ReportageSjoah

Duizenden slachtoffers van de Sjoah liggen nog verborgen in de Poolse bossen

Een dennenbos in Krakau, Polen.Beeld NurPhoto via Getty Images

Niemand weet hoeveel Joden tijdens de oorlog buiten de concentratiekampen zijn vermoord. Polen is bezaaid met hun graven. Ieder jaar worden honderden doden teruggevonden en een héél enkele keer een overlevende.

Zosia woont alleen in een huisje in het bos.  Haar hele familie is verdwenen. Haar ouders zijn gestorven. Haar broer ontvluchtte kort na de Tweede Wereldoorlog het ouderlijk huis.  En haar dochter woont in Canada.  Alleen de Joden zijn gebleven. Ze liggen in het bos. Sommigen alleen, anderen in groepen. Ze liggen verborgen onder een dikke laag mos en dennennaalden die meeveert als je er overheen loopt zonder dat je iets bijzonders opmerkt. Ze liggen verborgen achter bange vermoedens en ongewenste herinneringen die het nabijgelegen stadje vijfenzeventig jaar op afstand heeft gehouden. Lange tijd wist niemand waar de Joden lagen. Maar nu beginnen bewoners te vertellen wat ze als kinderen hebben gezien.

“Zuid- en Oost-Polen zijn bezaaid met Joodse graven”, zegt Aleksander Schwarz. Voor de stichting Zapomniane, wat ‘Vergeten‘ betekent, lokaliseert hij graven van Joden die vermoord zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is een race tegen de klok, omdat er steeds minder ooggetuigen zijn. “De afgelopen tien jaar hebben we honderden graven ontdekt. De komende jaren zal de teller waarschijnlijk de duizend aantikken”, zegt hij op weg naar het huis van Zosia.

In de kofferbak ligt een matseva; een gedenkteken als minimum van eerbetoon, al is het maar van larikshout. Erop een davidster en de woorden “Hier rusten Joden, gezegend hun nagedachtenis, vermoord tijdens de Sjoah”. Namen van slachtoffers zijn zelden te achterhalen.

Psychische afstand

Aleksander wil ook niet te veel weten: “Als ik weet dat de man die daar ergens in het bos ligt voor de oorlog melkboer was, dan is het veel zwaarder mijn werk te doen.” Wie zich dagelijks met de Sjoah bezighoudt moet psychische afstand inbouwen. Vooral zwarte, filosofische humor vijlt de scherpste randjes van het trauma. Tijdens de rit geeft Aleksander een voorbeeld: “Twee Joden zitten in de hemel en halen herinneringen op aan de Sjoah. Zegt de ene: ‘Weet je nog dat ik verrekte van de honger?’ ‘Ja’, zegt de ander, ‘en weet jij nog dat ik doodziek was in het kamp?’ Dan mengt God zich in het gesprek: ‘En herinneren jullie je nog dat....’ Maar de Joden onderbreken hem direct: ‘Ho, ho, Jij was daar niet’.”

In zijn werk concentreert Aleksander zich op zuiver technische kwesties. “Ik lokaliseer het graf op basis van getuigenverklaringen, luchtfoto’s en bodemonderzoek.” Vervolgens maakt hij in zijn atelier een houten matseva. Andere werknemers van de stichting ‘Vergeten’ spitten de archieven door, maar de informatie die ze vinden is zelden volledig. Soms zijn er namen, aantallen slachtoffers, of een aanwijzing wie de daders waren, Duitsers, Polen, of Oekraïners.

Meestal blijven het flarden van informatie. Net als het verhaal van Aleksanders eigen familie. “Ik weet niet wat er met de familie van mijn moeders kant is gebeurd. Een deel is waarschijnlijk in de Sjoah omgekomen, maar ik weet niet hoe en waar.”

Ongeveer drie miljoen Poolse Joden werden tijdens de oorlog vermoord. Ze werden samengedreven in getto’s en vervolgens afgevoerd naar de vernietigingskampen. “Hier werd het getto op 8 november 1942 geliquideerd”, weet Andrzej Wawrylak. De lokale historicus heeft de stichting ‘Vergeten’ attent gemaakt op Zosia. “Veel Joden ontsnapten en verstopten zich in dat bos”, vertelt hij als Aleksander is aangekomen in het stadje.

Het was een oorlog van allen tegen allen. De Polen vreesden de Duitsers. “De Duitsers durfden de bossen niet in, omdat daar Poolse partizanen zaten”, vertelt Wawrylak. De Joden waren bang voor iedereen. Natuurlijk voor de Duitsers. “Maar soms waren ze nog banger voor de Poolse partizanen.” En voor de Poolse boeren, die hun leven konden redden, maar hen ook konden verlinken.

‘Ik ben achttien’

Het marktplein waar de Joden werden samengedreven ziet er grotendeels nog uit als 78 jaar geleden. Maar de bossen buiten het stadje zijn gegroeid. Ooit lag het huis van Zosia’s familie aan de rand van het bos. Nu is het omgeven door hoge bomen.

Zosia leidt haar gasten naar het eerste graf op zo’n 100 meter van haar huis. “Hier heeft vader hem begraven.” Wie? “Een goed geklede jongeman”, een Joodse onderduiker die door de Duitsers werd neergeschoten. “Vader zei dat hij hem niet direct begroef, want de Duitsers lagen op de loer. Op een nacht ging vader hem begraven. Hij heeft me de plek aangewezen.” Terwijl Zosia vertelt, legt Aleksander met een gps-apparaatje de locatie vast.

Zosia loopt al richting het volgende graf, pratend, in een wirwar van herinneringen. Ze wijst op huizen die zijn verdwenen. Ze noemt mensen die niet meer leven. De vraag in welk jaar ze is geboren wimpelt ze weg met een kwinkslag: “Ik ben achttien.”

Dan stapt ze resoluut het bos in. “Hier liggen die jongens. Ongeveer vijftien. Ze waren nog geen twintig jaar. Ze moesten hun eigen graf graven. Die Duitser zat erbij een boek te lezen.” Hoe weet ze dat? Dat hier ergens graven waren wist iedereen, maar de precieze plek was niet bekend. Totdat een vrouw uit het stadje vertelde wat ze als kind had gezien. “Ze zat verstopt en zag alles. Ze vertelde het aan haar zoon om het door te geven. Die kwam bij mij en zei: kom, ik laat je de plek zien.”

Het is een ondiepe greppel langs een zandpad aan de rand van het bos. Enkele tientallen meters verderop ligt een nog groter graf. De greppel is hier bijna verdwenen, alsof hij gedempt is. Als de gegevens kloppen liggen hier de lichamen van ongeveer vijftig geёxecuteerde Joden.

De Jood die geen Jood was, maar een Jodin

Zosia is alweer doorgelopen. Er rest nog één graf. Ze weet waar het is, want haar moeder wees haar altijd die plek aan met de woorden: “Daar ligt de Jood.” Die ene, bijzondere Jood die geen Jood was, maar een Jodin. Een Jodin die niet door de Duitsers werd vermoord. En dan kan Zosia haar tranen niet meer bedwingen. “Hier ligt mijn moeder.”

Het verhaal, bijeengesprokkeld in de loop der jaren, komt er met horten en stoten uit: De Jodin zat ondergedoken. Niemand kent haar naam. Ze was zwanger. De vader van het kind was Zosia’s ‘oom’, de broer van de man die ze altijd haar vader heeft genoemd.

Het was waarschijnlijk in de koude decembermaand van 1944 toen de uitgemergelde Joodse vrouw aanklopte bij het huisje van de vroedvrouw dat hier vroeger stond. Het was een zware bevalling. Zosia’s ‘vader’ werd erbij geroepen. Hij was woedend en sloeg de uitgeputte vrouw dood. Hij dacht dat het kind niet meer leefde, maar toen het begon te huilen, nam hij het mee. Ze kreeg een naam, Zosia, en pas jaren na de oorlog een officiёle geboortedatum: 22 oktober 1947. Geen toevallige datum. De katholieke familie koos voor het Joodse kind als verjaardag de dag waarop Maria was verschenen in het Italiaanse dorp Montichiari.

Het is ongeveer 200 meter lopen om terug te komen bij haar huisje. Nu het verhaal eruit is, lijkt Zosia bij elke stap op te veren. Eenmaal op de veranda komt er koffie en thee op tafel. Met taart. Het is alsof ze haar verjaardag viert. Ze huilt en ze lacht, terwijl ze vertelt hoe ze er stukje bij beetje achter kwam dat er iets niet klopte.

Flarden van gesprekken

Ze was een jaar of zes toen haar vader een luik in de vloer opende en een kist tevoorschijn haalde. “Hij nam er een rol uit met koorden eraan. Ik pakte het en vroeg: wat is dat? ‘Dat heb je van je moeder. Een thora.’ Toen rukte hij het uit mijn handen. Ik heb het nooit meer teruggezien.” Wat was een thora? En welke ‘moeder’ bedoelde haar vader?

Soms ving ze flarden van gesprekken op. Oom had ‘een Jodin verkracht’. Haar vader ‘was woedend naar het huis van de vroedvrouw gelopen’. Achteraf valt het haar op dat haar oom zo graag op háár kinderen paste. Volgens haar nieuwe levensverhaal was die ‘oom’ dus haar vader en haar ‘vader’ de moordenaar van haar echte moeder.

Het woord ‘vader’ neemt ze zelden in de mond. In plaats daarvan gebruikt ze zijn achternaam, tevens haar eigen achternaam. “Hij nam me in bescherming tegen mijn moeder.” Als hij van huis was, was ze overgeleverd aan ‘de moeder die mij opvoedde’. “Ze sloeg me, mishandelde me. Ik leefde in een hel.”

Een voor een spreidt Zosia de scherven van het verleden voor zich uit, als puzzelstukken. Sommige zijn gesleten, vaag – andere vlijmscherp, pijnlijk. Sommige sluiten naadloos op elkaar aan, andere blijven liggen in een lege ruimte vol vragen.

Hielp de familie ondergedoken Joden, of profiteerden ze van hun ongeluk? Of misschien allebei? Ze verraadden de onderduikers in het bos niet. Maar hoe kwamen die Joodse kostbaarheden onder de vloer van hun huisje?

Wat verbond Zosia’s ‘oom’ met de ondergedoken Jodin? Was hij ‘haar geliefde’ zoals zij hem zelf een paar keer noemt? Een hopeloze, romantische liefde, van een Pool met een ondergedoken Jodin, een relatie waar tijdens de bezetting de doodstraf op stond? Of was zij de Jodin die door haar ‘oom’ was verkracht?

En dan is er dat ene grote raadsel: waarom sloeg Zosia’s ‘vader’ de Joodse onderduikster dood en nam hij vervolgens haar kind een leven lang in bescherming? Schreeuwde ze tijdens de bevalling en was hij bang dat Duitsers erop af zouden komen? Gaf hij haar een genadeklap om een einde te maken aan haar nodeloze lijden? Of was zijn karakter ‘gebroken’ zoals Zosia suggereert, omdat hij was ‘gemarteld door de Gestapo’? “Zijn eerste reflex was slaan.”

Maar waarom ontfermde hij zich dan over het kind? Uit wroeging over de moord? Of mocht het kind leven omdat het zijn eigen vlees en bloed was? Maar waarom voedde zijn broer die de echte vader was het meisje dan niet op?

De ooggetuige

Bloed kruipt waar het niet gaan kan. Wroeging vreet aan het geweten. Zosia’s stiefmoeder begon kort voor haar dood spoken te zien. “Ik kwam terug van de kerk”, vertelt Zosia. “Ze keek me aan met uitpuilende ogen en riep: ‘Hoe komt u hier? Komt u voor het kind?’ Ze zag in mij mijn moeder. Waarschijnlijk lijk ik op haar.” Zosia werd kwaad en vroeg: “Waar is mijn mama?” Maar ze kreeg geen antwoord. Dat was acht jaar geleden.

Het antwoord kwam drie jaar later. Een voormalige buurman wilde het geheim niet meenemen in zijn graf. “Hij was erbij toen ik geboren werd. Hij was ooggetuige.” Niet alleen van de bevalling; hij wist nog iets. “Mijn moeder gaf me de naam Armina.”

Zosia-Armina draagt een kettinkje met een crucifix. Op de schoorsteenmantel staan plaatjes van katholieke heiligen. Maar als haar moeder Joods was, is zij dus eigenlijk ook Joods. Hoe is het om dat nu te weten? Even denkt ze na. Dan zegt ze: “Ik ben blij. Ik heb mijn moeder nooit gekend, maar dit geeft me zelfvertrouwen.”

Binnenkort gaat Aleksander terug om de matseva te plaatsen.

Lees ook: 

De van oorsprong Duitse Karin (1935-2020) had geleerd geen aanstoot te geven

Niet welkom zijn. De van oorsprong Duitse Karin Wapperom-Schönlau wist hoe dat was. Als kind vluchtte ze met haar moeder en zusje uit het door oorlog getekende Silezië voor de aanstormende Russen. Tien jaar later kwam ze met haar Hollandse verloofde naar een Nederland dat niet zat te wachten op Duitsers.

Duitsland: ‘Geen sprake van herstelbetaling WOII voor Polen’

Berlijn peinst er niet over om Polen een biljoen te betalen voor geleden schade in de Tweede Wereldoorlog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden