Tien gebodenDenis Mukwege

Denis Mukwege: ‘Ik geloof dat het Gods bedoeling was dat ik bleef leven: opdat ik later, als dokter, anderen kon genezen’

Dennis  Mukwege: ‘Als ik niet over de waarheid blijf spreken, zal ik nooit een vrij man zijn.’ Beeld Mark Kohn
Dennis Mukwege: ‘Als ik niet over de waarheid blijf spreken, zal ik nooit een vrij man zijn.’Beeld Mark Kohn

Dokter Denis Mukwege (66) vraagt aandacht voor seksueel geweld tegen vrouwen, en wijst de wereld op het onrecht dat arbeiders in Congolese mijnen wordt aangedaan. ‘Als dit doel niet wordt gediend, ga ik liever terug naar het ziekenhuis om voor mijn patiënten te zorgen.’

Arjan Visser

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Een paar dagen na mijn geboorte werd ik ernstig ziek. Mijn vader werkte op dat moment als predikant in een ander deel van het land en was alleen per brief bereikbaar. Mijn moeder bracht haar twee oudere kinderen naar de buren, wikkelde mij in een doek, bond me op haar rug en liep naar de medische hulppost die gerund werden door Belgische nonnen. Ze liet haar naar adem snakkende baby zien en smeekte om hulp maar de nonnen stuurden haar weg omdat ik het kind van een protestantse dominee was. Alleen katholieken waren welkom. Huilend liep ze terug naar huis, ervan overtuigd dat ik zou sterven.

Een van onze buren bleek inmiddels de hulp te hebben ingeroepen van Majken Bergman, een jonge Zweedse lerares en zendelinge die onderaan de heuvel woonde. Deze vrouw kwam diezelfde nacht nog naar ons toe en vertrok bij het eerste daglicht naar de missiepost om de papieren voor een noodtoelating te regelen. ‘Als de baby sterft,’ zei ze tegen de nonnen, ‘zal dat deels jullie schuld zijn.’ Ze kreeg de formulieren mee waarmee ik een paar uur later alsnog werd toegelaten, eerst penicilline en daarna antibioticum kreeg en mijn leven op het nippertje werd gered. Dus, als je me vraagt of God bestaat, zou dit mijn antwoord zijn. Ik geloof dat het Gods bedoeling was dat ik bleef leven: opdat ik later, als dokter, anderen kon genezen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Alles wat ik doe – of ik nu aanschuif in een televisie-programma of hier met jou in gesprek ben – doe ik in de hoop dat ik daarmee de aandacht kan vestigen op het lijden van de vrouwen die ik behandel in het Panzi ziekenhuis in Bukavu. Toen ik in 2018 de Nobelprijs voor de vrede kreeg, heb ik gezegd: als er niets verandert voor de vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld in conflictgebieden, wat is dan de waarde van die prijs? Mensen zoals Hillary Clinton, Bill Gates en Angelina Jolie spreken hun waardering uit voor mijn werk; als het de goede zaak dient heb ik daar niets op tegen, maar ik wil niet op een voetstuk worden geplaatst. Het gaat niet om mij. Ik doe dit met een doel en als dat doel niet wordt gediend, ga ik liever terug naar het ziekenhuis om voor mijn patiënten te zorgen.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Hoe kan ik Zijn naam ijdel gebruiken als ik niet eens weet hoe Hij heet? God is een soort aanduiding, zoals je die bij mensen ook gebruikt: ik ben Denis, jij bent Arjan. Maar wat is de naam van God? God heet overal weer anders. En die God – hoe je Hem ook noemt – kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de oorlogen die namens Hem worden gevoerd; het is altijd een strijd tussen religies.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Op zondag werk ik als predikant in onze kerk in Bukavu, maar áls ik vrij ben en door mijn collega’s uit het ziekenhuis word gebeld omdat mijn hulp daar nodig is, ga ik er onmiddellijk heen. Al die geboden, ik weet het niet. Moeten we het daar echt over hebben? Ze horen bij een religie en hebben met mijn geloof in God helemaal niets te maken. Ik ben niet religieus, ik ben gelovig. Het goede zit in ons, we moeten het alleen zien te vinden en vervolgens inzetten in ons contact met anderen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Het was bij ons thuis een komen en gaan van mensen met allerlei soorten problemen. Mijn vader stond altijd klaar om het lijden te verminderen, om financiële steun te geven – ook al was hij zelf niet rijk. Toen ik een jaar of acht was ging ik een keer op een zondagavond met hem mee op huisbezoek. We kwamen bij een gezin met een zieke baby. Zelfs ík kon zien dat het kindje er heel slecht aan toe was. Mijn vader probeerde de familieleden gerust te stellen, zei dat ze de volgende ochtend naar de medische hulppost moesten gaan en ging daarna voor in gebed.

Op weg naar huis dacht ik met medelijden aan het zieke kind, maar ik was ook een beetje in de war, teleurgesteld in mijn vader en ik durfde het hem na een tijdje pas te vragen: ‘Waarom hebt u geen medicijnen gegeven?’ Mijn vader antwoordde dat hij wel geestelijke bijstand kon verlenen, maar dat hij mensen niet beter kon maken. Daar moest je dokter voor zijn. Ik zei, nog altijd een beetje verontwaardigd, dat ik dan later voor de zieken zou gaan zorgen. ‘Goed idee’, zei mijn vader, ‘dan kunnen we als team gaan werken. Als jij de medicijnen uitdeelt, zal ik voor de patiënten bidden.’

Ik was één van de negen kinderen; ik wilde niets liever dan een team vormen met mijn vader. Misschien – ik wil niet namens mijn broers of zussen spreken – hebben wij destijds allemaal wel eens het gevoel gehad dat we niet genoeg aandacht kregen. Het is de perceptie van een kind, want als volwassene begreep ik maar al te goed dat mijn ouders met ons allemaal het beste voor hadden.

Ik herinner me dat wij wel eens ruzie maakten aan tafel en dat mijn vader dan begon te zingen. Het was zijn manier om een eind aan dat gekibbel te maken want als er zo’n vroom lied werd ingezet, móesten wij wel meezingen. Mijn vader kon streng zijn, maar hij sloeg ons niet. Nooit. Als ik iets had gedaan wat hem niet beviel – bijvoorbeeld gaan voetballen terwijl ik naar de kerk had moeten gaan – kon hij me zó indringend aankijken dat ik nog veel liever een pak slaag had gehad. Ik schaamde me zo verschrikkelijk. Mijn vader was mijn voorbeeld. Ik wilde zijn zoals hij, ik mocht hem niet teleurstellen.

Hij stierf op zijn 88ste aan een hartaanval. Ik denk iedere dag aan hem. Hij heeft het fundament voor mijn leven gelegd, we hebben eindeloos veel gesprekken gevoerd, zijn DNA zit in mij, ik heb hem 55 jaar gekend. Hoe zou ik hem ooit kunnen vergeten?

Mijn moeder is twee jaar geleden overleden. Ze was mijn heldin, net zo voorbeeldig als mijn vader. Toen ik in 2012 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, is zij met me mee naar Oslo gegaan. Een van mijn andere gasten was Majken Bergman, de zendelinge die ervoor had gezorgd dat mijn moeder alsnog met mij, haar doodzieke baby, bij de missiepost van de Belgische nonnen werd binnengelaten. Ik had een moeder die vocht voor haar kinderen. Dat heeft ze tot haar laatste snik gedaan.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Ik kan niet verklaren hoe het mogelijk is dat ik nog steeds in leven ben. Natuurlijk, ik weet wanneer het gevaarlijk wordt, op welke momenten ik iets moet doen of laten, maar ik ben eigenlijk nooit echt ongerust omdat het geen toeval kan zijn dat ik aanslagen heb overleefd, dat de kogels die de auto waarin ik zat mij niet hebben geraakt of dat ik, na lang aandringen, toch maar inging op een uitnodiging om iemand te ontmoeten en de plek waar ik al die tijd had gezeten twintig minuten later werd beschoten. Voor mij is dit het bewijs dat er iemand is die op mij let. En ik noem diegene God.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Madeleine en ik zijn veertig jaar samen. Ze doet alles wat een vrouw voor haar man zou kunnen doen, dus ja, ik heb echt geluk gehad, maar ik neem mijn eigen verantwoordelijkheden ook serieus. Ik steun haar, ik zorg voor haar, ik ben haar trouw. Natuurlijk kijk ik wel eens naar andere vrouwen, maar ik kom nooit in de verleiding om er achteraan te lopen. Als ik een mooie vrouw zie, zeg ik: ‘Dank u, God’. Het maakt me vooral gelukkig om de schoonheid van Zijn schepping te mogen zien. Een schepping waarin mannen en vrouwen gelijk zijn. En toch – goed, nu dwalen we heel erg af, maar ik heb je al gezegd dat ik niet zo goed weet wat ik aan moet met die tien geboden – toch kunnen in Congolese gezinnen alleen zonen de huizen en andere bezittingen erven van hun vaders.

Na honderd jaar strijd voor gelijke rechten verdienen Europese vrouwen met dezelfde opleiding en dezelfde verantwoordelijkheden nog altijd twintig procent minder dan hun mannelijke collega’s. Dat móet veranderen. We komen alleen vooruit als we van elkaars kwaliteiten gebruiken willen maken. Ik zal niet zeggen dat een vrouw een beter soort mens is, maar ze zijn wel veerkrachtiger dan mannen. Ze groeien op met pijn. Menstrueren is pijnlijk. Een kind baren is pijnlijk.

Het is niet te beschrijven hoe ernstig de vrouwen, de meisjes – baby’s zelfs – er aan toe zijn als ze bij ons in het ziekenhuis komen en toch weten ze op een of andere manier weer op te staan, ze vinden ergens de kracht om het leven op te pakken. Mannen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld raken verslaafd, worden depressief of slaan op de vlucht. Niemand mag weten wat hen is overkomen. Ze mogen niet zwak zijn. Ze moeten de zwakkeren juist domineren. Zo zijn ze groot gebracht. Een meisje is minder ‘waard’ dan een jongen, dus kun je later met haar doen waar je zin in hebt.

Op een dag kwam er een jongen naar het ziekenhuis die naar mij op zoek was. Hij sliep op straat en had geld nodig om een bedrijfje op te starten. Toen ik hem naar zijn jeugd vroeg, vertelde hij als twaalfjarige door een militie te zijn geronseld. Langzaam maar zeker werd me duidelijk dat er iemand in mijn kantoor zat die mede-verantwoordelijk was voor het leed van mijn patiënten. Nee, ik wilde geen geld geven, maar ik móest met hem praten, ik wilde begrijpen hoe hij verslaafd had kunnen raken aan de nachtelijke aanvallen, aan het verkrachten en vermoorden; aan het waanzinnige leven van een rebel. Ik dacht aan de verminkte vrouwen, slechts een paar meter van ons vandaan, en vroeg de jongen hoe hij zoveel geweld had kunnen gebruiken waarop hij antwoordde dat het verkrachten van een vrouw voor hem gelijk stond aan het slachten van een kip of een geit.”

VIII Gij zult niet stelen

“Congo, mijn land, is tijdens de koloniale periode leeggeroofd. Mijn volk werd uitgebuit, verkracht, vermoord. En het ergste is dat daar jarenlang niet over werd gesproken. De wereld heeft er geen herinnering aan. En nu probeer ik al jarenlang bij de EU een andere diefstal onder de aandacht te brengen: Congo is verantwoordelijk voor 70 procent van de wereldproductie van coltan en kobalt, mineralen die nodig zijn voor de productie van batterijen voor elektrische auto’s, computers en smartphones zoals die van jou die daar op tafel ligt.

Wist je dat die grondstoffen gedolven worden door mensen die als slaven behandeld worden? Dat er doden vallen? Ik kan niet zeggen dat jij een dief bent, met je mobieltje, maar als je wéét dat er bloed kleeft aan coltan heb je de verantwoordelijkheid om je uit te spreken, om er bij je regering op aan te dringen dat de exploitatie van die grondstoffen transparant gemaakt wordt. Nu worden regels nog omzeild door de mineralen via Rwanda naar het Midden-Oosten te smokkelen waar ze worden witgewassen om ‘schoon’ aan Europa en de rest van de wereld te worden verkocht. Die diefstal moet stoppen. De arbeiders moeten voor een baas kunnen werken die goed voor hen zorgt en een eerlijk salaris uitbetaalt.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Ook als ik mijn mond niet opendoe, blijft de waarheid bestaan. Ik weet dat ik de kans om vermoord te worden vergroot door me uit te spreken over onrecht en misstanden en toch is er maar één weg die naar de vrijheid leidt en dat is die van de waarheid. Als ik niet over de waarheid blijf spreken, zal ik nooit een vrij man zijn.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Met jaloezie maak je alleen maar dingen kapot. Waarom zou je een ander iets misgunnen? God wil juist dat we het tegenovergestelde doen: heb uw naaste lief als uzelf. Als je volgens die regel leeft, is het ook niet nodig om jaloers te zijn. Dat wil niet zeggen dat ik geen verlangens ken. Ik verlang naar vrede in mijn land. Ik woon op het terrein van het Pangi ziekenhuis – omdat ik daar het best bewaakt kan worden – en denk er soms aan hoe graag ik, net zoals mijn buren, in vrijheid zou willen leven.

Dat is een verlangen. Als je ergens naar verlangt, moet je ervoor werken, je verstand gebruiken om het voor elkaar te krijgen. Ik geloof in vooruitgang, ook al zijn er momenten geweest waarop ik de hoop dreigde te verliezen. Ik ben wel eens het ziekenhuis uitgelopen omdat ik de ellende niet langer kon verdragen, maar ik werd teruggehaald door de vrouwen die ik behandelde; door hún ogen zag ik de schoonheid weer, een flikkering van hoop, en hervond ik het vertrouwen dat alles goed zou komen. Dat ik niet voor niets op deze plek ben neergezet.”

Denis Mukwege

Denis Mukwege (Bukavu, Congo, 1955) is activist en gynaecoloog. In het door hem opgezette Panzi Ziekenhuis in Bukavu behandelt hij vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld. In 2018 won hij, samen met Yezidi-activist Nadia Murad, de Nobelprijs voor de Vrede. Onlangs verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij zijn boek De kracht van vrouwen.

Lees ook:
In de bres voor verkrachte vrouwen

Denis Mukwege helpt met gevaar voor eigen leven verminkte en verkrachte oorlogsslachtoffers in Congo. Hij won er in 2018 de Nobelprijs mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden