ReportageJoods erfgoed

Een wandeling langs de schrijnende sporen van het Joodse verleden in Zutphen

De jonge Jo Spier krijgt godsdienstles van Benjamin Frank, Zutphen, rond 1910. Beeld
De jonge Jo Spier krijgt godsdienstles van Benjamin Frank, Zutphen, rond 1910.Beeld

De Holocaust verwoestte een groot deel van het Nederlandse jodendom. Maar sporen van vooroorlogse gemeenschappen zijn nog overal te vinden, laat ook een nieuw boek over de geschiedenis van Joods Zutphen zien.

Op een gure dag in dit voorjaar sprak ik af met Peter Kooij. We zouden elkaar ontmoeten bij de synagoge in Zutphen, de oude stad aan de IJssel. Peter Kooij is beeldend kunstenaar, schrijver, amateur-historicus. De afgelopen zes jaar van zijn leven werkte hij aan een boek over de geschiedenis van de Joden in Zutphen. Ik woon sinds enige tijd in Zutphen. Ik ken die synagoge. Maar van de geschiedenis wist ik heel weinig.

Is die geschiedenis voor een landelijke krant niet te lokaal, zou je kunnen vragen. Maar is niet alle geschiedenis lokaal? En deze bittere geschiedenis in het bijzonder, is die niet overal supranationaal geweest?

Peter Kooij (1957) was jarenlang gids bij de stadswandelingen door joods Zutphen. We spraken af zo’n wandeling te doen. Zijn boek moest nog van de drukker komen, maar hij had me een pdf-versie toegezonden. Het bevatte verrassend veel beeldmateriaal, fotoportretten met name, van echte mensen, mensen die er niet meer zijn. En twee prachtige linoleumsnedes van Kooij zelf.

Doordesemd van de Holocaust

Ik had al kunnen zien dat de tekst alle sporen droeg van een grondig archiefonderzoek – de schrijver was bij het gemeentearchief kind aan huis geweest – en dat die tekst zich kon verliezen in een overvloed aan detail, een gegeven dat soms een wissel trekt op de leesbaarheid. Maar wie met zoveel toewijding en ernst tevoorschijn probeert te halen wat op gruwelijke wijze is uitgewist, die verdient ook aandacht voor details. Hier is alles van waarde.

Kooij’s boek met de titel De Zutphense kehille in het bijzonder – een geschiedenis van Joods Zutphen (kehille betekent gemeente) is niet chronologisch opgezet, maar ingedeeld in thema’s. ‘Oorlog’ is er maar één van. Toch is het boek doordesemd van de Holocaust. In 1892 telde Zutphen 677 Joodse burgers, de grootste omvang. Dat aantal liep langzaam terug, maar in 1942 zijn de Zutphense Joden bij honderden gedeporteerd; achterin het boek is een indrukwekkende namenlijst opgenomen, gebaseerd op de bevolkingsregisters van dat jaar.

Een van de themahoofdstukken is gevat onder de kop ‘Plaatsen van samenkomst’. De als eerste toegewezen plaats van samenkomst was bitter genoeg de begraafplaats. Die kreeg de Joodse gemeente in Zutphen in 1797, een stuk grond een stuk buiten de oude binnenstad op een rivierduin.

Die begraafplaats was te ver weg om nu even naartoe te wandelen. De synagoge waar we hadden afgesproken is van 1875. Na de oorlog was hij leeg en geschonden. Het scheelde maar een haar of het gebouw was in de jaren zeventig van de vorige eeuw afgebroken om plaats te maken voor woningbouw. Eerdere gebedshuizen zijn verdwenen. Niettemin besteedt Kooij in zijn boek ook grondige aandacht aan die voorlopers, de bescheiden aanvang van gevestigd Joods leven in de stad, een vestiging die voor 1795 geheel en al verboden was geweest. Dat recht kregen Joodse mensen pas bij de stichting van de Bataafse Republiek, die ontstond in het kielzog van de Franse Revolutie.

Lompenkoopman Meijer Lipschits was begin vorige eeuw een bekende figuur in Zutphen. Beeld
Lompenkoopman Meijer Lipschits was begin vorige eeuw een bekende figuur in Zutphen.Beeld

Voordien trokken Joden als marskramers in manufacturen en als kooplieden in lompen, huiden of vee door het land of als slagers langs de boerderijen. Kooij vertelde dat de Joodse mensen in dit deel van het land Asjkenazische Joden waren, gevlucht uit het oosten en midden van Europa.

Die zwervende bedrijvigheid kreeg later ook zijn weerslag in de beroepen van de Joodse burgers; ze openden winkels in manufacturen, in textiel, slagerijen. In de Barlheze, een smal straatje in het oude centrum van de stad, hadden tientallen Joden hun nering.

We wandelden ernaartoe, stonden stil voor huisnummers. Nauwelijks nog een spoor van het verleden, behalve die lichte verkleuring op een deurpost die verried dat hier een mezoeza bevestigd was geweest, een traditioneel kokertje met een tekst uit Deuteronomium.

Een schrijnender spoor was een gevelsteen, verderop in de straat, waarop nog de initialen J.J. zichtbaar waren, maar waarvan de achternaam ‘Israels’ was weggehakt. En dat terwijl de betreffende familie niet eens Joods was.

In pak en das

In zijn boek is een fraai hoofdstuk gewijd aan de handel en het winkelbedrijf in de negentiende eeuw, gevat in portretten van kleermakers, stoffeerders, van eigenaren van modemagazijnen, hoedenateliers, de pettenfabriek van Krukziener, het Maison Horn, de kruidenierswinkel van Koppel, de bakkerij van Levison. Op foto’s, gevonden in het gemeentearchief, poseren ze in pak en das, ernstig in de camera blikkend.

Deze lino van Peter Kooij toont het Metaheirhuisje en een muur van de begraafplaats, gezien vanuit de volkstuinen. Beeld S. Veldema
Deze lino van Peter Kooij toont het Metaheirhuisje en een muur van de begraafplaats, gezien vanuit de volkstuinen.Beeld S. Veldema

Ontroerend was een hedendaagse gevelsteen hoog in een gevel in de Spiegelstraat, in de vorm van een notenbalk. De noten geven de melodie weer van de straatroep van de lompenkoopman Meijer Lipschits, die hier ooit woonde en van wie een mooi fotoportret in het boek is opgenomen. Lipschits, zo schreef de Zutphense Courant aan het begin van de twintigste eeuw, kocht van alles op. ‘Weet ge wat dat zeggen wil? Van alles dat zijn: oude flesschen, een linnenkastje, uw beste pantalon, de hoed van uw vrouw, het kerkboek van uw dochter, het portret van haar cavalier, de muts van zijn erftante, haar pukhond, desnoods diens halsband of zijn vel, de stoel waar gij op zit, de couranten die gij gelezen of niet gelezen hebt, de sigarenkistjes die ge leeggerookt hebt…’

Er was ook een QR-code aan de gevel bevestigd waarmee je de melodie van zijn straatroep zou kunnen horen, maar helaas bleek de link niet te werken.

Een van de genoemde modezaken was die van Joseph Levie Spier en zijn vrouw Sara Wolff; Spier nam deel aan tal van besturen van de Nederlands Israelitische Gemeente in Zutphen en het is ook de naam die gegraveerd staat op de eerste steen van de synagoge. Joseph en Sara waren ook de grootouders van de bekende tekenaar Jo Spier, die in Zutphen opgroeide en aan wie Peter Kooij enige pagina’s wijdt. Spier tekende in de jaren dertig voor De Telegraaf en na de oorlog voor Elsevier. Hij moest leven met het verwijt dat hij goede contacten had onderhouden met de NSB en dat hij in Theresienstadt met zijn muurtekeningen had bijgedragen aan een nazipropagandafilm.

Struikelstenen met messing bovenlaag

We wandelden huiverend van de kou langs andere sporen van het Joods verleden van Zutphen, langs struikelstenen met hun messing bovenlaag, waarvan enige tientallen in de stoepen zijn aangebracht, niettemin met hun tragiek van onvolledigheid. Kooij wees ook op een huis aan de Oudewand waar een plaquette eraan herinnerde dat hier Joodse families waren ondergedoken. We stonden stil bij de geveltekst van Pettenfabriek Krukziener en bij het oorlogsmonument naast de Broederenkerk, dat alle slachtoffers van de oorlog wil herdenken, maar op Joods particulier initiatief in 2011 een aparte vermelding kreeg van de vermoorde Joden.

Het eigenlijke monument voor de Joden bevindt zich op de eerder genoemde begraafplaats, een stuk buiten de binnenstad.

Daar wandelde ik later, op een zonnige dag, naartoe. De begraafplaats was deels ommuurd en voorzien van een poorthuis, het zogenaamde metaheirhuis, waar de doden ritueel werden gewassen. De begraafplaats was afgesloten, maar een open deel in de omheining liet een blik toe op zijn binnenste. Een groen gazon met rechtopstaande stenen. Hebreeuwse inscripties. Het hele terrein was gerestaureerd na de vernielingen van de oorlog. Op een van de stenen waren namen later aangebracht. Namen van doden die hier niet begraven konden zijn.

Helena Weijl-Schaap stierf in Sobibor. Simon Weijl stierf in Auschwitz.

Ik moest denken aan dat beroemde gedicht van Paul Celan en aan diens Fuga van de dood met de regels: ‘Je goudgele haar Mar­garete, je asgrauwe haar Sulamith. We graven een graf in de luchten – daar lig je niet krap.’

‘De Zutphense kehille in het bijzonder. Een geschiedenis van Joods Zutphen’ door Peter Kooij, is verschenen bij uitgeverij Stichting Nobilis i.s.m. Historische Vereniging Zutphen (25 euro).

Lees ook:

Hoe Joden ondanks alles een stempel hebben kunnen drukken

‘De geschiedenis van de Joden’, van historicus Simon Schama, staat bol van geweld en haat. En dan moet de 20ste eeuw nog beginnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden