Voormalig Niod-directeur Hans Blom.

25 jaar na SrebrenicaInterview Hans Blom

Hans Blom staat nog steeds achter ‘zijn’ Srebrenicarapport: ‘Historici moeten geen rapportcijfers geven’

Voormalig Niod-directeur Hans Blom.Beeld Jörgen Caris

Verwarring, commotie en speculaties streden na de val van Srebrenica om voorrang. Wat was er precies gebeurd? Historicus Hans Blom kreeg in 1996, als kersverse directeur van het Niod, de opdracht het uit te zoeken. Een kwarteeuw later blikt hij terug op die turbulente periode en het ruim 3000 pagina’s dikke rapport dat het onderzoek opleverde. 

Laatst zaten aan dezelfde tafel nog een paar studenten die hem interviewden over Srebrenica, vertelt Hans Blom in de achterkamer van zijn huis aan een statige laan in Leiden. “Het waren jonge twintigers; ik realiseerde me dat ze zijn geboren na de val van Srebrenica en de massamoord die daarop volgde.”

De gebeurtenissen in Srebrenica waren nog vers toen Blom werd gevraagd ze te onderzoeken. “Ik kreeg eind augustus 1996 een telefoontje van minister Ritzen met dat verzoek, terwijl ik pas op 1 september als directeur van het Niod zou beginnen. Na dat verzoek gingen er direct allerlei dilemma’s door mijn hoofd. Kun je als historisch instituut op zo’n korte termijn wel onafhankelijk onderzoek doen naar een onderwerp dat zo geladen is?”

Toch zei u ja.

“Als je als historicus gevraagd wordt bij zo’n klemmend maatschappelijk vraagstuk grondig onderzoek te doen, kun je eigenlijk geen nee zeggen. Er was veel commotie en verwarring over Srebrenica en een breed gedragen wens in de samenleving om te weten wat er was gebeurd. Ook bij mij. Want als geïnteresseerd krantenlezer en historicus vond ik de gewelddadige desintegratie van Joegoslavië schokkend. Ik had daar net als iedereen veel vragen en een ongefundeerde mening over.”

Toen moest u opeens als historicus naar de gebeurtenissen kijken. Was u niet bang dat uw mening over dat heel recente verleden onbewust een rol zou spelen bij uw onderzoek?

“Het probleem met het onbewuste is dat ik daar niets van weet! Onze opdracht kwam wel voort uit die maatschappelijke onrust en opwinding die ik op dat moment zelf als burger ook voelde. Maar toen ik als wetenschapper aan de slag ging, heb ik geprobeerd dat van mij af te schudden. Als instituut dat zich met de Tweede Wereldoorlog bezighoudt, hadden we bovendien ervaring met het omgaan met recent verleden met een grote maatschappelijke en morele lading. Daarin had ik een duidelijke positie gekozen hoe je bij dat soort geschiedschrijving te werk moet gaan. En dat was een andere positie dan die van mijn voorganger Lou de Jong.”

De Verdieping van Trouw staat dit weekend in het teken van de val van Srebrenica. Het is 25 jaar dat de moslimenclave viel, waarbij meer dan 8000 moslimmannen om het leven kwamen. U kunt alle artikelen hier lezen. 

Waarin verschilde uw aanpak?

“Wat Lou de Jong met zijn geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog heeft gedaan, is een fantastische prestatie geweest. Maar hij schreef binnen een bepaald frame waarbij hij naar de oorlog keek als ‘onderdrukking en verzet’, gekoppeld aan de politieke norm ‘goed of fout’. Dat was voor hem volkomen vanzelfsprekend. Maar door zo’n duidelijk frame te kiezen vielen gebeurtenissen die daar niet in pasten, maar ook belangrijk waren, buiten de boot. In mijn oratie begin jaren tachtig noemde ik dat ‘de niet altijd verhelderende ban van goed en fout.’

“Ik vind dat in de historisch wetenschappelijke bestudering van de Tweede Wereldoorlog dezelfde methodiek moet worden gevolgd als bij elk ander onderwerp: onpartijdig en onbevooroordeeld zo goed mogelijk reconstrueren wat er is gebeurd op grond van zo veelzijdig mogelijke bronnen die we kritisch moeten benaderen. Vervolgens die reconstructie ordenen, analyseren, interpreteren en zo in elkaar schuiven dat we iets van dat verleden begrijpen, patronen, trends en beslissende momenten zien. De chaos van het moment laat zich pas later enigszins ordenen en daarmee op een bepaalde manier verklaren; dat is de taak van historici.”

Maar u zat op dat moment van het onderzoek nog heel dicht op die chaos.

“Het is dan zaak zo open mogelijk te kijken, niet zoeken naar wat je denkt of hoopt te vinden. Afstand nemen en dan je verbazen over wat er gebeurt en daar de vinger achter krijgen. In mijn eerdere onderzoek, ook over de Tweede Wereldoorlog, had ik daarmee al geoefend. Bij het Srebrenica-onderzoek wilde ik toepassen wat ik zelf destijds in mijn oratie had gezegd. Onze inzet als onderzoekers was niet: welk moreel rapportcijfer geven wij? Nee, wij wilden weten wat er precies gebeurd was en waarom het op die manier was gebeurd.”

Kunt u een voorbeeld geven?

“Een mooi voorbeeld vind ik de rol van Dutchbat-commandant Karremans. Wat moet je nou van hem vinden? In ons rapport hebben wij geen personeelsbeoordeling van Karremans gegeven. Wij hebben geprobeerd te reconstrueren wat Karremans in de context waarin hij moest werken heeft gedaan en waarom. Hoe je dat moet verklaren en wat eventueel de effecten daarvan zijn geweest. En dan mag het leger een functioneringsgesprek met Karremans voeren en de politiek vervolgens een oordeel over het leger vellen.”

Volgens historici Michiel Baud en Frank van Vree hield u te krampachtig vast aan het vermijden van een oordeel.

“Dat vond ik niet, maar dat is een zwak verweer want uiteraard denk je van jezelf dat je niet krampachtig bent. Voor mij sprak deze werkwijze vanzelf en daarom was ik het absoluut niet eens met Baud en Van Vree.”

Maar was u daarin niet wat naïef? Net als direct na de Tweede Wereldoorlog was er in de samenleving na Srebrenica wellicht behoefte aan overzicht: wie waren de schurken, wie de helden?

“Daar was ik mij van tevoren van bewust. Maar de kritiek op dit aspect kwam veel eenzijdiger dan ik had verwacht en bovendien uit onverwachte hoek, namelijk van mijn vakgenoten. Ik ben echt verbaasd en ook teleurgesteld over het gebrek aan begrip van een aantal collega’s voor onze poging om een zeer grondig en zo precies mogelijk rapport neer te leggen en het vervolgens aan de politiek te laten om een oordeel te vormen. Sommigen hebben ons verweten – en daarbij opereerden ze niet altijd netjes, vind ik – dat we niet goed zijn omgegaan met de politieke en morele dimensies. In sommige gevallen waren mensen gewoon kwaad, omdat wij niet het oordeel uitspraken dat zij al hadden. Ik vind dat niet de taak van historici. Als wij de rol van politiek scherprechter zouden spelen, worden wij target van de politiek. Stel je eens voor!”

Over politici gesproken, ook in hen was u teleurgesteld. Waarom?

“Politici hebben de kans laten lopen om op basis van een grondig rapport en met open vizier terug te blikken op wat er is misgegaan. Want als het op een massamoord is uitgelopen, kun je stellen dat het grondig is misgegaan. Tijdens de parlementaire enquête die na het verschijnen van het rapport is gehouden ging het vrijwel alleen maar over politiek met de kleine p, afrekenen, reputaties beschermen. Dat heeft mij buitengewoon teleurgesteld.”

Werkte het onderzoek dicht op de gebeurtenissen ook in uw voordeel?

“Veel mensen die bij de gebeurtenissen betrokken waren, leefden nog. Zo spraken wij met mensen die heel dicht bij hoofdrolspelers als Mladic, Karadzic en Milosevic stonden. Helaas hebben we die niet zelf gesproken. Verder konden we snel documenten veiligstellen. In de loop der tijd kunnen die verloren gaan, door ratten, vuur, wateroverlast of omdat mensen ze bewust verwoesten. Terwijl we bezig waren, kwamen er ook steeds meer documenten beschikbaar, bijvoorbeeld omdat de VN opeens toch instemden om mee te werken. Zo stond er in Genève een container met archiefmateriaal op ons te wachten.”

Zo kort na de gebeurtenissen stond er wel veel druk op u en uw team, en niet alleen tijdsdruk. Hoe was dat?

“Juist de druk die erop stond betekende dat we ons geen uitval konden permitteren terwijl het onderwerp waar het om ging heel emotionerend was. De onderzoekers waren voortdurend op pad in voormalig Joegoslavië; zelf ging ik ook af en toe mee. Dan werden intensieve gesprekken met slachtoffers gevoerd, maar werd tegelijkertijd ook diep in de milieus van de daders gedoken. Het is een heel ingewikkeld en moeilijk proces geweest. Maar daar ga ik verder niets over vertellen, vanwege de privacy van de onderzoekers. De spanningen en tijdsdruk werden gaandeweg steeds groter; daar gaat iedereen anders mee om. Misschien heb ik mij wel te laat gerealiseerd dat de psychosociale begeleiding van de onderzoekers meer aandacht had verdiend. Maar ik ben blij dat we bij elkaar zijn gebleven en het rapport gezamenlijk hebben uitgebracht.”

Wat als de vraag voor dit onderzoek pas nu aan u was gesteld?

“Dan had ik gezegd, dat moet je niet aan een 77-jarige overlaten.”

Had het een ander rapport opgeleverd?

“Natuurlijk zijn er 25 jaar later andere en nieuwe bronnen beschikbaar. Maar wat mij opvalt is dat ik wat betreft de reconstructie nergens wezenlijk afwijkende resultaten zie. Een paar jaar geleden was er veel te doen rondom ‘voorkennis’ van de komende aanval en massamoord die destijds zou zijn achtergehouden. Een andere groep onderzoekers binnen het Niod heeft de nieuwe informatie onderzocht, maar kwam tot de conclusie dat de reconstructie die wij gemaakt hadden niet wezenlijk afweek. Het zou best kunnen dat we in de toekomst door nieuwe informatie bij onderdelen van het rapport moeten concluderen dat het anders zat, dat hoort bij het vak.”

Had u met de wijsheid van nu zaken anders aangepakt?

“Jazeker, hoewel ik nog steeds heel tevreden ben over de kwaliteit van het rapport. Maar het is evident dat de ontvangst niet bevredigend verlopen is. Je kunt het niet overdoen, dat is een van de boeiende aspecten van de geschiedenis. De zogenoemde ‘If history’ is ontzettend leuk en spannend. Terugkijken op wat je destijds hebt besloten en wat je eventueel had kunnen besluiten, maar niet hebt gedaan.”

Noemt u eens zo’n beslismoment?

“Een van de beslissingen die we hebben genomen is de geheimhouding. We wilden niet dat de resultaten een eigen leven gingen leiden. In de allerlaatste fase vroegen journalisten of we toch niet vertrouwelijk wat konden weggeven zodat zij zich beter konden voorbereiden. Daar zijn we niet op ingegaan. De kans dat dit toch tot uitlekken zou leiden was te groot. Die geheimhouding werkte, maar had een heel groot nadeel. Omdat journalisten toch vast iets moesten voorbereiden, grepen ze terug op beelden en stukken uit het archief en gebruikten het frame van een aantal jaren ervoor: namelijk dat de val van Srebrenica een Haagse affaire was. Maar een van de belangrijkste conclusies uit het rapport was nou juist dat het niet ging om een Haagse affaire maar om een tragedie op de Balkan.”

Wat voor beslissing had u dan achteraf gezien liever genomen?

“Ik denk wel eens dat we misschien van de epiloog ‘het rapport’ hadden moeten maken. Die epiloog telt zo’n 50 bladzijden. En dan de andere ruim 3000 pagina’s als allerlei verschillende soorten bijlagen – subonderzoeken, achtergrondstudies – bijvoegen. Ik denk dat we het mensen dan net iets makkelijker hadden gemaakt. Het had de aandacht wellicht versterkt op de hoofdpunten. Nu zag je de jongens van de pers – ze konden het rapport op de dag van de presentatie om zes uur ’s morgens ophalen, meen ik – met enorme tassen sjouwen en zenuwachtig door al die duizenden pagina’s bladeren.”

Terugkijkend, wat heeft het Srebrenica-onderzoek u al met al gebracht?

“Ik probeer altijd zo relativerend en afstandelijk mogelijk over mezelf te denken. Maar tegelijkertijd ben ik ook heel ijdel en gevoelig en ik wil ook graag uitstralen dat het een goed rapport is; daar ben ik echt van overtuigd. Maar ik denk dat ik in die tijd niet de meest ontspannen huisgenoot ben geweest; mijn vrouw heeft het geen leuke periode gevonden. Ik was er zo intensief mee bezig. Maar ik kan niet anders zeggen dan dat ik als historicus wel wat heb meegemaakt. Ik geloof dat het Kossmann was – een van de grote historici van de vorige generatie – die zei dat historici per definitie niet geschikt zijn voor een biografie omdat ze zelf eigenlijk niet veel meemaken en juist alleen maar schrijven over wat anderen hebben meegemaakt. Het was af en toe wel heel emotioneel en heel spannend, maar ik heb geen saai leven gehad.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden