende kracht.

Voor ons verfijnde staatkundige bestel geldt dat evenzeer. Het is taai, veerkrachtig en flexibel en nog altijd niet geïmplodeerd, zoals ook dikwijls is voorspeld. De geschiedenis levert het bewijs. Na de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1918, dat de bedding leverde voor de coalitiepolitiek, is het altijd mogelijk gebleken een werkbaar midden te vinden en een tweedeling te voorkomen.

Wederopbouw van het land

Zelfs toen de christelijke partijen de absolute meerderheid hadden, tussen 1918 en 1967, zochten zij samenwerking met anderen. Eerst met de liberale partijen, later met de sociaaldemocraten. Niet zo bekend is dat de KVP-top in 1946 aan de PvdA voorstelde zij aan zij de eerste naoorlogse Kamerverkiezingen in te gaan. Met een gezamenlijk program voor de wederopbouw van het land dat in puin lag en met de presentatie van een complete ministersploeg. De PvdA wees dat voorstel af.

Partijvoorzitter Ruth Peetoom, fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma, oud-premier Jan Peter Balkenende, oud-premier Ruud Lubbers, oud-premier Piet de Jong, oud-premier Dries van Agt tijdens de presentatie van de Canon van de christendemocratie. Beeld ANP
Partijvoorzitter Ruth Peetoom, fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma, oud-premier Jan Peter Balkenende, oud-premier Ruud Lubbers, oud-premier Piet de Jong, oud-premier Dries van Agt tijdens de presentatie van de Canon van de christendemocratie.Beeld ANP

Haar voorman Willem Drees was beducht dat zo’n stembusakkoord de oude socialisten, de aanhang van de vooroorlogse SDAP, zou afschrikken. Bovendien zou het de strategie van de net opgerichte PvdA fnuiken naar christelijke kiezers door te breken. Die doorbraak mislukte, de rooms-rode coalitie kwam er wel onder de naam Het Nieuwe Bestand en zou twaalf jaar stand houden. De naam drukte een nieuw midden uit van bevolkingsgroepen die zich onder de protestants-liberale elite in het vooroorlogse Nederland achtergesteld hadden gevoeld.

Daarmee werd een van de cruciale lijnen in ons bestel, samenwerking ondanks rivaliteit en verschillen, nog meer zichtbaar. Curieus is dat Van den Berg het idee van aansluiting tussen de KVP en links in 1974 weer van stal haalde als oplossing van de dreigende crisis. Hij voelde echter zelf al aan dat het daarvoor te laat was, zeker na de Nacht van Schmelzer in 1966, die een heftige periode van polarisatie inluidde om het christelijke midden te kraken en een tweedeling progressief versus conservatief te forceren. Het effect was totaal averechts. De progressieve volkspartij kwam er niet, het voor onmogelijk gehouden CDA kwam er wél en hervond zijn positie in het midden, ook doordat PvdA en VVD elkaar bleven uitsluiten.

Onvermijdelijke kleurverlies

Het is inherent aan ons bestel dat een dominante positie in het midden een sleutelpositie in de verdeling van de macht oplevert. Met als dreigend gevaar arrogantie en een politiek die louter is gericht op machtsbehoud. Het midden is dan wel de meest begeerde plek in ons bestel, de inzet van de politieke strijd, tegelijk is het ook de gevaarlijkste plaats vanwege de valkuilen en het onvermijdelijke kleurverlies.

Toen de PvdA in de jaren negentig onder Kok de sleutelpositie innam, konden links van haar de SP en GroenLinks sterk opkomen. Nu de VVD al meer dan tien jaar vanuit het midden regeert, ontstond rechts van haar een vruchtbare bodem voor een nationaal-populistische machtsvorming die zich nu in allegaartje van tinnegieters presenteert.

De traditionele partijen lopen niet direct, zoals deze clubjes, het gevaar als los zand te verwaaien. Het onderliggende krediet is sterk. De bedreiging zit veeleer in het interne verlies aan ideologische bindingskracht, zoals nu in het CDA aan het licht is gebracht, maar eerder ook in de VVD en de PvdA.

Een strategisch midden

De Ier William Yeats bracht in zijn gedicht De Wederkomst, geschreven in 1919 vlak na de verwoestende Eerste Wereldoorlog, scherp onder woorden wat daarvan het gevolg is: ‘Alles valt uiteen, het midden houdt geen stand’. Daarmee doelde hij niet op een strategisch midden, maar op de breuk die optreedt als de mensheid haar oorsprong en bestemming niet meer kent.

Yeats gebruikte daarvoor het beeld van een valk die, in steeds wijdere cirkels opstijgend, uiteindelijk het contact met de valkenier verliest. Dan is er geen houden meer aan en liggen anarchie, bloedvergieten en verlies van onschuld in het verschiet.

September 1992. Wekelijks gesprek Koningin Beatrix met de minister-president Ruud Lubbers.  Beeld Werry Crone
September 1992. Wekelijks gesprek Koningin Beatrix met de minister-president Ruud Lubbers.Beeld Werry Crone

Het is een apocalyptisch beeld, dat zich niet zo gemakkelijk laat rijmen met een Nederland waarin het zo’n vaart niet loopt - kun je dat na de toeslagenaffaire die het hele bestel raakt eigenlijk nog wel met droge ogen zeggen? Het relevante punt is dat het op het Binnenhof aan een politieke kracht ontbreekt die de democratie bij haar oorsprong houdt en bij haar taak als hoeder van de vrijheid. De kabinetsformatie voltrekt zich in een politieke wezenloosheid die tergend is vanwege de bijna karikaturale positionering. De non-politicus Wopke Hoekstra zou nog eens te rade moeten bij de architect van rooms-rood, de katholiek Louis Beel, die in 1946 in minder dan veertig dagen met zijn rivaal Drees een kabinet smeedde.

Partij van de samenleving

In dat perspectief was het een tragische, misschien wel historische blunder van het CDA niet voor Omtzigt als lijsttrekker te kiezen, omdat hij in zijn pleidooi voor een ‘Nieuw sociaal contract’ met antwoorden kwam waar de traditionele partijen al tijden om verlegen zitten. Het CDA had zich in dat geval laten kennen als ‘de partij van de samenleving’, die het zo graag zegt te willen zijn.

Yeats schreef dat het midden geen stand houdt, als ‘de besten alle overtuiging missen en de slechtsten zijn vervuld van hartstochtelijke intensiteit’. Het kost niet zoveel moeite hier de radeloze oude partijen te zien te midden van hun luidruchtige uitdagers die alleen maar schelden en verantwoordelijkheid uit de weg gaan. Niet intrinsiek slecht, maar slecht voor een democratie die onverbrekelijk is gekoppeld aan recht en vrijheid voor iedereen.

Aan de hand van Yeats wordt nog een breuk zichtbaar, die tussen particulier en publiek belang. Als het goed is, moet je als burger blij kunnen zijn in een land te leven dat de verpleegkundige, de leraar, de politieagent en de kunstenaar op waarde weet te schatten. De grote Franse denkers over de democratie, Montesquieu en Tocqueville, schreven dat gelijke condities en een zekere materiële gelijkheid in een democratische samenleving vereist zijn. Zo niet, dan valt alles uiteen. In de gehele westerse wereld zie je dat populisten in deze breuklijn de koevoet zetten, op goede gronden, met twijfelachtige bedoelingen.

Wantrouwen en fragmentatie

De grote politieke uitdaging die hieruit logisch voortvloeit is de integratie van individu en gemeenschap. Albert Camus zal niet de meest geliefde schrijver zijn in christendemocratische kringen, al verdedigde hij in een wereld die hij als absurd ervaarde, de ‘maat der dingen’ die dwingt tot redelijkheid en bezonnenheid. Deze maat lijkt het CDA als bestuurderspartij en partij van de samenleving op het lijf geschreven omdat, zoals Camus schreef, ‘in elke moraal een aandeel realisme nodig is en in elk realisme een aandeel moraal’.

Joop van den Berg voorzag in 1974 dat als de crisis in de democratie niet op politiek niveau werd opgelost de centrifugale krachten hun werk versterkt zouden voortzetten. Als een moderne Yeats voorspelde hij groei van politieke apathie, wantrouwen en fragmentatie. De macht zou verschuiven van de partijen en het parlement naar oncontroleerbare lobby’s van bedrijven en organisatie en andere pressiegroepen. Die voorspelling is helaas wel grotendeels uitgekomen, al is het tij nog te keren.

Lees ook:

Hoe het misging tussen Omtzigt en het CDA

De relatie tussen Pieter Omtzigt en de partijtop van het CDA is nooit echt goed geweest. De laatste jaren werd Omtzigt onder kiezers steeds populairder, maar bij de partijtop niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden