NaschriftJan Ligtenberg

Eeuwige hippie Jan Ligtenberg (1958-2020) werd gelukkig in zijn plantenparadijs

Jan Ligtenberg in mei 2020.Beeld Privécollectie

Jan Ligtenberg was eigenzinnig en onconventioneel, wars van regels en alles wat moet. Tussen het groen voelde hij zich goed. Hij wist precies welk plantje nut heeft voor het andere en deelde zijn kennis met ieder die het horen wilde.

 Wie aan komt lopen over het paadje tussen de ­bomen naar de houten woonkeet van Jan wordt begroet door zijn twintig kippen. De dieren, altijd tuk op iets lekkers, rennen de bezoeker tegemoet. Prachtig vindt hij het als ietwat mollige Tante Bep zich op schoot laat knuffelen. Heleen wandelt met vieze poten naar binnen en laat haar poep achter op de vloer. Hij moet er hartelijk om lachen.

Zijn huisje staat in de Oude Beerpolder, even buiten Dordrecht. Een afgelegen plek. Dat wordt hem een keer bijna fataal, maar hij voelt zich er gelukkig met zijn kippen en twee zwerfkatten. Niet dat hij zich terugtrekt als een eenzelvige kluizenaar: iedereen die aanwaait is welkom voor een blowtje, een borreltje of een praatje.

Leven en laten leven, dat is zijn devies. Eigenlijk is Jan altijd een hippie gebleven, al hangt het haar niet meer tot zijn schouders zoals vroeger. Een non-conformist die een vrijbuitersbestaan verkiest en zijn eigen weg volgt. Dat gaat met vallen en opstaan, maar in zijn laatste levensjaren vindt hij zijn bestemming als hij beheerder wordt van stadslandbouwkas de Oude Beer. Hij creëert er een wildeplantenparadijs waar het gonst en zoemt van het leven.

Als klein jochie al is Jan dol op planten en dieren. Een blazende zwaan jaagt hem geen angst aan, in een hertenkamp steekt hij zijn handje door het hek in de mond van een hert. Hij praat tegen vogels, en tegen de mieren die hij met zijn vinger volgt door de tuin van zijn ouderlijk huis in Vlaardingen.

De kleine Jan, vernoemd naar zijn oma’s Jannetje en Janne, was een makkelijk kind, tot de puberteit aanbrak.Beeld Privécollectie

Zijn moeder en vader – die in dienst van een adviesbureau programma’s van eisen opstelt voor te ontwerpen gebouwen – zien dat Jan het liefst buiten speelt. In hun naoorlogse woonwijk is veel braakliggend terrein met bergen aarde waar hij zijn gang kan gaan. Anders dan zijn zes jaar jongere broertje Rob, die altijd schoon blijft, komt hij stijf van de modder thuis, waar zijn moeder hem in een doos uitkleedt en onder de douche zet. Maar hij ligt ook vaak in bed. Hij heeft chronische bronchitis en is tot zijn twaalfde om de haverklap ziek. Toch huilt hij nooit. Als hij weer eens niet mee kan met Rob die iets leuks gaat doen, zegt hij: “Mama, geeft niet, ik ben het gewend”.

Jan, vernoemd naar zijn oma’s Jannetje en Janne, is een makkelijk kind, maar in de puberteit verandert zijn gedrag. Aan leren heeft hij een hekel, op de mavo trekt hij zich onzichtbaar terug achter in de klas. Hij volgt de lagere en middelbare land- en tuinbouwschool, maar maakt de laatste opleiding niet af. Op een dag wordt zijn moeder gebeld door de directeur: “Wilt u zeggen dat Jan morgen naar school komt, want er is eindexamen. Hij kan zo mooi tuinontwerpen, maar we hebben hem al drie maanden niet gezien.”

Hechte gemeenschap

Des te meer energie steekt hij vanaf zijn zestiende in het helpen organiseren van culturele avonden in de Vlaardingse jongerensociëteit de Sokkel. Nieuwe bands als de Nits en The Amazing Stroopwafels treden er op en dichters en schrijvers als Jules Deelder, Simon Vinkenoog en Ben Borgart lezen voor uit eigen werk. Daarnaast fungeert de sociëteit, ondergebracht in een ruimte ­onder een kerk, als een kroeg waar gedronken en gefeest kan worden. Een gangmaker is Jan niet, wel iemand die mensen bij elkaar brengt. Zo formeert zich enkele jaren later een krakersscene in Vlaardingen, nadat hij er als een van de eersten een afbraakwoning heeft gekraakt.

Mensen voelen zich tot hem aangetrokken, hij is zachtaardig. Al kan hij ook rechtlijnig en principieel zijn. Vooral wanneer hij onrecht bespeurt of het gevoel heeft dat hem een kunstje is geflikt. Dat breekt hem in zijn werk meermaals op. Via zijn baan bij de plantsoenendienst komt hij terecht in de heemtuin in Schiedam, hij heeft het er enorm naar zijn zin als hovenier. Maar als de tuin waar hij zo trots op is onverwacht is ­gemaaid, houdt hij het direct voor gezien.

Jan, die zich van jongs af aan bekommert om outsiders, verruilt het kweken en verzorgen van planten voor inrichtingswerk. Hij is groepsleider in een gezinsvervangend tehuis voor verstandelijk beperkten. Na vijftien jaar vertrekt hij ook hier abrupt wanneer blijkt dat andere leidinggevenden het potje van bewoners voor zichzelf hebben gebruikt om iets te vieren. Ina, een groepsleidster met wie hij een relatie heeft, gaat met hem mee.

Ze wonen samen en trouwen uiteindelijk, hoewel hij het huwelijk burgerlijk vindt. Na een paar jaar betrekken ze elk een eigen woning. Kinderen krijgen ze niet, tot zijn verdriet. Rob heeft wel kinderen. Als ze soms komen logeren worden ze verwend en ontbijten ze met koekjes. Zijn twaalfjarige neefje neemt hij een keer mee naar een popfestival waar ze tussen de hippies zitten.

Jan Ligtenberg was nergens gelukkiger dan tussen het groen.Beeld Privécollectie

Intussen volgen de banen elkaar op, zo begeleidt hij mensen met een niet-aange­boren afwijking en is hij enige tijd eigenaar van een headshop, waar hij benodigdheden voor het kweken van wiet verkoopt. En dan, in 2013, maakt hij de beste keuze in zijn ­leven als hij in landbouwkas de Oude Beer aan de slag gaat. Hier komt niet alleen zijn kennis van planten en zaden van pas, hij kan ook iets betekenen voor mensen die in het leven beschadigd zijn geraakt. Algauw vormt zich een hechte gemeenschap van vrijwilligers die bij hem komen werken. De opbrengst van de biologische geteelde groente en fruitsoorten is voor hen, wat overblijft is voor de voedselbank en verkoop in de kas. Onder Jans leiding verandert de kas in een groene oase met bijzondere planten, een grote wilde kruidentuin, een klein vijvertje en bijenkasten van een imker. Drie loopeenden scharrelen rond om het ongedierte weg te houden.

Waarom deze vredige plek opeens twee keer ’s nachts wordt overvallen, blijft onopgehelderd, vermoedelijk zijn de daders uit op wietplanten, maar die staan er niet. Wel nemen ze apparatuur mee. Jan, die uit zijn bed is gesleurd, laten ze achter met een prop in zijn mond en de handen op zijn rug vastgebonden op een stoel. Met zijn neus weet hij het raam open te krijgen en de aandacht te trekken van kampeerders die hem los­maken. De impact is groot: Jan zet een spade naast de deur om voorbereid te zijn op nieuwe indringers. Hij is bang, toch laat hij er niet veel van merken. Altijd zegt hij dat het goed gaat, ook als hij ziek wordt en zienderogen achteruitgaat.

Het vele roken en drinken eisen hun tol. De gezondheidsproblemen stapelen zich op: ­terugkerende kanker, een maagbloeding, ­re­uma, COPD. Lopen gaat steeds moeilijker, als hij instabiel wordt steunt hij op een driepoot. Zittend op de rand van zijn bed zwaait hij er boos mee in de lucht als een tuintje van een jongen zonder overleg is weggehaald. Over het beheer van de plantenkas verschilt hij van inzicht met het stichtingsbestuur dat is aangetreden na een verwoestende brand. Pijnlijk genoeg moet hij zich gedwongen terugtrekken uit het bestuur en krijgt zo minder zeggenschap over de kas.

Laatste droom

Als zijn toestand verder verslechtert stopt hij definitief met werken, wel blijft hij advies geven. Vrienden – oud-vrijwilligers – realiseren zijn laatste droom: een wilde bloementuin voor zijn huisje die hij vanuit zijn bed kan zien. Zijn levenswil is onverwoestbaar, maar zijn fysieke krachten zijn op. Berustend zegt hij tegen zijn moeder: “Het is goed zo, ik heb een mooi leven ­gehad.”

Het is een troostende gedachte dat hij jonge leerlingen, onder wie de zoontjes van een vriendin, heeft leren tuinieren en zijn liefde voor planten op hen heeft overgebracht. Terwijl hij op een brancard wordt weggedragen zijn z’n laatste woorden voor zijn twee beste vriendjes: “Dag jongens.” Kort daarna overlijdt hij op 62-jarige leeftijd in het ­ziekenhuis aan een longontsteking. Zijn ­lichaam stelt hij ter beschikking aan de ­wetenschap.

De nieuwe beheerder van de kas is een goede vriend die nu zijn huis bewoont, zo blijft er een plek voor de kippen, de katten en zijn vrienden. De aanwezigheid van Jan is nog voelbaar, het is alsof hij met glin­sterende ogen vertelt over de yacon waarvan je de wortel rauw kunt eten. En over het geurige vijf-in-één-kruid: “Wrijf maar over de blaadjes, ruik je hoe heerlijk? Zo smaakt het ook.”

Jan Ligtenberg werd geboren op 30 mei 1958 in Vlaardingen en overleed op 19 augustus 2020 in Dordrecht.

Lees ook: Heinke Nederlof (1932-2020) vervulde graag een rol in de wereld van doven

Heinke Nederlof was haar hele leven gebiologeerd door doofheid. Zelf werd ze al jong ‘de oren’ van haar dove ouders. Ze ontwikkelde een antenne waarmee ze aanvoelde wat nodig was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden