Jan Homan van der Heide met een zelfgebouwde modeltrein. Beeld Privefoto
Jan Homan van der Heide met een zelfgebouwde modeltrein.Beeld Privefoto

NaschriftJan Homan van der Heide (1926-2021)

Een hartchirurg met een passie voor knutselen

De hartchirurgie stond nog in de kinderschoenen toen Jan Homan van der Heide er in de jaren vijftig mee kennismaakte. Hij ontpopte zich als een gedreven pionier die het vak aanzien gaf. Hij was ook een man die gretig van het leven genoot.

Jan hield niet van borstklopperij, al was een van de anekdotes die hij thuis vertelde dat zijn meester op de lagere school voorspelde dat hij professor zou worden. Misschien verzon hij dit, maar feit was dat hij zijn hele schooltijd een bovengemiddeld goede leerling was. Ook toen hij zich tijdens zijn studie geneeskunde in het volle studentenleven stortte, behaalde hij moeiteloos blinkende resultaten.

In eerste instantie koos hij voor algemene chirurgie, maar zijn pad nam een andere loop toen hij toevallig met hartchirurgie te maken kreeg, een nog onontgonnen terrein in de jaren vijftig. Hij werd een hart-longchirurg die zich met grote gedrevenheid inzette voor de ontwikkeling van het vak en baanbrekend werk verrichte. In 1960 promoveerde hij cum laude op een dissertatie over openhartoperaties die hij met zijn team had uitgevoerd. Zes jaar later werd hij benoemd tot hoogleraar in de thoraxchirurgie. Hoewel hij heel trots was op zijn werk, kon hij ook goed relativeren. Met typerende zelfspot zei hij tegen zijn drie kinderen: ‘zeg maar dat ik edelslager ben als iemand vraagt wat ik doe’.

Jan was een man met vele gezichten, interesses en hobby’s. In zijn vakgebied was hij een arts van statuur – bij zijn afscheid werd hij onderscheiden als Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Buiten het ziekenhuis leefde hij in een jongensachtige wereld waar hij zijn gezin soms bij betrok. Zo kocht hij in 1964 een oude melkschuit die hij goeddeels eigenhandig opknapte, waarna ze op zijn initiatief iedere zomer lange boottochten maakten over de grote rivieren in Europa. Met tien kilometer per uur voeren ze in zes weken op en neer naar Parijs; de driehonderdtwintig sluisdeuren in de kanalen moesten ze zelf open- en dichtdraaien. Dat hij met zijn boot een vreemde eend in de bijt was tussen de beroepsschepen maakte het avontuur alleen maar leuker.

Met een zelfgebouwd modelvliegtuig. Beeld Privefoto
Met een zelfgebouwd modelvliegtuig.Beeld Privefoto

De zolder van het grote huis in Groningen waar hij zestig jaar woonde, was zijn ­privédomein. Als gepassioneerd modelbouwer knutselde hij er eindeloos aan modelschepen, -treinen, -auto’s en -vliegtuigen. Al doende creëerde hij in de tjokvolle ruimte zijn gedroomde jongensuniversum. Om de vliegtuigen te mogen besturen haalde hij op 84-jarige leeftijd zijn modelvlieg­brevet.

Zijn belangstelling voor modelbouw en mechaniek werd in zijn jeugd gestimuleerd door vader Jaap, een chemisch ingenieur die zelf een buitengewoon technisch knutselaar en uitvinder was. Aanvankelijk onder diens leiding maakten Jan en zijn jongere broer Hugo modeltreinen en stoommachines. Later gaf Jaap, een groot autoliefhebber die de onderdelen van een Morgan bezat, hem toestemming om ze in elkaar te zetten. Hij speelde het klaar met hulp van een vriend, en reed voortaan als branieachtige student in zijn eigen auto.

Zondagskind

Jan was een bevoorrechte jongen, een zondagskind. Hij werd geboren op Eerste Kerstdag in Soebang, op West-Java. Zijn vader werkte daar voor een maatschappij die handelde in kinine, verbouwd op eigen plantages. Toen Jan vijf was keerde het gezin terug naar Nederland en gingen ze in Loosdrecht wonen, waar Hugo werd geboren. Zijn vader had een nieuwe baan als directeur van de Nederlandsche Kininefabriek in Maarssen. Na verloop van tijd stelde hij ingenieur Dinger aan als mededirecteur. Diens dochter Jet en Jan leerden elkaar in hun tienerjaren via hun vaders kennen en kregen een relatie, net op het moment dat de twee directeuren met ruzie uiteengingen.

Hun verhouding viel dan ook slecht bij de families, maar ze trokken zich er weinig van aan. Toen Jan tijdens zijn studie geneeskunde in Utrecht tuberculose kreeg en een jaar moest kuren, kwam Jet hem elke zaterdag bezoeken. Daarmee had ze het pleit beslecht en legde Jans moeder zich neer bij hun huwelijk. Ze studeerde politicologie in Amsterdam, maar toen Jan, op zoek naar een opleidingsplek tot chirurg, onbezoldigd stage kon lopen in het academisch ziekenhuis in Groningen, gaf ze haar studie op en ging met hem mee.

Zijn reputatie als techneut was hem vooruitgesneld: iemand als hij konden ze wel gebruiken bij hartchirurgie. Het was destijds een verwaarloosd onderdeel van longchirurgie, maar na zijn onverwachte kennismaking zag hij toekomstmogelijkheden voor het vak. In Amerika werd sinds 1953 bij hartoperaties met wisselend succes een nieuw apparaat gebruikt: een long-hartmachine die tijdens de operatie de functie van longen en hart overneemt.

Op de zolder van het oude academisch ziekenhuis in Groningen, bij een proefopstelling van zijn hart-longmachine. Beeld Privéfoto
Op de zolder van het oude academisch ziekenhuis in Groningen, bij een proefopstelling van zijn hart-longmachine.Beeld Privéfoto

Het Groningse ziekenhuis had een prototype dat niet functioneerde en Jan werd uitgedaagd het ding aan de praat te krijgen. Dat lukte hem niet. Omdat zo’n machine niet te koop was besloot hij er zelf één te ontwerpen en te bouwen. Zijn vader, die inmiddels in Amerika een chemisch laboratorium had opgericht, stelde het dure hightechmateriaal dat hier niet te krijgen was belangeloos ter beschikking.

Na een experimenteerfase werd zijn verbeterde hart-longmachine in 1957 voor het eerst officieel gebruikt. Samen met zijn leermeester Eerland, hoogleraar heelkunde, slaagde hij er als eerste in Europa in de machine succesvol in te zetten. Het was een belangrijke stap in de ontwikkeling van het vak, dat gaandeweg evolueerde tot erkend specialisme. Zo was ook de doorontwikkeling en implantatie van de pacemaker, waar hij rond 1960 aan meewerkte, van grote betekenis voor de hartchirurgie.

Desondanks bleef het nog een tijdlang pionieren. Thoraxchirurg Anton Eijgelaar, die een paar jaar later het team kwam versterken, en Jan waren strijdmakkers die meer ruimte bevochten voor hun afdeling. Er waren te weinig bedden en geen gespecialiseerde verpleegkundigen, de ic bestond nog niet. Jan voelde zich verantwoordelijk voor de pas geopereerde hartpatiënten die veel intensieve zorg nodig hadden. Samen met een anesthesist nam hij deze taak op zich en zo lag hij twee keer in de week ’s nachts op een matras naast de patiënten om hen in de gaten te houden.

Deed hij in het begin openhartoperaties, later legde hij zich toe op operaties aan de kransslagaders. Al in een vroeg stadium begon het UMCG met onderzoek naar hart- en longtransplantaties doordat hij specialisten aanstelde die deze transplantaties konden uitvoeren. Zelf was hij een inspirerende mentor die in de loop der jaren vierentwintig leerlingchirurgen opleidde. Als leiding­gevende was hij geliefd op zijn afdeling. Een aimabele professor en chirurg die zorgzaam was voor zijn medewerkers, tijd had voor een praatje en bevriend raakte met de technische jongens die de pompen bedienden.

Weinig thuis

Jan maakte lange dagen. Vaak zei hij gekscherend: “Het is allemaal heel leuk wat we hier aan het doen zijn, maar het moet niet in werk ontaarden. Ik ga nu weg.” Toch zagen ze hem thuis heel weinig. Hij kon zich dat veroorloven dankzij Jet die alle zorg op zich nam. Ze vormden een hecht koppel – hij leunde op haar en zij gaf hem alle ruimte. In het dagelijks bestaan van zijn zoon en twee dochters hield hij zich afzijdig. Hij wist niet op welke school ze zaten, noch wanneer ze jarig waren. Hij was afwezig bij het afzwemmen, bij hun eindexamens en elk ander hoogtepunt.

Hij was een genereuze vader als het materiële zaken betrof, maar veeleisend als het op presteren aankwam. Ze waren het aan hun stand verplicht hun talenten te gebruiken – en hij vond het niet snel goed genoeg. In zijn eigen leven was veel hem in de schoot geworpen, maar, zo hield hij hun voor, geluk dwing je ook af door het te herkennen, te pakken en er wat mee te doen.

Zijn enorme drive had Jan ver gebracht, maar aan het eind van zijn carrière werd hij minder zeker van zichzelf als chirurg. De beheersing over zijn vingers nam af en hij ging opzien tegen operaties. Zo besloot hij op zijn drieënzestigste te stoppen. Wel bleef hij bestuurlijk actief, hij bemoeide zich met de nieuwbouw van het ziekenhuis en lobbyde in Den Haag. Zijn omvangrijke netwerk kwam hem vaak van pas.

Jan was een levensgenieter, mentaal en fysiek sterk. Tot op hoge leeftijd bleef hij jagen, een andere grote passie. Geïnteresseerd als hij was in mensen maakte hij makkelijk nieuwe vrienden, maar steeds vaker begonnen ze hem te ontvallen. Het overlijden van Jet in 2017 was een klap. Omdat hij nog geen ei kon bakken, kwamen studentes voor hem koken, een kleindochter hield hem wekelijks gezelschap. Door een noodlottige val liep hij een nekwervelbreuk op. Het typeerde hem dat hij de vijf dagen die hem restten de regie hield over zijn afscheid.

Jan Nico Homan van der Heide werd geboren op 25 december 1926 in Soebang (Java) en overleed op 21 augustus 2020 in Groningen.

Trouw beschrijft het leven van onlangs overleden heel gewone of bekende mensen. Heeft u zelf een tip voor Naschrift? Mail ons via naschrift@trouw.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden