Jan de Graaf uit het Friese Kollumerzwaag zag als tiener hoe uitgehongerde mensen aanklopten bij de boerderij van zijn ouders.

Interview 75 jaar bevrijding

‘Een wanhopige, uitgeputte man uit Rotterdam klopte aan bij onze boerderij’

Jan de Graaf uit het Friese Kollumerzwaag zag als tiener hoe uitgehongerde mensen aanklopten bij de boerderij van zijn ouders. Beeld Ringel Goslinga

Het is deze maand 75 jaar geleden dat de Hongerwinter toesloeg in het nog niet bevrijde deel van Nederland. Boerenzoon Jan de Graaf – toen 16, nu 91 jaar oud – uit het Friese Kollumerzwaag herinnert zich de mensen uit Rotterdam die uitgehongerd aanklopten bij de boerderij.

“Als ik terugdenk aan de laatste maanden voor de bevrijding, denk ik aan die avond tijdens de hongerwinter van 1944-45 toen er ’s avonds laat opeens bij onze boerderij in Friesland een man voor de deur stond. Wij woonden in Zandbulten bij Kollumerzwaag, tegenwoordig gemeente Noardeast-Fryslân. Het vroor dat het kraakte in mijn herinnering. En hij kwam, deels zelfs lopend, helemaal uit Rotterdam.

Hij was die waarschijnlijk dagenlange reis begonnen, omdat er in Rotterdam bijna niets meer te eten was. En de treinen reden niet meer voor de gewone Nederlanders sinds september 1944. De man was best wanhopig. Drie van zijn tien kinderen waren meegereisd, maar die had hij bij een kennis in een dorp verderop achtergelaten. Ze waren uitgeput en het was ook al laat, dus je mocht niet meer over straat van de Duitsers.

De man bleek geen vreemde, het was namelijk de vader van Piet van der Linden. Piet kende ik al. Mijn vader was niet alleen boer, maar ook diaken van de gereformeerde kerk van ons dorp. In 1942 vingen wij in Kollumerzwaag in de zomervakantie na overleg met de kerk in Rotterdam dertig kinderen uit die stad op. Om een beetje bij te komen. Piet was een van hen geweest en hij kwam bij ons op de boerderij. Piet vond het zo leuk dat hij het jaar erop weer in de zomer naar ons toe kwam.

Mijn vader aarzelde die winteravond niet, spande het paard voor de wagen en ging direct, ook al was het verboden en donker, die drie kinderen ophalen uit dat dorp. En die kinderen zijn dus tot de zomer van 1945, tot na de bevrijding, in Kollumerzwaag gebleven. Twee zijn ergens in het dorp ondergebracht. Piet bleef wederom bij ons.

De vader van Jan de Graaf, op zijn paard ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Beeld Ringel Goslinga

Ik had mijn vader nog nooit kwaad gezien, tot op 10 mei 1940

Ik ben een echte boerenzoon, mijn vader had een veebedrijf met vijftien koeien. Wij leefden daar redelijk van, ook voor de oorlog al. Ons ­gezin telde vier jongens en een meisje, ik was de vierde. Wij spraken Fries. Altijd klompen aan, alleen op zondag als we naar de kerk gingen, droegen we schoenen.

Elf jaar was ik, toen de oorlog uitbrak. Ik zat op de lagere school. Nou, ik had mijn vader nog nooit kwaad gezien. Het was altijd een lieve, kalme man. Maar toen ik die tiende mei 1940 de stal in liep en hem aantrof, was hij woest. Ik schrok me kapot. Wij moesten van het nationaal-socialisme niks hebben. Mijn vader was daarbij tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen Nederland neutraal bleef, bij de Nederlands-Belgische grensbewaking. Op deze foto zie je hem op zijn paard in uniform. ‘Geef me mijn geweer terug, ik wil vechten’, riep hij die dag in de stal.

Later die tiende mei moest ik voor mijn moeder medicijnen halen. Toen is er iets gebeurd wat, weet ik achteraf, voor mijn leven bepalend is geweest. Ik kom met mijn fiets aan de hand bij de weg en daar komen opeens twee auto’s heel hard aangereden. Dat was nogal wat, veel auto’s zag je hier nog niet in 1940.

Er was daar een vrij scherpe bocht. De eerste draait erdoor, maar de tweede zie ik uit de bocht vliegen en in de greppel belanden. Uit die auto kruipt een aantal mensen, een stuk of vier of vijf. Die andere auto is gestopt en daar gaan ze nu in. Een paar blijven op de treeplank aan de buitenkant staan en zo rijden ze weg, met doodsbange gezichten. Ze laten de andere volgepakte auto achter.

Al snel kwam de politie. Toen hoorde ik dat het Joden waren. Dat bleek uit de spullen en papieren. Dit is mijn eerste confrontatie met het antisemitisme geweest. Ik zag mensen die totaal wanhopig hun auto en al hun bezittingen achterlieten. De ervaringen van die dag zijn zo indringend geweest, later ben ik me in het jodendom en in de Holocaust gaan verdiepen.

Die eerste oorlogsjaren gingen voor mij verder rustig voorbij. Ik ging naar de mulo. Een van mijn broers werd in 1941 al opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. We hebben toen gevraagd of hij niet net over de Duitse grens terechtkon op een boerderij en dat mocht. Na maanden kwam hij op verlof thuis en toen is hij ondergedoken, bij een boer in ­onze buurt. Hij wilde niet meer voor de Duitsers werken. Hij is daar in mijn herinnering niet zo lang geweest, op een dag kwam hij gewoon weer bij ons, wij hadden toen ook al een onderduikplek in de hooischuur. Daar kwamen ook andere onderduikers.

Een door Jan de Graaf gemaakte tekening van de weg voor de boerderij, waar hij in de oorlog woonde. Beeld Ringel Goslinga

De Hongerwinter

Naar schatting kwamen ruim 20.000 mensen om door honger en kou in de winter van 1944-45. Berucht zijn de hongertochten van stadsbewoners om nog iets eetbaars te halen bij boeren op het platteland. Toch was er ook sprake van grote solidariteit onder de bevolking, ontdekte historica Ingrid de Zwarte, van wie dit jaar het boek ‘De Hongerwinter’ verscheen. De geallieerden deden in de winter weinig om hongersnood te bestrijden. Zij lieten zich leiden door militaire overwegingen en concentreerden zich op het winnen van de oorlog. De vrees was dat de Duitsers zouden profiteren van voedselhulp. Pas in april 1945 kwamen er voedseldroppings. Na de bevrijding kwam er snel meer voedselhulp op gang.

Onderduikers sliepen bij ons gewoon op zolder

Van pakken stro maakten we in de schuur twee muurtjes, paar planken erover en vervolgens helemaal dichtgebouwd met stro. Het was stikdonker binnen in dat hol. Het was een avontuur om erin te komen, je moest echt diep springen. Onderduikers sliepen bij ons overigens gewoon op zolder, maar als er Duitsers aankwamen, gingen ze snel dat hol in. Dat is niet zo vaak gebeurd, hoor, hooguit een keer of vier, vijf, volgens mij.

Ik herinner me van die onderduikers niet veel. Het was een wisselende groep, ze bleven vaak maar een paar nachten. We hadden geen goede ruimte voor permanente onderduikers. Een landelijke organisatie regelde de onderduik. Ik was jong, dat liep buiten mij om.

Mijn vader had al voor de oorlog een mooie radio gekocht. In 1943 moesten alle radio’s ingeleverd. Dát doe ik niet, reageerde mijn vader. Hij heeft een oud kastje ingeleverd en die mooie ging ook in het onderduikhol. Het was mijn taak hem daaruit te halen vlak voor ’s avonds Radio Oranje vanuit Engeland te horen was. Terwijl zij luisterden, moest ik op de uitkijk buiten om te zien of er geen Duitsers aankwamen.

We wisten dankzij die radio en de illegale krant Trouw goed wat er gebeurde. Doden door bombardementen, mensen afgevoerd na razzia’s en vergeet de honger niet in de steden. Op een boerderij heb je gelukkig geen honger.

Wij stonden onze melk deels keurig af aan de fabriek, maar hielden stiekem wat achter. Die melk verkochten we. Er waren goede en slechte boeren, daar gingen geruchten over. Sommigen zouden tien keer de normale prijs vragen. Wij deden dat niet.

Trouw heb ik ook weleens rondgebracht, onder mijn hemdje. Zei vader: breng dit blaadje even naar de overbuurman. Je wist dondersgoed dat dat gevaarlijk was, maar het was maar een klein eindje.

Voor ons gezin met jongens waren razzia’s een constante bedreiging

Aan het einde van de oorlog werden ook in onze buurt geregeld razzia’s gehouden en mannen opgepakt om in Duitsland te werken. Voor ons gezin met jongens een constante bedreiging. Mijn oudste broer stond een keer met een kennis voor de boerderij te praten. Komen er twee SD’ers aan, van die hele felle Duitsers. Mijn broer zegt nog: ‘Wegwezen, joh’. Die andere jongen bleef staan, mijn broer dook in het onderduikhol. Toen kwamen die SD’ers in de schuur. Mijn broer moest zich muisstil houden. Ze ontdekten hem niet. Die andere jongen is wel gearresteerd.

De laatste oorlogsmaanden verliepen chaotisch. Wij woonden in een boerderij aan het spoor dat liep van Leeuwarden naar Groningen. We hadden in Friesland gedurende de oorlog voortdurend overvliegende bommenwerpers richting Duitsland boven ons. Op een dag, ik denk dat het maart 1945 was, was ik op het land. Opeens doken een paar van die Spitfires naar beneden en beginnen te schieten. Wij sprongen een sloot in. Ze schoten op een trein.

In die laatste Hongerwinter staakte het Nederlandse spoorbedrijf op verzoek van de Nederlandse regering in Londen. Er reden de hele winter lang geen treinen voor de gewone Nederlandse mensen. De Duitsers hadden wel treinen en machinisten voor eigen gebruik geregeld. Zo brachten ze toch nog goederen van Friesland naar Duitsland. Tegen zo’n transport was die aanval uit de lucht gericht. Ik kwam als eerste uit de sloot omhoog, liep erheen. En toen zag ik de machinist, dood, in de sloot liggen. Hij was uit de trein gekomen, maar toch geraakt. Ik had nog nooit een lijk gezien.

Het opmerkelijke is: dat deed me niet veel. We waren zo boos op de Duitsers en op de NSB’ers. We vertrouwden de machinisten die nog in die treinen reden voor geen cent. Duitsgezinde doden, dat deed je weinig, ja, zo was het wel.

Friesland werd in de loop van april 1945 bevrijd. Ik zie me nog met een vriendje lopen in een weiland. Ligt daar opeens in het gras een geweer en een Duitse leren legerjas. Ze moeten van een Duitser zijn geweest die nét gedeserteerd was. Ik trok de jas aan, mijn vriend nam het geweer. Zo kwamen wij thuis. Ik denk er nog vaak aan terug: hoe onbezonnen dat was. Als de Canadezen ons voor Duitsers gehouden hadden, was het mogelijk niet goed ­afgelopen...

‘Rosa, Rosa, bloemen op je hoed…’

De uitzinnige vreugde toen de Duitsers eindelijk echt weg waren, herinner ik me ook nog goed. Wij voelden ons uitgelaten, hebben dagenlang gehost op het dorpsplein van Kollumerzwaag. Alle jongelui bij elkaar en dan zingen: ‘Rosa, Rosa, bloemen op je hoed…’ Ik word weer blij als ik daaraan denk.

Mijn vader suggereerde na de oorlog: ga jij maar naar de kweekschool, dan word je onderwijzer. Ik ben hem daar nog dankbaar voor, het paste me goed. Later heb ik extra aktes gehaald, zoals geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Mijn vrouw heb ik ook aan de oorlog te danken. Zij was een zus van Piet, maar ze was in die Hongerwinter niet meegereisd naar Friesland met haar vader. Zij bleef achter in Rotterdam en heeft de heftigheid van de Hongerwinter in de stad meegemaakt. Niet gemakkelijk voor haar. Ik leerde haar na de oorlog kennen, toen ik Piet opzocht in Rotterdam. We zijn in 1953 getrouwd en in Emmen gaan wonen.

Onze oudste zoon is vlak voor de geboorte overleden. Daar hebben we heel veel verdriet van gehad. Vier jaar later kregen we een dochter, zij is nu 55. Ik heb twee hele fijne kleinkinderen. Mijn vrouw overleed in 1999. Ik heb een nieuwe partner.

Die oorlog heeft zoveel impact gehad op mijn leven. Ik was leraar geschiedenis op een middelbare school, verdiepte me in het jodendom en het antisemitisme. Ook raakte ik betrokken bij de opbouw van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, was tussen 1990 en 2003 voorzitter van het bestuur en gaf er tot een half jaar geleden rondleidingen. Nog steeds geef ik lezingen over de oorlog en gastlessen op scholen. En vanaf de jaren negentig tot vijf jaar geleden was ik voorzitter van de stichting van de Emmer synagoge.

Al rijd ik nog auto, woon ik nog zelfstandig, toch weet ik: ik sta vooraan in de rij. Ik heb ­leukemie en ik heb volgens de artsen niet lang meer te leven. Maar zolang ik kan, wil ik over die oorlog blijven vertellen. Ik ben tenslotte docent geschiedenis geweest én ik heb die tijd zelf meegemaakt.”

 75 jaar bevrijding

Dit is de vijfde aflevering van een serie interviews waarin Trouw mensen aan het woord laat die de bevrijding van de Duitse bezetters in 1944/1945 zelf meemaakten. Lees ze terug op trouw.nl/75jaarbevrijding.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden