InterviewStephen Pyne

Het brandt waar het contact tussen mens en natuur kapot is, ziet vuurhistoricus Stephen Pyne

Een Marokkaans blusvliegtuig in actie boven het noorden van het land.  Beeld AFP
Een Marokkaans blusvliegtuig in actie boven het noorden van het land.Beeld AFP

De beschaving begon toen de mens het vuur leerde beheersen. Maar daar lijken we steeds minder goed in te worden. Vuurhistoricus Stephen Pyne ziet de bosbranden die de planeet in lichterlaaie zetten als een veeg teken.

Seije Slager

Een pyromaan is hij niet, maar naar eigen zeggen wel een pyromanticus. Niet omdat hij vuur idealiseert, maar omdat hij heeft geleerd om vuur te zien als iets dat bezield is. Vuur is geen materie, maar een reactie, en een reactie is iedere keer anders, afhankelijk van de omstandigheden.

Dat klinkt op het eerste gehoor zweverig, maar de manier waarop vuurhistoricus Stephen Pyne over zijn favoriete onderwerp praat, wortelt juist in heel veel praktische ervaring als brandweerman. In Arizona, waar hij opgroeide, was het blussen van wildbranden seizoenswerk. Hij deed het voor het eerst als achttienjarige, in 1967, en bleef het bijna twee decennia doen. “Je kon het in de zomer doen, en daarnaast gaan studeren.”

Hij heeft er nog steeds mooie herinneringen aan, die hij koestert. “Je vertoefde wekenlang in de natuur, in een basiskamp. De meeste branden begonnen door een bliksem­inslag. Na een onweer had je drie, vier of vijf branden en daar gingen we dan op af. ‘s Avonds bij het kampvuur dronken we een biertje en vertelde we elkaar verhalen over onze ontmoetingen met het vuur. Zoals je elkaar ook zou vertellen over ontmoetingen met beren. En in zulke verhalen neemt het vuur automatisch een zeker karakter aan. Sommige branden waren leuk, makkelijk om bij te komen, makkelijk om te blussen. Je had ook existentieel verschrikkelijke branden, in een of ander ontoegankelijk deel van het bos, waarbij het dagen kostte om ze überhaupt te vinden.”

Servische brandweermannen zijn de Grieken op het eiland Evia te hulp geschoten.   Beeld AFP
Servische brandweermannen zijn de Grieken op het eiland Evia te hulp geschoten.Beeld AFP

Zulke kampvuurverhalen hielpen hem toen hij later school zou maken als vuurhistoricus. Halverwege de jaren zeventig was hij net gepromoveerd, en waren er geen banen. Hij begon dus maar te schrijven over wat hij kende: brand.

Inmiddels schreef Pyne vijfendertig boeken, en de meeste daarvan gaan over hoe menselijke beschaving en vuur op elkaar inwerken in verschillende delen van de wereld. “Ik heb geen mystieke verbinding met vuur, maar ik heb gewoon geleerd om erover te praten, als een normaal onderdeel van het leven.”

De Aarde is dan ook een uniek vurige planeet, schrijft u.

“Zodra planten de continenten begonnen te overwoekeren, begonnen ze af en toe ook te branden. Er bestaat houtskool van 420 miljoen jaar oud, dus het is er altijd geweest. Het is op sommige plekken wel vaak prominenter aanwezig geweest dan op andere plekken. Je hebt een patroon nodig van neerslag, zodat er iets groeit, en droogte, zodat de planten brandbaar worden. Jij leeft daar in Nederland in een gematigd klimaat, waar geen natuurlijke basis is voor veel vuur.”

Maar toen kwam de mens langs.

“Gedurende ons gehele bestaan als soort hebben mensen een alliantie met het vuur gehad. Wij zijn het enige dier dat vuur kan beheersen. Het was een pact waar beide partijen voordeel van hadden. We hebben het vuur meegenomen naar plekken waar het zelf nooit had kunnen komen. Ik bedoel, we hebben vuur naar Antarctica gebracht, zelfs naar de maan! En tegelijkertijd betekende vuur macht, en gaf het ons de mogelijkheid om op plekken te wonen die anders nooit bereikbaar waren geweest.

“Er is veel onderzoek dat suggereert dat mensen kleinere darmen en grotere hoofden ontwikkelden, doordat we voedsel leerden koken. En daarna bereikten we de top van de voedselpiramide doordat we leerden om landschappen te koken: we maakten stukken land met vuur vrij, zodat we er landbouw konden bedrijven, of zodat dieren er kwamen grazen. Grazers zoeken altijd pas verbrande stukken land op, daar heb je het voedzaamste eten.”

Het vuur lijkt ons de afgelopen jaren alleen wat boven het hoofd te groeien.

“We zien nu heel hevige bosbranden, maar als historicus moet ik wel vaststellen dat we eerdere periodes met veel branden hebben gekend. In de negentiende en vroege twintigste eeuw waren er veel branden in de VS en Canada, die groter en ook dodelijker waren dan die we nu zien. Die branden werden aangewakkerd door veranderd gebruik van het land. Het continent werd gekoloniseerd, er werd landbouwgrond vrijgemaakt, spoorwegen aangelegd, en men liet het gekapte hout overal slingeren. Dat was allemaal extra brandstof, waardoor de branden ook gelijk veel groter werden dan ze vroeger waren geweest. Bijvoorbeeld als een trein remde, en er vonken vanaf spatten. Treinen waren berucht om de branden die ze begonnen, zoals tegenwoordig elektriciteitsleidingen vaak de boosdoeners zijn.

“Sindsdien is de hoeveelheid vegetatie in veel bossen weer toegenomen, en die hebben we slecht gemanaged, en al helemaal niet met gecontroleerd vuur. Er ligt dus weer allemaal brandstof te slingeren. Dan komt er nog klimaatverandering overheen, en zo krijg je een nieuwe golf van branden. Een deel van mij zegt: we hebben dit probleem eerder gehad, en min of meer opgelost. De combinatie van factoren is nu anders, maar er zijn historische voorbeelden waar we van kunnen leren, als we willen.

“Maar de meeste mensen hebben geen echt begrip meer van vuur. En dan gaan al die branden dus een soort plaag lijken die uit de hemel over ons neerdaalt.”

Waarom begrijpen we het vuur niet meer?

“Tot in de negentiende eeuw had iedereen vuur in zijn huis, in onze steden brandde het overal, boeren gebruikten vuur om akkerland vruchtbaar te houden. Maar wat er sindsdien is gebeurd, is dat we fossiele brandstoffen begonnen te verbranden, en daarmee kregen we de dingen die we wilden van het vuur in een andere vorm.

“We verstopten het vuur in verbrandingsmotoren en energiecentrales, we hoefden niet meer op open vuur te koken, we hadden geen kaarsen meer nodig om ons huis te verlichten, we begonnen kunstmest te produceren zodat we onze velden niet meer hoefden te verbranden. Vuur hield op een constante aanwezigheid in eenieders leven te zijn.

“En zo verloren we ook onze interesse, en bestudeerde niemand het meer. Als academische studie belandde het bij de bosbouw, een discipline die in Frankrijk en Duitsland groot werd, gematigde klimaten, vreselijk slechte plekken om de rol van vuur in de natuur te begrijpen. Binnen de bosbouw geldt vuur vooral als een bedreiging, voor bomen en voor stukken land die we als ‘beschermd’ hebben aangewezen. Dan ga je vuur dus als een fysiek of chemisch probleem definiëren dat je onder controle moet krijgen. Dat je uit moet maken door er vanuit helikopters veel water op te gooien.”

Hoe kunnen we dan zinvoller over vuur nadenken?

“Wat we niet meer begrijpen is dat vuur ten diepste een biologisch fenomeen is. Want het leven op aarde produceert alle elementen van vuur: de zuurstof, de brandstof, en ook een groot deel van de ontsteking, in de vorm van onszelf. En als je over vuur nadenkt als iets dat voortkomt uit de biologie van de aarde, dan ontdek je: misschien hebben we het probleem wel helemaal verkeerd gedefinieerd. In veel opzichten gedragen branden zich als een epidemie, in de zin dat ze zich manifesteren op plekken waar mensen en de natuur met elkaar in contact zijn op een manier die kapot is.”

We zijn dus inderdaad slechter geworden in het beheersen van vuur?

“Denk alle gemotoriseerde voertuigen en pompen waarmee we branden te lijf gaan eens weg. Zouden we dan nog vuur kunnen blussen zoals we dat nu doen? Nee, wat we dan zouden moeten doen is wat mensen gedurende de hele geschiedenis al hebben gedaan: landschappen onderhouden, zodat ze niet in een totaal inferno veranderen als ze vlam vatten.

“Maar die controle zijn we kwijt, juist doordat we al onze energie hebben gericht op het uitbannen van vuur. En als dat vuur nu komt, dan brandt het zo hard dat al onze blusvliegtuigen er machteloos tegen zijn.

“Ik zou dus zeggen dat we te maken hebben met twee soorten vuur, en twee soorten landschappen. Van oudsher waren mensen heel goed in het managen van vuur in levende landschappen, in de biologische wereld om ons heen. Maar op een gegeven moment begonnen we onderaardse, fossiele landschappen te verbranden, de biomassa die ooit leefde maar nu als brandstof samengeperst onder de grond zit.

“Dat werkt heel goed in steden, die zijn veiliger geworden. Het heeft niet goed gewerkt in de natuur, waar zulke natuurlijke branden nodig waren om het landschap te onderhouden. We zijn beter geworden in het verbranden van fossiele landschappen, maar hebben paradoxaal genoeg de controle over branden in natuurlijke landschappen verloren. Daar hebben we te weinig goede branden, en te veel slechte branden.”

Wat zijn goede en slechte branden?

“Veel van de landschappen die hier in Amerika in de negentiende eeuw als ‘natuurlijk’ werden gezien, waren in feite al heel lang gemanaged door de oorspronkelijke bewoners, onder andere met vuur. Die mensen werden verdreven, en daarna werd de vegetatie steeds dikker. De vroege bosbouwers vonden dat geweldig, zulke weelderige begroeiing. Maar inmiddels realiseren we ons: dit is een ramp, want dit is allemaal brandstof, en de bosbranden worden daardoor oncontroleerbaar.

“Of neem de heide bij jullie in Nederland. Die heide moet je laten begrazen, en je hebt af en toe ook een heidebrand nodig, anders raakt het overgroeid. Ik kreeg een keer een rondleiding over een stuk heide dat in uitstekende staat verkeerde. Dat was al twee eeuwen lang een militair oefenterrein. Omdat er geschoten wordt, breekt er per ongeluk wel eens een brandje uit, en dat is perfect voor zo’n landschap. De paradox is dat we eigenlijk veel meer branden nodig hebben in levende landschappen.”

Komen we er met beter bosbeheer als we zoveel fossiele brandstoffen blijven verbranden?

“Mensen hadden lange tijd een alliantie met het vuur die voor beide partijen voordelig was. Maar we werden inhalig, en we begonnen fossiele brandstoffen te verbranden, en vanaf dat moment ziet die alliantie er steeds meer uit als een Faustiaans pact met de duivel. Wat we wilden was macht. Dat hebben we ook gekregen, en het was geweldig, zo lang als het duurde.

“Er zijn heel veel manieren om vuur te gebruiken, vuur is een geweldige transformerende kracht. Een van die manieren is om het om te zetten in rauwe energie. Dat hebben we gedaan, we verbranden onze kolen, olie en gas om elektriciteit te verkrijgen, we behandelden het vuur zoals we een kip in een legbatterij behandelen: we willen er maar één ding van, in maximale productie.

“Als we in levende landschappen dingen verbranden, dan zijn er altijd ecologische checks and balances. Als je te veel verbrandt, verslechtert het landschap en moet je verder trekken. Maar bij het verbranden van die fossiele landschappen verdwijnt elke natuurlijke balans. Er is geen bosbrandseizoen meer, geen dag en nacht, geen winter, zomer, het gaat altijd maar door.

“Maar nu komen we erachter dat we niet meer weten wat we met de uitstoot moeten doen. De atmosfeer is maar een heel dun laagje om de aarde, en is verzadigd met vervuiling. We warmen het klimaat op, en dat levert alleen maar meer branden op. Het is allemaal heel erg misgelopen. En in de tussentijd verloren we alle kennis over vuur die we in 200.000 jaar hadden opgedaan.”

Stemt dat u dan zorgelijk over onze beschaving, als die ooit begon met het beheersen van vuur?

“Ja, toch wel. Mensen zijn schepsels van het vuur, we hebben het altijd gehad, en ik kan ons niet zonder voorstellen. Als je de scheppingsmythes bestudeert waarin vuur een rol speelt, dan stellen die mensen vaak als zwakkelingen voor. Ik bedoel, we hebben weinig pluspunten. Maar dan krijgen we het vuur! Vaak door het te stelen, soms wordt erom gevochten, soms wordt het ons door een god gegund. Maar dat is onze macht, dat maakt ons tot wie we zijn.

In Noord-Amerika hebben we een gezegde: vuur is de beste vriend, en de vreselijkste vijand. En dat klopt. We hebben het vuur, onze trouwe bondgenoot, in iets vreselijks veranderd, tot het punt dat het de wereld die wij bewonen kan vernietigen.”

Stephen Pyne (1949) was tot hij in 2018 met emeritaat ging hoogleraar natuurlijke historie aan Arizona State University.

Hij schreef tientallen boeken, waarvan veel de geschiedenis van vuur als onderwerp hebben. Daarvoor kon hij ook op zijn praktijkervaring bij het blussen van wildbranden bouwen. Vanaf 1967 was hij vijftien jaar lang seizoensarbeider bij de brandweer in Arizona.

Komende week verschijnt zijn nieuwste boek, The Pyrocene: How we created an age of fire, and what happens next. Een Nederlandse vertaling is nog niet voorzien

Lees ook:

Er zijn steeds meer hevige bosbranden en ze duren almaar langer

De aandacht voor bosbranden is iets minder geworden sinds de Covid-19-uitbraak, maar de vuren nemen toe en worden heviger, meldt het Wereld Natuur Fonds.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden