Tweede Wereldoorlog

Het Belgische verzet moet blijven vechten om erkenning, nog steeds

September 1944. Belgische verzetsmensen van De Witte Brigade ontfermen zich over een door de geallieerden gedropt vat vol wapens en ammunitie.Beeld Getty Images

Over Belgische verzetsstrijders tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in Vlaanderen lang negatief gedacht: het waren halve criminelen of avonturiers. Pas sinds kort kantelt dat beeld.

Gewapend met één pistool, een stormlamp en een vel rood papier dwingen drie Belgische mannen op 19 april 1943 een lange trein tot stilstand bij het Vlaamse Boortmeerbeek. Het twintigste treinkonvooi is vertrokken uit de Dossin­kazerne in Mechelen en onderweg naar Auschwitz. Aan boord 1631 Joodse gevangenen. De drie mannen weten een wagon open te breken en redden zeker zeventien mensen.

Het is de enige plaats in bezet Europa waar tijdens de Tweede Wereldoorlog een Jodentransport is tegengehouden en mensen zijn bevrijd, zegt historicus Koen Aerts. Toch zijn er maar weinig Vlamingen die dat weten. “Of hun namen kennen: Youra Livchitz, Robert Maistriau en Jean Franklemon. Laat staan dat er een straat naar ze is vernoemd.” Hetzelfde lot trof Marcel Louette. Deze liberale onderwijzer uit Antwerpen richtte in 1940 De Witte Brigade op, een verzetsorganisatie die zich bezighield met onder meer sabotage van spoorwegen en het verspreiden van anti-Duitse propaganda. Ook hielp de groep mensen onder te duiken en smokkelde ze geallieerde piloten terug naar Engeland. “Na de oorlog werd hij even ingehaald als held, maar hij is snel verdwenen in de annalen van de geschiedenis.”

Opmerkelijk genoeg telde Vlaanderen tot voor kort wel een handvol Cyriel Verschaeve-straten en -lanen. Verschaeve was een collaborerende priester en dichter die streed voor de Vlaamse ontvoogding. Aerts: “Maar tijdens de Tweede Wereldoorlog een echte nazi”. Iemand die zijn geloof probeerde te rijmen met het nazisme en daarover gesprekken had met Heinrich Himmler. Hij was in 1941 al op de hoogte van de vergassing van geesteszieken.” Toch werd Verschaeve gewaardeerd. Niet als collaborateur, maar als Vlaams-nationalist, iemand die voor de Vlaamse zaak streed.

Strijd om de herinnering

Het is typerend voor de Vlaamse omgang met de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, zegt Aerts. “De verliezers van de oorlog hebben de geschiedenis geschreven. En de winnaars van de oorlog hebben de strijd om de herinnering verloren.”

Aerts is universitair docent en onderzoeker aan de Universiteit Gent en het Belgische expertisecentrum voor de geschiedenis van de conflicten van de twintigste eeuw (Cegesoma). Hij promoveerde op een onderzoek naar de vervolging van Belgische collaborateurs na de Tweede Wereldoorlog. Want daar is in Vlaanderen, in tegenstelling tot het verzet, veel meer wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Dat is deels een bronnenkwestie, zegt Aerts. “Over de collaboratie is veel meer materiaal bewaard gebleven. Het verzet ging ­natuurlijk tijdens de oorlog geen notulen maken of lidkaarten uitdelen. Het standaardwerk over het verzet moet nog steeds geschreven worden.”

Marcel Louette werd als held ingehaald, maar verdween snel in de annalen van de geschiedenis.Beeld Hollandse Hoogte, Belga

Dat komt niet alleen door een gebrek aan bronnen. In het naoorlogse Vlaanderen domineerden in de herinnering aan de oorlog niet de verhalen van verzetsstrijders, maar van de 100.000 gestrafte collaborateurs. Veel Vlaams-nationalisten hekelen tot op de dag van vandaag de ‘repressie’, de hardvochtige wijze waarop de Belgische staat zogezegd was omgesprongen met wie collaboreerde met de Duitsers.

Perceptieprobleem

De daden van de naar schatting 160.000 Belgen die actief waren in het verzet verdwenen algauw ’in de plooien van de geschiedenis’, aldus Aerts. Sterker nog, zij kampten al snel met een enorm perceptieprobleem. Veel Vlamingen keken met argwaan naar de mensen die na de Bevrijding opeens uit de kast kwamen als verzetslid. “Men had de indruk dat ze als paddestoelen uit de grond schoten. Maar het is natuurlijk logisch dat ze pas dan zich publiek kenbaar maakten.”

De eerste beelden van het verzet die na de Bevrijding rondgingen hielpen evenmin: daarop zijn verzetsmensen te zien die in actie komen tegen collaborateurs, die bijvoorbeeld werden opgesloten in de dierentuin van Antwerpen. “Op die foto’s is het verzet zichtbaar als dader en de collaborateurs als slachtoffers. Die omkering van de geschiedenis wordt uiteindelijk dominant en creëert een specifiek Vlaamse herinnerings­cultuur.”

Eigenlijk ontstaat de negatieve beeldvorming al daarvoor, tijdens de oorlog, vertelt Aerts. “Het verzet werkte ondergronds. De lokale bevolking betaalde soms de rekening van de verzetsdaden: gewapende aanvallen tegen nazi’s, waarop dan vaak vergelding volgde. Een bekend voorbeeld is de moord op een collaborateur door verzetsmensen in Meensel-Kiezegem, waarna bij een razzia tientallen dorpsbewoners werden opgepakt en weggevoerd. Door ­zulke acties liep het verzet imago­schade op.”

In tegenstelling tot in Nederland weet het verzet in Vlaanderen zichzelf na de oorlog niet te promoten. Een belangrijke oorzaak daarvan zijn de – ook dan al – complexe politieke verhoudingen in België. Waar het verzet in Nederland een haast mythische status krijgt en zich verenigt om een actieve rol in de wederopbouw te spelen, valt het Belgische verzet als los zand uit elkaar. “Het Belgische verzet bestond uit losse groepen van alle denkbare politieke kleuren, van extreem-links tot extreem-rechts. Er waren ook extreem-rechtse verzetsgroepen, zelfs een klein aandeel fascistisch van signatuur, die zich tegen de Duitsers keerden”, zegt Aerts. “Het verzet tegen de Duitsers was de maizena die die groepen bijeenhield, maar toen dat wegviel bij de bevrijding versplinterde dat verder.”

Collaborateurs in Vlaanderen zoeken elkaar juist op en sluiten de rangen. Zij delen bovendien vaak een gezamenlijke Vlaams-nationalistische ideologie en blijken een interessant kiespubliek voor de Christelijke Volkspartij. “Om hen binnen te hengelen was een zachte benadering van de collaboratie nodig”, zegt hoogleraar vaderlandse geschiedenis Bruno De Wever.

Eigen herinneringscultuur

Collaborateurs krijgen daardoor al snel strafvermindering en een rol in de wederopbouw van de maatschappij. Een aantal verzetsgroepen demonstreert daartegen en dwingt in de jaren veertig en vijftig tot twee keer toe een minister van justitie tot aftreden, maar algauw verliezen zij in de beeldvorming hun morele gelijk. De Belgische staat voert zelf geen actieve nationalistische of patriottistische herinneringspolitiek en dat schept in Vlaanderen ruimte voor de voormalig collaborateurs om de beeldvorming naar hun hand te zetten en een eigen herinneringscultuur te creëren.

Ze richten onder meer het Vlaams-nationalistische tijdschrift ’t Pallieterke op, waarin het slachtofferschap van de collaborateurs in de verf wordt gezet. “Verzetsstrijders worden bovendien afgeschilderd als mensen die collaborateurs vermoordden tijdens de oorlog, op de verkeerde mensen schoten en de bevolking extra hadden laten lijden doordat ze repressailles bij de Duitsers uitlokten met hun acties”, zegt De Wever, die zelf uit een Vlaams-nationalistisch nest komt – zijn jongere broer Bart is voorzitter van de Nieuw-Vlaamse Alliantie, de grootste Vlaamse politieke partij – en bij wie thuis ook ’t Pallieterke op de mat viel.

“Ze draaiden het narratief totaal om”, zegt Aerts. “Verzetsstrijders werden afgebeeld als beul en dader, compleet met nazistische karikaturen. Zo leidde men de aandacht af van de eigen schuldvraag en vonden ze een stok om de Belgische staat mee te slaan: die probeerde Vlaanderen te breken.”

Die beeldvorming over het verzet werkt nu – decennia later – nog steeds door, zegt hij. “Bij lezingen toon ik altijd een foto van Cyriel Verschaeve en eentje van een lokale verzetsman of -vrouw die is opgepakt en geëxecuteerd door de Duitsers. Er zijn er altijd wel die Verschaeve kennen, maar nog geen enkele keer werd de verzetsstrijder herkend door iemand in het publiek. En dat gaat dan nota bene om mensen uit hun eigen dorp, die het hoogste goed hebben gegeven voor hun ideaal, in de strijd tegen de nazi-bezetter. Toch is dat beeld niet verankerd bij een breed publiek.”

Septemberweerstanders

Nog altijd denken veel Vlamingen dat de echte verzetsstrijders stierven in de kampen, de rest bestond uit amateurs, avonturiers, halve criminelen en ‘septemberweerstanders’ (mensen die last minute met de eer wilden strijken, MdV.). “Dat doet totaal geen recht aan de offers die het Belgische verzet heeft gebracht”, zegt Aerts. In werkelijkheid werd een kwart van de ongeveer 160.000 verzetsstrijders opgepakt, 15.000 overleefden de oorlog niet.

Het Belgisch verzet bestond niet uit louter amateurs, benadrukt Aerts. “Er zijn zeer degelijke operaties opgezet om gevangenen te bevrijden, er waren netwerken om mensen te verbergen, het doorspelen van militaire informatie aan de geallieerden. Daardoor zijn duizenden mensen gered.”

Waar er de laatste jaren in Vlaams-nationalistische kringen meer afstand wordt genomen van de collaboratie, blijft de herwaardering voor het verzet nog achter. Pas sinds kort lijkt voor hun opofferingen meer erkenning te komen. “Er was eerst een correctie op de collaboratie nodig”, zegt Bruno De Wever. Waarom die in Vlaams-nationalis­tische kringen zo lang op zich liet wachten? “Een kwestie van de voortschrijdende tijd, een generatie die verdwijnt. Dat maakt het makkelijker om helder te spreken over die tijd.”

Ook de documentairereeks over kinderen van collaborateurs van de Vlaamse publieke zender Canvas in 2017 zorgde voor meer inzicht en interesse voor het oorlogsverleden. Afgelopen najaar volgde ‘Kinderen van het verzet’, waaraan ook De Wever en Aerts meewerkten. Daarin vertellen kinderen over het verzetsverleden van hun ouders, die onderduikers hielpen, wapens smokkelden, telefoonlijnen doorknipten of elektriciteitsmasten saboteerden. Meer nog gaat het over de prijs die hun ouders daarvoor betaalden en de weerslag die het op de levens van hun kinderen had. Hoe de Gestapo op een dag voor de deur stond, waarna zij hun ouders nooit meer terugzagen. Of hoe ouders zwaar getraumatiseerd uit de oorlog kwamen en hoe dat verleden en het gebrek aan erkenning het gezinsleven ­domineerden.

De aandacht voor zowel het Vlaamse collaboratieverleden als het verzet leidde er onder meer toe dat de ene na de andere gemeente nu bezig is zijn Cyriel Verschaevestraat te hernoemen – alleen in zijn geboortegemeente is daarover vooralsnog geen discussie.

Anne Frankstraat

Het verdwijnen van Verschaeve uit het straatbeeld wil echter niet zeggen dat nu automatisch verzetsstrijders geëerd worden. De Verschaevestraat in Lanaken, die in 2017 als eerste het veld ruimde, werd hernoemd tot Anne Frankstraat. In Kortrijk werd geopperd om de straat naar een verzetsstrijder uit de Eerste Wereldoorlog te noemen en inmiddels ligt de naam van Hugo Claus (de auteur van ‘Het verdriet van België’) op tafel. Het Delwaidedok in Antwerpen – vernoemd naar de Antwerpse oorlogsburgemeester die actief bleek in de Jodenvervolging – werd vorig jaar het Bevrijdingsdok. “Een veilige keuze, maar het zegt twee keer niks”, meent Aerts. “Waarom geen Marcel Louettedok? Men durft vaak geen positie in te nemen.”

Vrouwelijke verzetsstrijders

Een uitzondering daarop is de stad Gent. Die besloot vorig jaar – op voorspraak van Aerts en zijn collega Jan Naert – om straatnamen in een nieuwe woonwijk op te dragen aan vrouwelijke verzetsstrijders. Maar pas na uitvoerig onderzoek. Aerts: “Men wilde zeker weten dat die mensen ook na de oorlog nog van onbesproken gedrag waren. Ik vond dat goed, maar ook een beetje ironisch gezien het feit dat er nog Verschaevestraten zijn, die een ter dood veroordeelde nazi was.”

De Wever is genuanceerder. “Wie je moet herdenken op straatnaamborden is een terechte vraag. Het verzet verdient een meer centrale plaats in de publieke herinnering, maar het was niet louter heroïsch. Het zijn heldenverhalen met mitsen en maren.”

Dat beaamt Aerts. “We moeten niet in de Nederlandse valkuil trappen, waar het verzet lang is geromantiseerd. Je moet van mensen geen bordkartonnen-categorie maken: schurk of held. Dan leren we niks over de geschiedenis. Het Nederlandse voorbeeld moet ons leren om op onze hoede te zijn voor glorificatie. Het beeld in Vlaanderen moet kantelen, niet doorslaan.”

Lees ook: 

Hoe gingen Nederlandse gemeenten om met de Duitse bezetting? Niod onderzoekt

Hoe heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gefunctioneerd? Het Niod start een onderzoek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden