Maria Mulders-Van Kessel uit Gemert kreeg dit schilderij van een Molukse vriend.

Nederlands-Indië

Gemert blikt terug op de integratie van Indische gezinnen: het ging best goed

Maria Mulders-Van Kessel uit Gemert kreeg dit schilderij van een Molukse vriend.Beeld Yara Jimmink

Vandaag 76 jaar geleden werd de onafhankelijkheid van Indonesië uitgeroepen. Vanaf die tijd ontstond een grote trek naar Nederland. In het Brabantse Gemert kwamen in 1951 120 Indische Knil-gezinnen wonen. Inwoners blikken terug op de integratie. ‘Het was een fijne tijd.’

Rob de Haas (Jakarta, 1948) wandelt door de wijk in Gemert waar hij is opgegroeid. De gepensioneerd docent Nederlands en gepassioneerd lid van de Gemertse heemkundekring draagt een batik overhemd met daaroverheen een vest, in zijn hand heeft hij een luchtfoto van de wijk uit de jaren vijftig. Hij blijft staan en toont hoe de straten er zeventig jaar geleden uitzagen. “Er is alweer veel gesloopt en veranderd, maar toen wij hier kwamen wonen was de wijk nog in aanbouw. Er werden lange rechte straten gebouwd met simpele huizenblokken.”

Hij loopt verder en wijst naar het einde van de straat, waar nu moderne eengezinswoningen staan. “Daar woonde de familie Van Dam, ook een Indische familie. En daar de familie De Sadeleer.” Hij stopt voor een blok uit de jaren vijftig dat nog overeind staat. De huizen ogen klein, met één bovenverdieping waar drie smalle raampjes de gevel sieren. “Wij woonden hier”, zegt hij. “Mijn ouders en acht kinderen. Kun je het je voorstellen?”

Rob de Haas was drie jaar oud toen hij met zijn ouders in Gemert kwam wonen, in 1951. Tussen eind jaren veertig tot halverwege de jaren zestig kwamen zo’n driehonderdduizend mensen uit de jonge Republiek Indonesië naar Nederland, ook het gezin van De Haas. De meesten van hen waren Indo-Europeanen, de nazaten van Europeanen en veelal Indonesische slaafgemaakte vrouwen. Zij hadden voor de koloniale overheid gewerkt, bijvoorbeeld in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (Knil), en waren Europees opgevoed. Toch zat de Nederlandse overheid na de onafhankelijkheid van Indonesië niet op hen te wachten. Het naoorlogse Nederland werd geteisterd door een woningtekort en achter de schermen probeerde premier Drees de Indo-Europeanen in Indonesië te houden. Toen dat niet lukte, werden verschillende regelingen uit de kast getrokken om draagvlak voor hun opvang te creëren.

Anderhalf uur

Ook in Gemert was de woningnood hoog, zo blijkt uit het boek Enkele reis Indië-Gemert dat Rob de Haas in 2001 schreef, ter gelegenheid van vijftig jaar Indische aanwezigheid in Gemert. Veel gezinnen woonden noodgedwongen bij ouders en grootouders in. De woningen waren in slechte staat, met een gebrekkig elektriciteitsnetwerk en problemen met de waterleiding. Toch werd er niet geprotesteerd toen het Gemertse gemeentebestuur in 1950 besloot tot de opvang van honderdtwintig Indische Knil-gezinnen, zo’n zeshonderdvijftig mensen.

Hoe dat is gelukt, komt onder andere door een regeling die de nationale overheid instelde voor gemeentes in Brabant. Vanuit het Nationale Woningbouwprogramma werd vastgesteld dat gemeentes een vergunning kregen om 20 tot 25 procent extra woningen bij te bouwen voor de eigen bevolking als zij 50 procent van hun nieuwbouw beschikbaar stelden voor gezinnen uit de voormalige kolonie.

“Burgemeester De Bekker heeft toen goed gehandeld”, zegt De Haas. In zijn boek citeert hij hoe de toenmalige burgemeester van Gemert in de bestuursvergadering een beroep doet op de christenplicht van zijn bevolking. “Het is bovendien een christenplicht, dat wij (…) de repatriërenden opnemen in de volksgemeenschap, zonder kampong- of dessavorming.” Deze oproep, de bouw van extra huizen voor de eigen bevolking én het argument dat de komst van de Indische gezinnen ook nog eens een economische impuls voor de middenstand kon betekenen, overtuigden het gemeentebestuur in een vergadering van anderhalf uur. Alle Indische gezinnen werden verplicht hun meubel- en kledingvoorschotten te besteden in Gemertse winkels.

In de nieuwbouwwijk werden Indo-Europeanen en Gemertenaren vervolgens ter bevordering van de integratie om en om in woningen geplaatst. Zo konden de Gemertse families de Indische nieuwkomers op weg helpen, bijvoorbeeld met het aanmaken van de kolenkachel – een huishoudelijke taak die de meesten van hen nooit eerder in hun leven hadden hoeven doen. Het project slaagde. De wandeling door de wijk eindigt bij een stalen monument met in het midden een paal waarop aan de ene kant een batikmotief staat afgedrukt en aan de andere zijde tulpen. ‘Integratie moet van twee kanten komen,’ vertelt het bijschrift.

“We zijn trots op dit monument”, zegt De Haas. “Als er nu een Indisch iemand overlijdt, worden de bloemen na een crematie hier vaak neergelegd.”

In haar aanleunwoning zit Ant Schoonings in een grote stoel bij het raam. De 96-jarige Gemertse herinnert zich de verhuizing naar de nieuwe wijk nog goed. “Natuurlijk vonden we het in het begin moeilijk, we wisten niet goed hoe we met die Indischen om moesten gaan”, zegt ze. “Maar dat gold andersom natuurlijk ook. Voor hen was ook alles nieuw.”

Het ijs was bovendien snel gebroken, toen haar Indische buurjongetje buiten aan het wasrek aan haar nylonkousen ging hangen omdat hij zulke kousen nooit eerder gezien had. “Zijn moeder vond het vreselijk, maar ik heb erom gelachen.” Daarna zijn de buren, man en vrouw, een avondje bij Schoonings en haar echtgenoot thuisgekomen en hebben ze druk zitten praten. “Toen is onze band direct gegroeid.” De Indische buurvrouw leerde haar rissoles maken en andersom leerde zij haar stamppot te koken. “Het was een heel fijne tijd.”

Huilen

Was het alleen maar rozengeur en maneschijn in het Gemert van de jaren vijftig? Aan tafel in de vergaderruimte van zorgcentrum Ruijschenbergh beantwoorden Josje van Dam (Bandung, 1940) en Richard Heijne (Bandung, 1939) die vraag. De twee kwamen als kinderen naar het dorp en wonen nog altijd vlak bij elkaar. “Voor ons als kinderen was alles alleen maar leuk”, zegt Van Dam, “maar mijn moeder vond het verschrikkelijk hier. Die zei steeds: ‘Wat doen we hier toch?’ Het was koud, we kwamen uit een huis waar alles buiten was. Hier was alles klein en binnen.”

Heijne knikt. “Mijn moeder deed de eerste weken niets anders dan huilen. Zij en mijn vader hadden natuurlijk ook veel meegemaakt, in Indië. Daar werd niet over gesproken. Mijn vader zei alleen: ‘Dat ligt achter ons. Zorg jij maar dat er nooit meer oorlog komt.’”

Dat de nieuwe inwoners van Gemert ook de nodige trauma’s aan de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië, de Indonesische revolutie en de gedwongen migratie naar Nederland hadden overgehouden, was voor de Gemertse buren niet altijd even duidelijk.

Wie dat wel van dichtbij meemaakten, waren de Brabantse gezinsverzorgsters die bij de Indische mensen thuis werden aangesteld. Een van hen was Maria Mulders-Van Kessel (90), die inmiddels in het nabijgelegen Grave woont. Ze had net een eenjarige opleiding afgerond toen zij in Gemert aan de slag ging. Haar oorspronkelijke taak was om de Indische mensen te helpen met het Nederlandse huishouden, maar in de praktijk was ze ook veelal psycholoog. “Op een van de eerste dagen kwam ik bij een vrouw binnen die op het punt stond van een tafel te springen. Ze wilde een miskraam veroorzaken”, vertelt ze. “En als een van de kinderen werd uitgescholden voor ‘koffieboon’, dan troostte ik en legde uit dat de klasgenootjes gewoon jaloers waren op hun mooie bruine huid.”

Volgens Mulders-Van Kessel had er meer kunnen gebeuren om het oorlogsverleden van de Indische mensen bekend te maken. Haar eigen broer begreep de verhalen die ze mee naar huis nam niet. Hij zei: “Dat is toch leuk voor ze, dat ze met de boot naar Nederland zijn gekomen.” Daarnaast vindt ze dat de Gemertse middenstand van de Indischen profiteerden. “Ze verkochten hun slechte spullen voor veel te veel geld.”

Dansavonden

Het hoogtepunt van de Indische aanwezigheid in Gemert lag uiteindelijk in de jaren zestig. Toen werden er vele dansavonden georganiseerd en veroverden plaatselijke Indorock-bandjes, zoals Roy & the Kiliaan Brothers van Richard Heijne (de drummer), de harten van de Brabantse jeugd. Het Gemertse echtpaar Hans en Annemie Gloudemans hebben er mooie herinneringen aan. “De Indische gemeenschap heeft muziek, lekker eten en gezelligheid gebracht. Er zijn vriendschappen ontstaan, huwelijken”, vertellen ze vanuit hun eetkamer. In de hoek verderop staat een wajangpop op de kast. Tegenover het echtpaar woont Rob de Haas. “Wat ik wel merkwaardig vind”, zegt Hans, “is dat veel Indischen nog altijd naar hun eigen cultuur trekken. Soms lijkt het of Rob liever in Indonesië zou wonen.”

Even is hij stil. “Maar dat doen Nederlanders ook”, zegt hij. “Als die naar Spanje verhuizen, gaan ze ook allemaal bij elkaar zitten. De les van Gemert is dat je mensen zo moet plaatsen dat ze door elkaar wonen.” “En je moet je openstellen voor andere mensen en andere culturen”, vult zijn vrouw aan. “Dat heeft ons leven verrijkt.”

Dit artikel kwam tot stand dankzij het Steunfonds voor freelance (beeld-)journalisten.

Lees ook:

In deze documentaire doen Molukkers hun aangrijpende verhaal, dat is nog weinig vertoond

In een nieuwe serie laat Coen Verbraak veertien Molukkers aan het woord. Dat is hard nodig, vindt hij: “We zijn hun op zijn minst verschuldigd dat we hun verhaal kennen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden