ProfielOntdekker

Georg Everhard Rumphius, de onbekende aartsvader van de Indische botanie

Rumphius op expeditie met opschrijfboekje in de hand, detail van de titelprent van het Auctuarium. Beeld Bijzondere Collecties, Universitaire Bibliotheken Leiden
Rumphius op expeditie met opschrijfboekje in de hand, detail van de titelprent van het Auctuarium.Beeld Bijzondere Collecties, Universitaire Bibliotheken Leiden

Bij het grote publiek is hij onbekend gebleven, maar met zijn Amboinsche kruidboek behoort Georg Everhard Rumphius tot de groten in de geschiedenis van de plantkunde.

Hij is de grote onbekende onder de natuurwetenschappers. Maar de Duitser Georg Everhard Rumphius is de aartsvader van de Indische botanie, vooral van de orchideeën. Daarom hoort Rumphius thuis in het illustere rijtje van Charles Darwin, Alfred Russel Wallace en Carl Linnaeus, zegt de Leidse filosoof en botanicus Norbert Peeters.

De zeventiende-eeuwse Duitse wetenschapper wijdde een groot deel van zijn leven aan de inventarisatie van de flora van het eiland Ambon en de aangrenzende Molukse eilanden. Het Amboinsche kruidboek, of Ambonees Kruidboek, beschrijft zo’n 1700 planten en bomen, en is geïllustreerd met 700 platen. De omvangrijke studie bestaat uit twaalf boeken en een appendix, die later zijn uitgegeven als een serie van zeven delen. 

De Universiteit Leiden beschikt over de eerste, handgeschreven versie van het Kruidboek. “Alleen al het eerste boek weegt zo’n 11 kilo en in totaal nemen de werken een meter boekenplank in beslag”, vertelt Peeters, die er onlangs een boek over heeft geschreven: Rumphius’ Kruidboek, Verhalen uit de Ambonese flora (KNNV Uitgeverij).

In dienst van de VOC

Rumphius (1627-1702) is een jonge militair die na zijn gymnasiumopleiding wil reizen in dienst van de wetenschap. Hij komt in dienst van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Na een kort verblijf in Batavia wordt hij als militair naar Ambon gestuurd, waar hij meevecht in de Grote Ambonse oorlog. Als het militaire leven hem gaat tegenstaan, vraagt hij om een burgerbestaan. De VOC stelt hem aan als onderkoopman. In die functie is hij verantwoordelijk voor de inkoop van kostbare specerijen als kruidnagel, nootmuskaat en foelie. Geïnspireerd door zijn reizen langs de Molukse eilanden besluit hij een boek te schrijven over de Indische flora. Het Ambonees Kruidboek wordt zijn levenswerk.

Rumphius is een bijzondere man, zegt Peeters. Hoog opgeleid, breed geïnteresseerd en gezegend met een talenknobbel. Hij spreekt Duits, Nederlands, Portugees en Arabisch. Hij beheerst de klassieke talen, en op de Molukken leert hij Maleis en Ambonees. Hij trekt er zelf op uit en maakt tochten naar de bergen en de kust. “Dat is waarom ik hem vooral bewonder. Hij gaat op expeditie. Wel als een heer van stand, deftig in het pak gestoken met een opschrijfboekje in zijn hand, terwijl slaven de bloemen en planten verzamelen. Maar hij staat met zijn nette schoenen in de modder.”

Norbert Peeters. Beeld Norbert Peeters
Norbert Peeters.Beeld Norbert Peeters

In totaal beschrijft de Duitse onderzoeker zo’n 1700 verschillende plantensoorten. Daarbij hanteert hij de vier klassieke hoofdgroepen: bomen (arbores), heesters (frutices), kruipende heesters (suffrutices) en kruiden (herbae). In de zeventiende-eeuwse botanica is het dan nog gebruikelijk om soorten alfabetisch te ordenen, maar Rumphius kiest voor een indeling op basis van familie, geslacht en soort. Hiermee introduceert hij een systematiek die Linnaeus pas in de achttiende eeuw verder zal verfijnen. 

Hierdoor bevat het Kruidboek een overzichtelijke inventarisatie van bijvoorbeeld palmen, varens en orchideeën. Het laatste deel bevat een overzicht van koralen, die hij opvallend genoeg indeelt bij het plantenrijk, als ‘zeeboompjes’.

Blind

Ondertussen ziet de VOC het belang van zijn werk. De handelsonderneming stuurt hem wetenschappelijke werken over botanie, die hij gebruikt bij zijn onderzoek. Als hij rond 1670 volledig blind is geworden, vermoedelijk als gevolg van staar, krijgt hij ondersteuning van een klerk en vier tekenaars. Ruim tien jaar heeft Rumphius de natuur dan zelf bestudeerd, maar voortaan is hij afhankelijk van de informatie van anderen.

Die blindheid is een persoonlijke ramp, maar voor de toegankelijkheid van het Kruidboek een zegen, zegt Peeters. “De voertaal van wetenschappers in die tijd is Latijn. Dat leidt meestal tot statig, wat gevoelloos taalgebruik. Omdat zijn klerk die taal niet beheerst, schakelt Rumphius over naar het Nederlands. Dankzij zijn taalgevoel en grote talenkennis is het Kruidboek daardoor heel levendig. Nauwkeurige en boeiende observaties zijn doorspekt met gedichten en lokale folklore. Hij doet zijn best om die vreemde wereld uit te leggen.”

Het blijkt onder meer uit zijn keuze voor de eerste soort in het eerste hoofdstuk: de kokospalm of klapperboom. Dat is de eerste boom die zeelieden zien als zij op Ambon aankomen.

Kruidnagelolie als pijnstiller

Behalve een botanisch naslagwerk is het Kruidboek ook een etnografische studie naar de lokale historie, religie en gebruiken op de Molukken. In het boek over specerijbomen bijvoorbeeld, beschrijft Rumphius nauwgezet de groei en de oogst van kruidnagel. De VOC bezit het handelsmonopolie en alle informatie over die kostbare specerij is welkom. Toch kijkt de wetenschapper verder dan de economische waarde. Hij beschrijft hoe de inlanders de olie gebruiken als pijnstiller en desinfectiemiddel. Daarnaast ziet hij hoe zij kruidnagel toevoegen aan tabak. De kreteksigaret die speciaalzaken tegenwoordig verkopen, is er al in de zeventiende eeuw.

Rumphius is nog een man van zijn tijd. Hij houdt vast aan het heersende idee dat bij planten alleen sprake is van ongeslachtelijke voortplanting. Gedetailleerd beschrijft hij bloembladen, meeldraden, stampers en zelfs vruchtbeginsels, maar legt nooit het verband met bestuiving. Ook gebruikt hij in de hoofdstukken over orchideeën de toen gangbare misvatting dat die ontkiemen uit het verspilde zaad van parende vogels. Die verklaring klinkt hem plausibel in de oren. Want op plekken waar hij hoog in de bomen zogenoemde epifytische orchideeën aantreft, ziet hij inderdaad groepjes duiven zitten.

De nagelboom, kruidnagel. Beeld Bijzondere Collecties, Universitaire Bibliotheken Leiden
De nagelboom, kruidnagel.Beeld Bijzondere Collecties, Universitaire Bibliotheken Leiden

Daarnaast heeft Rumphius grote interesse in medicinale toepassingen van de inheemse flora. Waarschijnlijk via zijn vrouw legt hij contact met doekoens. Dat zijn lokale vrouwen die veel kennis hebben van geneeskrachtige planten en vrouwenzaken, zoals zwanger worden en de verzorging van kinderen. Ze kennen de middeltjes voor een abortus en tegen geslachtsziekten. Rumphius schrijft dat als God een ziekte voor de bevolking in petto heeft, hij er ook voor zorgt dat er genezing in de buurt is. Daarom heeft het volgens hem geen zin geneesmiddelen uit de Nederlanden mee te nemen. Dokters kunnen de behandeling van ziekten op de eilanden zelf ontdekken. Hij pleit voor meer studie naar lokale medicijnen.

Het is een klein wonder dat de Leidse universiteitsbibliotheek een exemplaar bezit van het Amboinsche Kruidboek. De eerste zes boeken van de reeks van twaalf belandden op de zeebodem toen het schip dat de boeken naar Nederland moest brengen, bij een zeeslag voor de Franse kust ten onder ging. Dankzij Johannes Camphuys, de gouverneur-generaal van de Vereenigde Oostindische Compagnie, is het werk toch bewaard gebleven. Met een vooruitziende blik had Camphuys voor vertrek kopieën laten maken. Maar ook op de laatste zes boeken van de reeks rustte geen zegen. Bij een brand gingen bijna alle tekeningen verloren en moesten opnieuw worden gemaakt. 

Bedrijfsgeheim achter slot en grendel

En vervolgens liet publicatie vele jaren op zich wachten. Peeters: “De VOC legde de boeken achter slot en grendel uit angst voor de concurrentie. Andere landen zouden immers kunnen profiteren van de bedrijfsgeheimen. Toen de VOC het embargo eindelijk ophief, toonde de onderneming zich een echte kruidenier: de bestuurders hadden Rumphius jarenlang betaald en alles voor hem gedaan, maar het drukken van het Kruidboek vonden ze te duur.” Het eerste deel van de reeks verscheen pas in 1741, ver na de dood van de auteur.

Hoewel het Ambonees Kruidboek geldt als het allereerste standaardwerk over de Indische flora, bleef Rumphius een grote onbekende. Wetenschappelijke erkenning kreeg hij wel door zijn toelating tot de Academia Naturae Curiosorum Leopoldina, de Duitse Academie voor Wetenschappen. “Maar bijna niemand kent hem, omdat hij geen vernieuwer was”, zegt Peeters. 

Rumphius was meer encyclopedisch bezig. Daarin toonde hij zich een kind van de Verlichting. Hij schreef niet lukraak alles op, maar was sceptisch en zocht naar tastbare bewijzen. Daarbij ging hij heel precies te werk. Zo noteerde hij alle lokale namen voor planten en bomen. Ook in talen die nu niet meer bestaan. Peeters: “Daarom hoort hij thuis in het Pantheon van de grote plantkundigen. Zijn werk is niet alleen interessant voor botanici, maar ook voor historici, taalkundigen en antropologen.”

Lees ook: 

Charles Darwin wist het al: in de evolutie geven vrouwen de doorslag

Vrouwen waren niet in staat tot wetenschap, zo heette het. Maar Charles Darwin, de vader van de evolutietheorie, correspondeerde veel met vrouwelijke collega’s, rebelse uitzonderingen in Victoriaans Engeland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden